Luxembourg

Ik bezit een foto van een vriendin en mijzelf, lopend door een straat in Parijs. De foto is genomen van boven uit een huis, loodrecht naar beneden, en wat je ziet zijn twee vreemde afgeplatte figuren, elk met een klein model rugzak en uitgestrekte armen, waarmee een wandelwagen wordt geduwd met een kind er in.

Onze houding, vooroverleunend om het gewicht van de rugzak te compenseren en duwkracht op de wandelwagen uit te oefenen, drukt Onvervaardheid en Vastberadenheid uit (onze dochters daarentegen zijn toonbeelden van ontspannenheid: de mijne heeft haar rechtervoet in haar mond): we zijn op weg naar de Jardins du Luxembourg.

Er zijn bevoorrechte mensen die er een paar minuten vandaan wonen, maar wij moesten half Parijs door. In de verzengende zomerhitte en zwaar beladen marcheerden we naar de bushalte of het metrostation, laadden de kinderen in en uit wagon of bus, en liepen dan naar het park. In de keuze tussen metro of bus speelden verschillende variabelen een rol: de bushalte was dichterbij dan het metrostation maar het was kostbaarder en duurde langer. Het betekende ook dat je je kind uit de wandelwagen moest halen en met het kind in één arm en de opgevouwen wagen in de andere moest instappen. De metro was bloedwarm, maar het kind kon in de wandelwagen blijven zitten; je moest dan wel het hele geval de trappen op en af dragen (laatst zag ik dat iemand doen en herinnerde mij die eens zo vertrouwde handeling: als je de wagen weer neerzette bleef steevast een of ander onderdeel ervan in je kleren of je tas haken; er was dan een ogenblik dat je je er overheen boog, ogenschijnlijk om met de passagier te communiceren maar in feite om je los te maken).

Je kon ons over de kaart van Parijs zien kruipen als mieren op zoek naar een kruimeltje suiker - zo vlug als we konden en voortdurend afwegend of we ons met een koersverandering tijd of ongemak konden besparen. Het leek ons een heel avontuur, zo'n verre reis alleen maar om in een park te zitten; bij het bereiken van de mildere regionen van het zesde arrondissement voelden we ons als barbaren uit het Hoge Noorden. De bewoners waren eleganter dan wij, de winkels interessanter dan de onze, de gebouwen fraaier, ja zelfs de lucht was er rijker. We versnelden onze pas, slalomden met de wandelwagens langs het Institut Catholique, daarna in gestrekte draf door de rue de Vaugirard; dan volgde een irritante wachtpauze bij de verkeerslichten van de rue Guynemer, en dan waren we er. Op het laatste stuk waren er steeds meer tekenen dat we bezig waren het park te naderen: welgemoede moeders en kinderen die haastig de ene kant op gingen en vermoeide, veel trager, de andere.

De bekendste ingang van de Jardins du Luxembourg is bij de boulevard St.Michel, tegenover de rue Soufflot; maar wij gingen naar binnen aan de noordwestelijke bovenhoek; we liepen dan nog ongeveer 150 meter en daar was het; het Luxembourg is heel groot, maar waar we voor kwamen was de kleine ommuurde tuin pal tegenover de Orangerie: de beste kindertuin in heel Parijs. Het was een omsloten rechthoek, met gras in het midden. Op elk der vier hoeken, beschermd door een heg, was een klein grasveldje waarvan er telkens maar één voor een dag toegankelijk was, als een soort crop rotation, voor mensen om te zitten. We bakenden voor onszelf een plek af met de wandelwagens, ontdeden ons van de rugzakken en kleedden de kinderen uit. Want dat was de reden voor al die moeite: dat stukje van het Luxembourg heeft iets dat ik nooit ergens anders in Parijs gezien heb: pierebadjes. Niet de gangbare ontoegankelijke vijvers en fonteinen van de Parijse parken, maar water waar je echt in mocht.

De bassins waren geflankeerd door zandbakken en daardoor lag er altijd veel zand op de bodem; ik herinner me nog goed hoe het voelde aan je voeten (met een klein kind bij je mocht je er zelf ook in) en hoe weldadig verfrissend het water in die hitte was; over de heggen zag je de Orangerie en de her en der door de tuin verspreide palmen in hun kuipen, waardoor het er allemaal nog tropischer uitzag. Aan de andere kant zaten de schakers, kleine groepjes mannen geconcentreerd gebogen over schaakborden die tussen hen in op een stoelzitting stonden. (In de Jardin des Plantes was ook zo'n schaakhoek; daar zaten de spelers dicht op elkaar onder een bordje met het opschrift: "Réservé exclusivement aux Mères de Famille et aux Enfants de moins de 4 ans').

De kinderen ploeterden in het water, vulden hun emmertjes onder de kraan, maakten zandkastelen of groeven diepe kuilen; het was bijna net zo goed als het strand. Van tijd tot tijd zag je er een door het water huppelen met druipnatte Pampers, soms een die door zijn vader in het water werd gedwongen en het op een brullen zette, en soms zelfs kinderen die er niet in mochten. Dat leek een geraffineerde marteling: met je kinderen naar het enige pierebad in de stad gaan en ze dan bedreigen met hellestraffen als ze het wagen een voet in het water te zetten ("Florian, ça suffit! Si tu continues on s'en va!'). Maar verder had het water op iedereen een kalmerend effect, de moeders dommelden en de kinderen speelden.

Zelfs de parkwachters waren hier vriendelijk, de sfeer was heel anders dan in andere Parijse parken. En daar was een verklaring voor: de Jardins du Luxembourg staan onder een verlicht beheer, ze vallen onder de Senaat, die kennelijk behagen schept in kinderen die zich amuseren.

Hetgeen ze deden; het was alsof je voor een middag uit het gewone stadsleven stapte. Deze kinderen, anders zo opgesloten, gedwongen zich zo netjes te gedragen, voelden plotseling alles van zich afglijden en konden er met zand en water op los knoeien zonder dat het werd verboden. Je kon aan het eind van de middag het verschil zien, wanneer deze bevrijde geesten, naakt en bruin, weer in hun kleren terug moesten, omgevormd tot netjes aangeklede en geciviliseerde wezens die zich niet meer vuil mochten maken. Vooral de meisjes werden merkbaar ingetogener zodra ze weer aangekleed waren.

Het onderwerpingsproces begint vroeg in Frankrijk. Eens zaten we op een van die kleine grasveldjes en ik zag een baby van een paar maanden op zijn buik liggen en gras eten. De moeder merkte het opeens, pakte het nietsvermoedende grazende kind pardoes op, hield het ondersteboven en begon met haar vingers nogal ruw het gras uit zijn mond te verwijderen. ""Hoe vaak heb ik 't je nu al gezegd'', riep ze geërgerd, ""ik wil niet hebben dat je gras eet.'' Zoals te verwachten was liep het wicht paars aan en begon te huilen, met een geresigneerd hikkend geluidje. De moeder draaide het weer rechtop en hield het op armslengte van zich af, waar het zwakjes spartelde. Dat maakte haar nog bozer. ""Ah non!'', riep ze op de toon van een cipier die iemand op een nieuwe overtreding betrapt heeft, ""pas de caprices!'' (geen kuren). Nu is veel van wat moeders in het publiek tegen hun kinderen zeggen in feite voor dat publiek bestemd: "kijk eens hoe ferm ik optreed' (in Frankrijk tenminste: in Holland is het meer iets van: "kijk eens wat een begrijpende opvoeder ik ben'), en dat wordt dan door de omgeving met zwijgende instemming ontvangen. Maar in dit geval bleef dat uit; ik weet niet of de moeder het merkte, maar ze deponeerde het kind in de kinderwagen, pakte haar spullen, en vertrok zonder om te kijken.

Tussen de reserve-Pampers en speelgoedgieters in onze rugzakken hadden we altijd een thermosfles met thee, en die dronken we dan op een van die kleine grasveldjes; mijn vriendin had haar eigen speciale mengsel en de smaak daarvan is even sterk in mijn herinnering gebleven als het zand in de pierebakken. De kinderen speelden om ons heen met witte zonnehoedjes op en het leek of het altijd zomer zou zijn, een terugkeer van de magische eindeloze zomers uit je eigen kinderjaren.

De zomerdagen zijn anders geworden, nu we de tuinslang maar aan hoeven te zetten om ons eigen opblaasbadje te vullen in de tuin; ook die thee-melange is nu een herinnering: mijn vriendin verhuisde naar Engeland en ze is er nog niet in geslaagd daar de juiste ingrediënten te vinden. Ik ben nog eens teruggegaan naar de tuinen van het Luxembourg, op een winterdag, nieuwsgierig hoe het er dan uit zou zien. De bassins waren gevuld met zand, de palmen waren terug in de Orangerie en er zaten een paar kleumende moeders op de banken: een gewone speelplaats als een andere.

Dit is de laatste aflevering van de zomerserie over Parijse kindertuinen.