Lachen om zwaarwichtige kunsthistorische vragen

De Orangerie, zaterdag Ned. 2, 22.05-22.43u.

“Ik wil hier wel even gezegd hebben dat ik een vervolg op mijn twee leesboeken wil schrijven. En als iemand zich geroepen voelt me geld te geven, wil ik ook nog graag een film maken.” De nu vijfenzeventig jaar geworden E. van Moerkerken is een ouderwets getalenteerd kunstenaar, dus veelzijdig en met grote aandacht voor de ambachtelijke kant van het verhevene. Zwaarwichtige kunsthistorische vragen doen hem in een schaterlach uitbarsten, zelfs als ze gesteld worden door Peter Brusse, die een prijs verdient omdat hij zijn wenkbrauwen zo geïnteresseerd omhoog kan trekken. Aanleiding voor het gesprek in De Orangerie is een vandaag opengestelde fototentoonstelling van de gast.

Brusse heeft de simpele en meestal aantrekkelijke gewoonte meteen met het interview te beginnen maar omdat Van Moerkerken behalve kunstenaar ook psycholoog, fellow traveller, surrealist en kind van een beroemde vader (de schrijver Ph. van Moerkerken) is, zou een inleidende tekst de kijker meer houvast hebben gegeven. Temeer omdat zijn schrijverschap onder het pseudoniem Eric Terduyn een paar keer tijdens het gesprek opduikt maar verder niet aan bod komt. Toch is het een boeiend gesprek omdat Van Moerkerken op een onpretentieuze wijze over zijn opmerkelijke carrière vertelt. Nadat hij in het begin van de jaren dertig via een Belgisch tijdschrift door het surrealisme was gegrepen, ging hij in Parijs op bezoek bij André Breton, Salvador Dali, Georges Hugnet en Man Ray. Een paar jaar later zocht hij Breton voor de tweede keer op om een foto gepubliceerd te krijgen in het gezaghebbende kunsttijdschrift Minotaure. Breton wilde hem toen een Trotskistisch manifest laten ondertekenen. “Ik was niet van plan stroop te gaan smeren, dus ik weigerde. De sfeer sloeg om en bij het weggaan vroeg ik of mijn foto nog gepubliceerd werd. Daar zou ik niet op rekenen, antwoordde Breton. Ik vond toen dat ik de Sovjet-Unie niet in de steek kon laten.” Later in het gesprek blijkt dat hij niet altijd zo onverzettelijk was. De Spaanse Burgeroorlog was wel belangrijk maar er naar toe gaan om het fascisme te bestrijden was toch meer iets voor "werkeloze avonturiers'. In diezelfde tijd maakte hij een propagandafilm voor de communistische partij, hoewel hij nooit lid is geworden. “Het positieve gedeelte was genante retoriek, het leverde ook niet veel stemmen op.”

Van Moerkerken spreekt liever over de technische dan over de artistieke aspecten van zijn films en foto's. “De horizon op een foto moet absoluut horizontaal lopen. Hoe komt het dat een film beweegt?” vraagt Brusse omdat hij weet dat Van Moerkerken zich als wetenschapper met visuele waarneming heeft beziggehouden. De vraag valt in goede aarde en er volgt een exposé over de bestaande bewegingstheorieën die niet kloppen. Waarom films wel bewegen wil hij nog eens in een proefschrift uitleggen.

Ook als zijn beroemde foto Octroi de Paris in beeld wordt gebracht, laat Van Moerkerken zich niet verleiden tot een kunsthistorische opmerking: “Dit is een surrealistische foto, dat moeten de mensen maar van mij aannemen. Hij staat tenslotte in een belangrijk Frans boek over surrealisme afgedrukt.”