Kritici van medisch tuchtrecht doen of er standaardnormen zijn

Het doel van het medisch tuchtrecht is het bewaken en handhaven van de kwaliteit van de beroepsgroep (hieronder tevens begrepen tandartsen, vroedvrouwen en apothekers). Dat brengt met zich mee dat de handelwijze van de beklaagde wordt getoetst.

De klager draagt zijn grieven aan en licht die toe, maar staat gezien de doelstelling niet centraal in het proces. Dat wordt vaak niet begrepen door de klager en dat is één van de redenen waarom er vooral van klagers zijde nogal wat negatieve gevoelens bestaan ten opzichte van het tuchtrecht. Daar komt bij dat de bezetting van de colleges (meest vier artsen en twee juristen) het gevoel kan geven dat de artsen elkaar wel de hand boven het hoofd zullen houden. Dat gevoel wordt versterkt doordat de meerderheid van de klachten als ongegrond wordt afgewezen.

In dit licht doet het nogal vreemd aan opeens te lezen dat juist de beklaagden te weinig bescherming zouden genieten. In NRC Handelsblad van 14 augustus formuleren de advocaten Van Velzen en Paanakker een aantal grieven tegen de tuchtrechtspraak op grond waarvan ze concluderen dat het medisch tuchtrecht artsen geen bescherming biedt. Als oud-lid van een Medisch Tuchtcollege ben ik een andere mening toegedaan.

Niet bekend

Maar ten aanzien van de normen gaan de schrijvers nog verder. Zij veronderstellen dat de tuchtrechter de arts verwijt zich niet te houden aan de “door hem - de tuchtrechter - in alle rust achteraf bedachte normen”. De betreffende zin laat overigens geen ruimte voor de interpretatie dat dit wellicht een enkele maal gebeurt. Men mag zich afvragen hoe de schrijvers hierbij komen, want in hun artikel maken ze dat niet uidelijk.

Een ander bezwaar is, dat het “allerminst prettig is” om door collegae te worden beoordeeld. Commentaar hierop kan achterwege blijven. In dezelfde zin staat de grief “dat er een element van concurrentie (in de procedure) kan opduiken”. Dat is een ernstige verdachtmaking, die op zijn minst onderbouwd had moeten worden. Er is namelijk geen enkele reden om dit element aanwezig te achten. Bovendien, als een beklaagde arts al meent dat dat element bij de rechtspraak een rol zou kunnen spelen, dan zou deze zich kunnen beroepen op de tuchtwet, op grond waarvan het desbetreffende lid van het college kan worden gewraakt.

Het derde bezwaar, dat de medici in de tuchtcolleges "plus royaliste que le Roi' zouden zijn, heb ik hierboven reeds besproken.

De bewering dat “in vrijwel alle gevallen waarin hoger beroep wordt ingesteld bij het gerechtshof, dit college beduidend milder oordeelt dan het Medisch Tuchtcollege” is in zijn absoluutheid onjuist. Trouwens, de auteurs ontkrachten die uitspraak eigenlijk al door een geval aan te halen, waarin het hof nu juist een handeling strafbaar stelde, die het Tuchtcollege geen aanleiding gaf tot een maatregel. Het zou niet hebben misstaan als hiernaar enig onderzoek was gedaan of dat schrijvers hadden volstaan met de constatering dat het gerechtshof zeker niet in alle gevallen het oordeel van het tuchtcollege volgt. Ik denk dat hoger beroep juist daarvoor geschapen is.

Over het geheel genomen vrees ik dat het artikel van Van Velzen en Paanakker geen recht doet aan het werk van de tuchtcolleges, of dat nu tegemoet komt aan de doelstelling van de wet of niet. Ook dit soort rechtspraak is slechts mensenwerk, en niemand zal beweren dat op geen enkele uitspraak kritiek mogelijk is. Maar de inspanning die men zich getroost om tot een evenwichtige beoordeling te komen is groot. Dat een deel van de beklaagden, met name degenen die een maatregel kregen opgelegd, zich onjuist beoordeeld voelen, is menselijk begrijpelijk, maar hoort geen aanleiding te zijn voor overwegend niet bewezen negatieve beweringen.