In het paradijs van de "Narcotraficantes'

De Colombiaanse Tragedie; democratie, geweld en cocaïne door C. J. Visser, 150 blz., Jan Mets 1991, f 24,50 ISBN 90 5330 021 X

Colombia. Het land is tweemaal zo groot als Frankrijk, telt negenentwintig miljoen inwoners en lijkt te gronde te gaan aan een endemische vorm van binnenlands geweld. Begint Honderd jaar eenzaamheid niet met het vuurpeloton als een vanzelfsprekend onderdeel van het Colombiaans ameublement?

Behalve decor bij de romans van Garcia Marquez, "kennen' we Colombia tegenwoordig vooral als het centrum voor de mondiale cocaïne-voorziening. Maar de romans van Marquez waren in Nederland nooit aanleiding om Colombia eens wat gerichter te bestuderen. Cocaïne des te meer; zeker nu Suriname de ongewenste schakel is die Nederland indirect met Colombia verbindt. Reden dus voor het Nederlands instituut voor Internationale Betrekkingen (Clingendael) om C. J. Visser eens wat onderzoek te laten doen naar dit land.

De Colombiaanse Tragedie van Visser valt in twee delen uiteen. Eerst komt de politieke geschiedenis aan bod, inclusief de diverse guerrillagroeperingen, zoals de Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (de FARC), El Movimiento de 19 Abril (M-19), en het Ejercitio de Liberación Nacional (ELN). Het is moeilijk het Colombiaanse staatsbestel te typeren. Colombia is geen echte democratie, maar ook geen dictatuur. De Colombiaanse economie is niet op een Westerse kapitalistische leest geschoeid, maar van staatssocialisme is evenmin sprake.

MACHTSHONGER

Wat wel opvalt, is het onvoorstelbare gemak waarmee de verschillende politieke groeperingen in hun onderlinge strijd hun toevlucht nemen tot geweld. Inzet van die strijd is de staatsmacht. Alle vormen van ideologie - het rijtje van de gebruikelijke -ismen - zijn eufemistische dekmantels om de machtshonger te stillen, en om het voetvolk in deze strijd van een eigen vlag èn vijand te voorzien. Een historisch hoogtepunt van die geweldsconjunctuur was de bloedige burgeroorlog tussen Liberalen en Conservatieven. Nadat de Conservatieven in 1947 de verkiezingen hadden gewonnen - niet omdat ze meer aanhang hadden, maar omdat de Liberalen met twee kandidaten de presidentsverkiezingen waren ingegaan - en nadat politie en leger van Liberalen geschoond was, barstte de burgeroorlog goed los.

Een militaire coup in 1953 maakte een voorlopig einde aan deze volledig ontspoorde cultuur van geweld en ongekende wreedheid die in een paar jaar tijds honderdduizenden levens heeft gekost. Daarmee was de periode van La Violencia over haar hoogtepunt heen. Liberalen en Conservatieven gingen na 1957 zelfs samenwerken in het Front van de Nationale Hervorming. In een herenakkoord - en per volksstemming bekrachtigd - werd de staatsmacht voor de komende zestien jaar broederlijk opgedeeld. Per toerbeurt hebben Liberalen en Conservatieven elkaar sindsdien (en ook na 1973) van het pluche afgelost.

Maar de strijd tussen Liberalen en Conservatieven was nog niet geluwd en de coalitie nog niet gesloten, of de guerrilla-activiteiten namen toe van de groeperingen die door het Nationale Front iedere democratische toegang tot de staatsmacht was ontzegd. Daarmee brak een volgende fase van geweld aan, ofschoon duidelijk minder bloeddorstig dan voorheen.

De derde, meest recente golf van geweld komt voor rekening van de cocaïnebaronnen. In de tweede helft van het boek behandelt Visser de opkomst van het cocaïnekartel, in samenhang met de traditie van Colombiaans geweld.

Het ligt voor de hand dat een land als Colombia, waar de centrale staat over weinig macht beschikt, een ideale werkplaats is voor praktijken die zich aan de internationale controle willen onttrekken. De cocateelt gebeurt in de eigen achtertuin en anders wel in die van het buurland Peru. Het land ligt strategisch goed voor de handel met Amerika en beschikte in verband met de smokkel van marihuana en smaragden al over gebaande paden voor de sluikhandel. In die zin hebben entrepreneurs als Escobar en Ochoa met zakelijk instinct optimaal gebruik gemaakt van de gelegenheidsstructuur die Colombia hun bood.

UITLEVERING

De Amerikaanse vraag naar cocaïne was eind jaren zeventig, begin jaren tachtig zo gigantisch dat de waar gewoonweg niet viel aan te slepen. Het was in deze periode van economische hoogconjuctuur in de cocaïnehandel dat de baronnen met succes hun handelsimperium hebben opgebouwd. Vanaf halverwege de jaren zeventig stroomde het geld binnen. Het kartel draait een omzet en een winst waar menig multinational jaloers op zou zijn. Trouwens, de hele Colombiaanse economie - en ver daarbuiten - profiteert mee van deze handel.

De zaken gingen goed zolang de narcotraficantes zich beperkten tot hun nering. Maar zodra zij op basis van hun economische macht aanspraak maakten op politieke macht, was het met het "Colombiaanse gedoogbeleid' gedaan. Onder Amerikaanse druk verklaarde het democratisch gekozen gezag in 1984 de narcotraficantes de oorlog en dreigde zij het uitleveringsverdrag serieus te nemen. Reden voor de leden van het kartel, die ondertussen de geuzennaam van Extraditables hadden aangenomen - om zich met geweld tegen het staatsgezag (en het uitleveringsverdrag) te keren. Niet zonder succes, maar ook niet zonder kleerscheuren, zoals we inmiddels weten.

Vissers laatste hoofdstukken over de Amerikaanse drugsbestrijding en de cocaïne-aanval op Europa horen niet in dit boekje thuis. Zijn betweterige losse flodders ""over hoe het drugsprobleem nu precies in elkaar steekt' (inclusief de remedies) doen afbreuk aan de doelstelling van dit boek, namelijk het beargumenteren dat de geweldsontsporing van de cocaïnehandel in Colombia geen op zichzelf staand fenomeen is, maar een logisch uitvloeisel van een historische ontwikkeling.

Als je nu deze Colombiaanse geweldsgeschiedenis van (veilige) afstand bekijkt, dan kom je tot de conclusie dat Colombia eigenlijk gewoon geen moderne nationale staat is. Het centrale gezag - of wat daar voor door moet gaan - heeft geen monopolie op het geweld, en - zeker zo belangrijk, ofschoon dat minder nieuwswaarde heeft en ook aan de belangstelling van Visser is ontgaan - de staat heeft geen monopolie op de belastingheffing. Colombia doet zodoende nog het meest denken aan een feodale samenleving, waar rivaliserende elites elkaar met modern wapentuig te lijf gaan, inclusief de huurlegers en de sicarios (de motorhuurmoordenaars) die vanaf hun aan de tijd aangepaste ros hun tegenstanders uit de weg ruimen. Dit feodale stelsel verklaart mischien waarom het geweldsniveau in Colombia zo hoog is.

Kan dat in de nabije toekomst anders? Als we Vissers nawoord mogen geloven wel: ""Vrijwel alle ingrediënten voor een goed functionerend democratisch stelsel zijn aanwezig, en het Colombiaanse volk, (...) heeft recht op zo'n stelsel.' Ik weet niet waarop Visser zich baseert. Veel grond voor deze heilsverwachting levert zijn eigen Colombiaanse Tragedie in elk geval niet. Processen van staatsvorming nemen nu eenmaal hun tijd.