Historici zijn wel ergens goed voor

The Lessons of History door Michael Howard 217 blz., Clarendon Press 1991, f 75,40 ISBN 0 19 821581 9

Als jong historicus stond Michael Howard, later onder meer bezetter van de prestigieuze Regius Chair of Modern History in Oxford, eens voor de taak voor een groep jonge officieren een voordracht te houden over de krijgsgebeurtenissen in Italië in 1943-1945. Hij probeerde dat zo goed als hij dat als opgeleid historicus meende te kunnen en met, zo meende hij zelf, enig elan te doen. Toch voelde hij na afloop een afkeurende stilte. Deze werd onderbroken door de ongeduldige vraag: ""But what are its lessons?''

Nu is een dergelijke vraag in militaire kring niet verrassend. Militairen hebben een lange traditie van beoefening van de krijgsgeschiedenis in directe dienst van de taakuitoefening in het heden. Vaak heeft dat overigens slechts geleid tot voorbereiding op de vorige oorlog. Ook in veel breder kring is deze vraag naar de lessen van de geschiedenis niet onbekend. Wat heb je eraan? Hoe kunnen wij historische kennis gebruiken? Zowel flitsende, utilitair ingestelde, snelle probleemoplossers als diepvoelende maatschappijhervormers hebben er nog wel eens een handje van historici met zulke vragen te bestoken. Op de achtergrond speelt dan bijna altijd het verwijt van op school geleerde "nutteloze' jaartallen.

Net als Howard in bovengenoemd geval voelen historici zich vaak wat ongelukkig bij zulke vragen. Zij weten immers maar al te goed dat "lessen' als hier bedoeld door "de geschiedenis', laat staan door historici, niet te geven zijn. "De geschiedenis' bestaat ook helemaal niet. Er bestaat een verleden met gebeurtenissen van allerlei aard, en er bestaan verhalen van historici over die gebeurtenissen. Keer op keer blijkt bovendien dat historici over die gebeurtenissen op zeer uiteenlopende manieren kunnen schrijven zonder dat sluitend kan worden aangetoond wie daarbij gelijk heeft. Dit roept weer de vraag op of geschiedbeoefening eigenlijk meer is dan (hoogwaardig) cultureel entertainment. Is geschiedenis eigenlijk wel ergens "goed voor'?

CATASTROFES

In zijn inaugurele oratie als Regius Professor leverde Howard in 1981 een welsprekend en elegant betoog, met zoveel woorden ook The Lessons of History getiteld, dat een uitgesproken positief antwoord op die vraag geeft. De kern van zijn betoog is dat de historicus (en dus de geschiedbeoefening en het geschiedenisonderwijs) wezenlijk kan bijdragen aan een beter begrip van het heden. Het gaat niet om lessen in bovenbedoelde utilitaire zin, maar om brede en diepgaande achtergrondkennis. Die is, zo betoogt Howard, onmisbaar bij het op intelligente en verstandige wijze benaderen van onze hedendaagse problemen. Het gaat om inzicht in onze eigen, nationale of westerse cultuur, zowel als in andere culturen. Juist het ontbreken van historische kennis kan volgens Howard tot catastrofes leiden: ""Ignorance, especially the ignorance of educated men, can be more powerful than knowledge.''

Onder dezelfde titel als de oratie verscheen onlangs een bundeling van Howards essays en redevoeringen, op één na daterend uit het tijdvak 1981-1989, precies de jaren van zijn hoogleraarschap in Oxford. Behoudens in het eerste en laatste stuk, respectievelijk de inaugurele oratie en de afscheidsrede, gaat het in die artikelen niet meer om de theoretische problematiek. Het zijn heel concrete uiteenzettingen over historische ontwikkelingen en verschijnselen in het bijzonder in de negentiende en twintigste eeuw, dikwijls in rechtstreekse relatie gebracht met hedendaagse vraagstukken. Zij laten zien hoe historici, zonder ook maar een moment te pretenderen kant en klare oplossingen aan te dragen, wel degelijk in de door Howard bedoelde zin "leerzame' bijdragen kunnen leveren.

Een duidelijke samenhang vertonen de stukken niet. De lezer vindt ook geen heldere algemene interpretatie van de recente geschiedenis. Wel keert vooral één thema veelvuldig terug: oorlog, in het bijzonder ontstaan, rol en betekenis van de grote twintigste-eeuwse oorlogen. Een flink aantal artikelen heeft betrekking op achtergronden van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog: "Europe on the Eve of the First World War', "The Edwardian Arms Race', "Men against Fire: the Doctrine of the Offensive in 1914', "Empire, Race and War in pre-1914 Engeland'. "Prussia in European History' is een knap en evenwichtig tegenwicht tegen de al te eenvoudige verwerping in het hedendaagse denken over Duitsland van alles wat met Preussentum te maken heeft. En "1945 - End of an Era?', oorspronkelijk als Huizinga-lezing in Leiden uitgesproken in 1985, laat zien hoe 1945 niet alleen een einde maakte aan de Duitse pogingen de hegemonie in Europa te verwerven, maar ook aan het tijdvak van de grote conflicten tussen de Europese nationale mogendheden en aan de dominantie van Europa in de wereld. Op zich geen bijzonder sensationeel betoog, maar bij uitstek geschikt om een gezelschap van overwegend hooggeschoolde niet-historici een perspectief te bieden.

GOEDE SCHOLING

Nu leidt dit type beschouwingen niet automatisch tot een betere besluitvorming. Een pijnlijk punt in dit verband is altijd dat de elites, die op zijn minst medeverantwoordelijk geacht moeten worden voor wat Howard uitdrukkelijk de catastrofes van de twintigste eeuw noemt, over het algemeen een goede historische scholing hadden gehad. Het vak was immers juist in de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw zeer prominent in de meeste schoolopleidingen aanwezig. Helaas gaat Howard nergens op die vraag in. De enige aanwijzing voor een antwoord lijkt mij te liggen in zijn opmerking over "ignorance': zonder historische kennis zou het allemaal nog erger zijn geweest.

Wel gaat hij in op een verwant probleem. In het slotstuk, zijn afscheidsrede in 1989 onder de titel "Structure and proces in History', wil hij na de "fairly routine apologia' voor het vak in zijn inaugurele oratie, nu de aandacht vragen voor de wijze waarop door de historici en de intellectuele en maatschappelijke elite met geschiedenis is omgegaan in de loop der eeuwen. Dit brengt hem aan het slot onvermijdelijk bij het dilemma van de moderne historicus in ons type, de Westerse, samenleving. Als leverancier van eenvoudige richtlijnen, vooral ook morele richtlijnen, heeft hij afgedaan. Het is afstandelijkheid troef, bescheidenheid in pretenties alom. Iets meer begrip voor de eigen cultuur en voor andere culturen is al winst.

Maar tegelijk beseft de historicus Howard, en met hem vele anderen, dat het morele en politieke oordeel niet te vermijden is. Hij wil dat ook niet. Juist in het licht van het twintigste-eeuwse verleden neemt hij expliciet afstand van waardenrelativisme. Hij noemt dit zelfs "pervers'. Het "historische proces' heeft volgens hem, zonder een ideale wereld te scheppen - verre van dat - in de ogen van Howard toch een aantal verworvenheden, of liever: mogelijkheden, opgeleverd, die de moeite van het verdedigen of nastreven waard zijn: samenlevingen waarin armoede, onderdrukking en ongeletterdheid niet meer bij voorbaat de meeste mensen alle kansen ontnemen; samenlevingen waarin vrije discussie mogelijk is en mensen hun leven tot op zekere hoogte naar vrije verkiezing kunnen inrichten; staten die min of meer vreedzaam naast elkaar bestaan. Dat alles is echter zeer precair. Steeds staat de mensheid voor moeilijke keuzen en conflicten, die uit de hand kunnen lopen. De historicus moet door zijn studie bijdragen aan een beter inzicht in de aard van die keuzen en conflicten. Sterker: juist daarin ligt de ware reden voor de studie van de geschiedenis. Zo verschijnt Howard aan het einde van zijn boek toch weer als een moralistisch historicus. Hij sluit zijn afscheidsrede, en daarmee deze bundel kernachtig af met: ""The historical process, through the very challenges it poses and the respon-ses it evokes, itself creates the morality of mankind. That seems to be a very good reason for studying it.''

TOBBERIG

Men zou dit boek, zowel vanwege de rechtvaardiging van geschiedbeoefening en geschiedonderwijs als om de mooie voorbeelden in de artikelen, graag in de handen zien van de Nederlandse ambtenaren en politici die zich de afgelopen tijd zo tobberig over de basisvorming hebben gebogen. Het ziet ernaar uit dat onze jeugd in de toekomst in deze basisvorming tweehonderd uur geschiedenis en staatsinrichting krijgt, waarbij tachtig uur speciaal voor de staatsinrichting zijn gereserveerd. Dat betekent gedurende drie jaar één uur per week geschiedenis, plus twee jaar lang nog een uur staatsinrichting. Voor de overgrote meerderheid van de leerlingen zal het daarbij voor de rest van hun leven blijven.

Zelfs onze toekomstige elite zal slechts voor een deel nog verder met geschiedenis als vak geconfronteerd worden. Het ministerie bracht onlangs een nota uit die de toekomstige, op de basisvorming volgende, havo en vwo "profielen' in het vooruitzicht stelt. Slechts bij één van de vier, het "cultuur- en maatschappij-profiel', zal geschiedenis verplicht zijn. Volgens onze beleidsmakers kan onze bijvoorbeeld technisch, natuurwetenschappelijk, medisch, sociaal-wetenschappelijk of economisch opgeleide bovenlaag kennelijk wel zonder een behoorlijke historische grondslag. Dat boeken als het onderhavige, die nu juist zo'n basis aan historische kennis vooronderstellen, aan hen verspild zullen zijn, is kennelijk geen probleem. Hoe zei Howard het ook al weer? ""Ignorance (...) can be more powerful than knowledge!''