Het herencomplot rond de eeuwwisseling

Sexual Anarchy. Gender and Culture at the Fin de Siècle door Elaine Showalter 242 blz., geïll., Viking 1990, f 50,60 ISBN 0 670 82503 4

Bestaat er zoiets als een algemene fin de siècle-sfeer? Een sfeer van paniek en verwarring, die steevast opkomt aan het einde van een kalendertijdperk? Mij lijkt zo'n gedachte een vorm van sterrenwichelarij - kalenders en jaartellingen zijn immers slechts een stelsel van afspraken - maar de Amerikaanse feministe Elaine Showalter, hoogleraar in de Engelse literatuurwetenschap en schrijfster van A Literature of Their Own: Women Writers from Brontë to Lessing (1977) en The Female Malady: Women, Madness, and English Culture, 1830-1980 (1985, over hysterie), denkt daar minder luchtig over. Zij betoogt in haar laatste boek dat het geen toeval was dat de negentiende-eeuwse periode die wij "fin de siècle' zijn gaan noemen, een periode waarin zich in de beeldende kunst, de literatuur en de wetenschap hevige veranderingen voordeden, juist viel aan het einde van een eeuw. Net als trouwens de Franse Revolutie. Volgens Showalter verloopt de geschiedenis cyclisch en vormt de nadering van een eeuwwisseling telkens de aanleiding tot verhevigde ontwikkeling, paniek, decadentie en ondergangsgevoelens. In dit licht bezien dringt zich de vraag op hoe turbulent en onheilszwanger het einde van een duizendjarig tijdvak wel niet moet zijn.

Maar zelfs al zie je tijd als een stelsel van afspraken - ook afspraken hebben gevolgen. Rond oudjaar maken we goede voornemens, bij een eeuwwende komt het waarschijnlijk tot dramatischer evaluaties. Er zal ons de komende jaren dus wel een stroom van terugblikken en voorspellingen te wachten staan. De BBC-medewerkster die Showalter interviewde over Sexual Anarchy had het al over het verschijnsel millenniarism.

SYFILIS

In Sexual Anarchy vergelijkt Showalter het huidige tijdsgewricht met het negentiende-eeuwse fin de siècle: toen was er een sterke vrouwenbeweging die werd gevolgd door een hevige mannelijke reactie, nu kwam na een feministische golf het onverdraagzame christendom op van de moral majority; toen leefde het gevoel dat de wereld ten onder ging aan syfilis ("western syphilisation'), nu is er de doem van aids; toen ontstond, in het kielzog van de nieuwe wetenschap van de seksuologie, de term "homoseksualiteit' (interessant genoeg waren andere nieuwe woorden "feminism' en "unemployment'), nu verkeert de inmiddels geëmancipeerde homoseksuele gemeenschap in crisis.

De verschillen zijn echter opvallend: syfilis was ""the germ that dared not speak its name'', vooral voor vrouwen. Een fatsoenlijk meisje werd geacht van het bestaan van zulke ziekten niet op de hoogte te zijn en dat terwijl naar schatting twintig procent van de mannen ermee was besmet (in Wenen woonde op elke zes huizen een behandelaar van venerische ziekten). Vrouwen huwden vaak in volstrekte onwetendheid een besmette man en brachten aldus de ziekte over op hun kinderen. Feministen beschouwden geslachtsziekte als een van die vreselijke huwelijkse geheimen waarover vrouwen in het ongewisse werden gelaten. Maar waar syfilis de ziekte der onwetendheid was, is aids, zoals Showalter het uitdrukt, ""the most self-conscious of all diseases'', de eerste ziekte waarvan ontdekking, wetenschappelijke overdenking en beleidsvorming een openbare aangelegenheid zijn, en die door betrokkenen op de voet worden gevolgd en bediscussieerd.

Nemen we Showalters beweringen letterlijk, dan moet helaas worden vastgesteld dat de tijdsparallel niet klopt. ""The fin came a little early this siècle,'' is al eens opgemerkt. Maar de verbinding van het ondergangsdenken van de vorige eeuw met dat van deze is niet de kern van haar verhaal (en lijkt bijna een kunstgreep om het boek een actuele relevantie op te dringen). Het spannende aan Sexual Anarchy is Showalters erudiete rondgang door de mythologie van de laatste decennia vóór het jaar 1900. Via beschrijvingen van bijvoorbeeld de door mannen geschreven romans die rond 1880 de bloeiende schrijftraditie van vrouwen verdrongen (veertig procent van de gepubliceerde romans was tussen 1870 en 1880 van de hand van een vrouw, in de Verenigde Staten zelfs driekwart), laat zij zien dat er inderdaad sprake was van een crisis - van een overgangssituatie waarin nieuwe inhouden en definities van mannelijkheid en vrouwelijkheid om voorrang streden.

TRILOGIEËN

Het sekseverschil was in de negentiende eeuw een van de belangrijkste maatschappelijke ordeningsprincipes: men schreef aan mannen en vrouwen individueel en groepsgewijs aparte taken, ruimtes, leefsferen, karakters en talenten toe, die ferm gescheiden waren. Daarbij ging het niet louter om normatieve geboden maar ook om wettelijke verboden. De crisis deed zich voor toen aan die comfortabel duidelijke apartheid werd getornd. Op het moment bijvoorbeeld dat een enkele vrouw (in 1881) toegang wist te krijgen tot het mannenbolwerk bij uitstek, de universiteit, kwam een tegenbeweging op. King Romance deed zijn intrede. Waar voordien gezinsgewijs dikke Victoriaanse vrouwentrilogieën werden verslonden, die handelden over huwelijk, liefde en familie (Queen Realism), kwamen nu de op een jongenspubliek gerichte boeken van Conrad, Conand Doyle, Kipling en Stevenson op de markt, "de Engelse western', waarin een niet door de aanwezigheid van vrouwen gehinderde ondernemingslust het onderwerp vormt en zuiver mannelijke vriendschap wordt verheerlijkt: een "eternal masculine youth'. In hun verbeelding trokken de mannen er samen op uit, bij voorkeur naar onbekende gebieden, ver weg van de alledaagse wereld met haar deprimerende verplichtingen, het donkere hart van Afrika in, of het Verre Oosten, of het duistere Londense East End. En of het nu ging om het veroveren van vreemde landen, het oplossen van misdaden door het duo Holmes-Watson of het wangedrag van Dr. Jekylls afsplitsing Mr. Hyde, er kwam aan de opwinding geen vrouw te pas. Watson verliet weliswaar enige tijd de kamers aan Baker Street in verband met een huwelijk (waarmee Holmes weigert hem geluk te wensen), maar dat was niet meer dan een intermezzo.

Met name wat het span Jekyll-Hyde betreft, komt uit Showalters minutieus nasporen van de uiteenlopende versies van dit verhaal interessant materiaal naar voren. In de meeste interpretaties, zoals de overbekende Freudiaanse, waarin Hyde staat voor het woest opspelende onderbewustzijn (onder meer in 1941 verfilmd met Spencer Tracy), komen een keurige verloofde en haar pendant, de "slechte' vrouw voor. Maar in Stevensons eerste versie bestonden beide dames niet (de schrijver werd door Sir Arthur Conan Doyle de vader genoemd van de "modern masculine novel'). De vrienden van de vrijgezel Jekyll verdachten hem ervan dat Hyde, die immers door Jekyll getekende cheques int en de sleutel van diens huis bezit, een door de dokter onderhouden stoer proletarisch speeltje was. Showalter gaat zelfs zo ver te suggereren dat het geval-Hyde toont dat mannen niet alleen elkaars gezelschap prefereerden, maar bovendien het verlangen koesterden zich vrouwvrij voort te planten. Zoals de criticus Edmund White echter opmerkt: die interpretatie is op zijn minst wankel, aangezien in alle gevallen waarin hun dat lukt (Showalter geeft een aantal voorbeelden) de produkten monsters zijn.

Uit de geschiedenis van Dr. Jekyll en Mr. Hyde blijkt dat de paniekgevoelens in de fin de siècle niet alleen de veelbeschreven "battle between the sexes' betroffen, maar ook onzekerheid binnen de seksen. De homosociale mannenromantiek scheerde, dat is wel duidelijk, rakelings langs de afgrond van de verafschuwde en gevreesde homoseksualiteit. Het bleek een hele kunst om een affectieve afkeer van vrouwen niet te verwarren met een seksuele voorkeur voor de eigen soort. Dit te meer omdat een tweede type in opgang zijnde mannelijkheid het dandyisme was, een masculinistische variant die Showalter niet minder vrouwvijandig acht dan het eerste type (van Oscar Wilde behandelt Showalter het toneelstuk Salome).

GRENSGESCHILLEN

Niet alleen de op sekse gebaseerde sociale scheidslijnen werden diffuus. In de relaties tussen klassen en in de verhouding tot de bevolking van de gekoloniseerde landen dreigden eveneens grenzen te worden overschreden, en ook dat was aanleiding tot paniek en behoefte aan plaatsbepaling. Zoals de "grensgeschillen' tussen en binnen de seksen samengingen met nieuwe wetenschappelijke richtingen en resultaten waarmee men, bijvoorbeeld, onweerlegbaar meende te kunnen bewijzen dat de vrouwelijke vruchtbaarheid afnam naarmate haar hersenactiviteit groeide, zo brachten gevreesde veranderingen in de relaties tot de gekoloni-seerde volkeren en tot de mindere standen racistische en eugenetische denkbeelden met zich. De drie gingen bovendien vaak samen, want juist vanuit racistisch en eugenetisch oogpunt was het van belang dat vrouwen uit de betere kringen kinderen voortbrachten, en dat waren nu net de vrouwen die zich dreigden te bevrijden. Ook in de imaginaire jongensavonturen ging minachting voor vrouwen samen met imperialistische noties. Een toenmalige criticus beval opvoeders dergelijke boeken aan als ""mental food for the future chiefs of a great race''.

Showalter houdt zich vooral bezig met beelden, metaforen en mytische figuren. Maar niet alleen in de wereldreizen van hun geest trokken de (blanke) mannen (uit de betere standen) zich terug, en niet alleen in een nieuw genre schilderijen werden vrouwen als gevaarlijke wezens onder het mes genomen. In de alledaagse werkelijkheid pantserden de heren zich in de "old boys'-netwerken, die aan "men wishing to exclude women' een "lifetime training-ground' boden. Clubland maakte eind negentiende eeuw een periode van bloei door. Dit geheel van literaire, professionele, politieke en sportclubs, waar vrouwen, evenals dat in pubs het geval was, zo goed als altijd de toegang verboden was, vormde een waar bolwerk tegen het vrouwenkiesrecht en de vrouwenarbeid. De sfeer was er even agressief-heteroseksueel als misogyn.

De aanleiding tot veel van de negentiende-eeuwse paniek was het toenemend aantal ongehuwde vrouwen. De term waarmee zij werden beschreven, odd women, zegt veel. Odd betekent zoiets als: raar, niet-passend, overtollig. Alleenstaande vrouwen werden gezien als gevaarlijke ongeleide projectielen - een bedreiging voor de maatschappelijke stabiliteit. Respectabele heren bedachten het plan deze "horde van overbodigen' te deporteren naar de koloniën, zoals men dat ook met misdadigers deed. Ze wilden hun potentiële concurrenten (zelfs ongehuwde vrouwen moeten eten) maar liever kwijt. Vooral nu die een politiek reservoir bleken te vormen voor de feministische beweging, die voor hun benarde sociale situatie de voor de hand liggende oplossing voorstond dat vrouwen toegang zouden krijgen tot opleidingen en werk.

Naast werk, inkomen en politieke rechten was de vrouwelijke seksualiteit onderwerp van debat. Showalter ontleent veel aan Bram Dijkstra's in 1986 gepubliceerde iconografie Idols of Perversity. Fantasies of Feminine Evil in Fin-de-Siècle Culture, dat ook als bron werd gebruikt voor de catalogus die het Van Goghmuseum dit jaar uitbracht bij de tentoonstelling van laat-negentiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst. Dijkstra toont dat in die nieuwe schilderkunst vrouwen werden afgebeeld als narcistische seksuele wezens, die dichter bij het dierenrijk stonden dan mannen, dus primitiever waren. Die wezens moesten, net als de wildjes uit de jungle, worden getemd en in dat kader werd zelfs geëxperimenteerd met clitoridectomie. Vrouwen zelf waren verdeeld als het ging om de vraag of zij seksuele gevoelens kenden.

Naast de Odd Woman wijdt Showalter een hoofdstuk aan de zogenaamde New Woman, het prototype van de zelfstandige seksueel actieve vrouw. Onder feministen waren er die vonden dat vrouwen de riskante gok op de wederzijdse liefde maar moesten wagen - Olive Schreiner bijvoorbeeld, die ontroerende, maar tegelijk gedesillusioneerde, utopieën schreef waarin de keuze voor vrijheid vrouwen ten langen leste ook nog liefde bezorgt. Anderen hielden het erop dat de wereld er beter uit zou komen te zien (denk aan de geslachtsziekten) als vrouwen iets te zeggen kregen en mannen eindelijk ook eens leerden zich te beheersen. Zo transformeerde kiesrechtactiviste Christabel Pankhurst de Victoriaanse doctrine van de vrouwelijke passieloosheid tot het radicale Votes for Women, Chastity for Men. Dat in het doemdenken van het fin de siècle de wens van vrouwen om als gelijken te worden behandeld, een hoofdrol speelde, wordt in Sexual Anarchy wel bewezen. Een in 1895 in Punch geplaatst rijmpje spreekt boekdelen: ""A new year my bosom vexes - Tomorrow there may be no sexes!''

Ik vind het jammer dat Showalter haar boek heeft opgehangen aan de komende eeuwwisseling. Maar dat is bijzaak: haar onderzoek naar de veranderingen die zich eind vorige eeuw voordeden, heeft een buitengewoon meeslepende cultuurgeschiedenis opgeleverd. Sexual Anarchy is bijwijlen chaotisch, prekerig en empirisch aanvechtbaar. Soms interpreteert Showalter er naar mijn idee maar wat op los (de connotatie Jekyll-Hyde-homoseksualiteit via de constatering dat, net als het mannenlichaam, Jekylls huis een voor- en een achteringang bezit). Het geheel echter is rijk aan materiaal, spannend en inspirerend. Mij zette het er in elk geval toe aan om Sherlock Holmes te herlezen.