Het enige moderne op Orchideeën-eiland is het gedumpte kernafval; Vuilnisbelten in een tropisch paradijs

Tot de 17e eeuw werd Taiwan bewoond door stammen die gelijkenis vertonen met Filippino's, Indonesiërs en Stille Zuidzee-eilanders. Chinese immigranten van het vasteland en Japanse veroveraars hebben deze volkeren de laatste drie eeuwen naar de bergen in het zuiden van het eiland gedreven. Er zijn nog 330.000 oorspronkelijke Taiwanezen over en de meesten hebben allesbehalve meegeprofiteerd van het Taiwanese "economische wonder'. De kleinste en meest unieke groep vormen de Yami's op Lanyu: Orchideeën-eiland, sinds 1982 opslagplaats voor nucleair afval.

Tomawag, een visser van rond de 60, staat nieuwsgierig te drentelen voor het erf van Rosemary Thomson, een Canadese zendelinge die al vijf jaar op dit primitieve eiland bij Taiwan woont om de bijbel in de Yami-taal te vertalen. In haar "zomerwoning', een afdakje op palen van vier vierkante meter, waarop de snikhete zomernachten worden doorgebracht praat ik met haar over de Yami-cultuur en de oorsprong van de taal, die tot de Filippijnse tak van de Malayo-Polynesische familie behoort. Na enig treuzelen opent Tomawag het poortje en komt er ongevraagd bij zitten. Hij vroeg zich af of er een man van verre was gekomen om de zendelinge mee te nemen.

Tomawag is weduwnaar en hij weet niet hoe oud hij is. Hij heeft gitzwart sluikhaar maar zijn gelaatstrekken zijn als die van een Papoea. Hij kan noch lezen noch schrijven en ondanks zijn bekering tot het christendom wordt zijn leven beheerst door de strijd tegen boze geesten. Een van de weinige evenementen uit zijn jeugd die hij zich herinnert is de overgang van Japans naar Chinees bestuur in 1945.

“De Japanners waren slecht en de Chinezen zijn niet veel beter”, zei Tomawag onomwonden. “Kijk eens hoe het er hier bijligt!” Het eiland van 45 vierkante kilometer en drieduizend inwoners heeft een Stille Zuidzee-ambiance met spectaculaire rotsformaties, maar in de zes Yami-dorpen heerst de ergste vorm van Derde-wereld-armoede. De dorpen zijn levende vuilnisbelten met gammele houten optrekjes rondom een klein kerkje en overal liggen bergen rottend afval. Er is water en elektriciteit, maar geen gas. Er zijn bijna geen winkels, want er is nauwelijks geld. De meeste Yami's leven een hand-tot-mond-bestaan. De bodem is zout en bestaat voor een groot deel uit koraalsteen. Daarom groeit er alleen taro, millet en zachte aardappel. Groenten zijn schaars en fruit is er helemaal niet.

De mannen onderhouden hun elegante visserskano's en gaan uit vissen. Veel mannen lopen nog rond in de lendendoek met penishouder en strik op de rug. De vrouwen verbouwen taro en weven traditionele kleren. Voor de rest zitten de Yami's langs de weg of onder hun afdakjes sigaretten te roken, bier te drinken en betelnoten te kauwen. Het is een van de laatste volkjes ter wereld dat moderne invloeden vrijwel geheel heeft buitengehouden, deels door eigen inertie, deels door de verwaarlozing van de Chinese overheerser uit Taiwan, die af en toe als er onrust is wat royale aalmoezen geeft, maar niets aan structurele ontwikkeling heeft gedaan.

“De Chinezen hebben ons land afgenomen en stelen onze vis. Zij gedragen zich alsof ons eiland van hun is”, klaagt Towamag. Er is geen moderne economie, behalve enig Taiwanees toerisme. Duitse Dornier turboprops met twintig passagiers vliegen af en aan. Zij huren een scooter en scheuren daarmee over de eenbaans eilandweg alsof het Taipei is. “Zij zien ons niet staan op onze eigen grond. Zij knippen alsmaar ongevraagd foto's van ons. We haten ze!”.

De grootste grief van alle Yami's is dat de regering in 1982 besloot om het afval van de drie kerncentrales op Taiwan op Lanyu te dumpen. In een speciale haven worden vaten met radioactief afval aangevoerd die in betonnen putten worden opgeborgen. Wijzend op de ruwe betonnen huisjes die de regering voor de dorpelingen heeft laten bouwen - waar de meesten overigens niet in willen - zegt Tomawag: “Kijk eens hoe gemakkelijk beton breekt. Als het beton van de putten breekt lopen we allemaal gevaar.” Tomawag is somber over de toekomst, want de regering in Taipei is van plan om van Lanyu een nationaal park te maken. “Dan mogen we geen hout meer sprokkelen. Hoe moeten we dan ons eten koken?”

De aanklacht van Tomawag tegen de Kwomintang wordt in nog fellere termen herhaald door de dominee van de Presbyteriaanse kerk in het dorp Irarumiruk, een paar kilometer verder. Hij is een Yami en heet Siangarai. Siangarai heeft in Tainan op Taiwan theologie gestudeerd, is volledig in het Chinees opgeleid en voert de Christelijk-Chinese naam Stephen Chang. Chang zegt dat de Kwomintang als vanouds sinds haar heerschappij over het Chinese vasteland uit is op de vernietiging van de culturele identiteit van minderheden. In tegenstelling tot het communistische regime in Peking doet de Kwomintang niets aan tweetalig onderwijs voor minderheden. Kinderen spreken de eerste jaren van hun leven Yami en worden op de lagere school gedwongen Chinees te leren. De kwaliteit van de Chinese leraren die naar Lanyu worden gestuurd is laag en zij voeren een schrikbewind over kinderen die niet mee kunnen komen en op het spreken van Yami worden betrapt. Maar zelfs als de kinderen goed Chinees leren, kunnen ze nog niet met Chinese kinderen concurreren, alleen al omdat ambitieuze Chinese ouders enorme druk op hun kinderen uitoefenen om de beste te zijn en de indolente Yami-ouders niet eens adequaat met hun kinderen kunnen communiceren door de taalkloof.

Tweetaligheid bestaat evenmin in de geografische namen op het eiland. Richtingaanwijzers en plaatsnaamborden zijn alleen in het Chinees, terwijl de bevolking uitsluitend de Yami-namen gebruikt. Er is geen boekhandel. De enige geschreven teksten in het Yami zijn de bijbelvertalingen van Rosemary Thomson.

Chang vervolgt dat de regering de Yami's al lang had moeten helpen enige passende industrieën op te bouwen, zoals kunstnijverheid, verwerking van vis en taro. De Taiwanezen, die wellicht de meest aggressieve vissers ter wereld zijn, ontnemen daarentegen met hun moderne uitrusting de Yami's elke kans om meer dan kleine vis voor eigen consumptie te vangen. Wat Chinese geldwolven wel hebben gedaan is twee minderwaardige hotels bouwen om zichzelf te verrijken. Yami's hebben geen geld voor zo'n investering. De toerist wordt voor een klein smerig kamertje waarin alles gescheurd en gebroken is 70 dollar afgeperst. De hele toerisme-sector, vliegveld, scooterverhuur en restaurants is in handen van de Chinezen. Aan een reisleider vroeg ik wat de toeristen (uit Taiwan) komen doen. Behalve smaragdgroene bergen met wilde orchideeën, die te moeilijk te beklimmen zijn is er toch niets te beleven en goed eten is er ook niet. Zijn antwoord: “Het zijn dagjesmensen. In Taiwan is de lucht en het water vuil, er is geen enkel schoon strand. In dat opzicht is Lanyu in elk geval voor een dag een verademing.”

De blinde arrogantie van de Chinezen wordt het meest flagrant gedemonstreerd bij de opslagplaats voor nucleair afval. Voor bezoekers is er een videovoorstelling, waarin achteloos wordt gezegd det een wetenschappelijk-technische commissie na lang onderzoek in 1982 heeft geconcludeerd dat Lanyu de beste plaats was. Er wordt niet uiteengezet waarom. De joviale manager van de opslagplaats, Paul Chen, zegt dat het een goede zaak voor de Yami's is omdat de staatsenergiemaatschappij Taipower hen als compensatie gratis electriciteit geeft en zij per vat afval NT$ 1.500,-- (111 gulden) aan premie krijgen. Dat maakt de belediging alleen maar groter. Stephen Chang: “Behalve het gevaar van ongelukken is het vooral de minachting van de Chinezen die ons steekt. Wij zijn letterlijk en figuurlijk het uitschot. Als die rommel niet gevaarlijk is, waarom stoppen ze het niet op Taiwan zelf in de grond?”

Het begin van het dumpen van het radio-actieve afval in 1984 viel samen met twee grote mijnrampen op Taiwan zelf, waarin 200 mensen werden gedood, grotendeels oorspronkelijke bewoners die in groten getale dit onveilige beroep uitoefenen. Dit legde de basis voor solidariteit tussen de Yami's en de acht "oer-stammen', de Ami, de Atayal, de Puyuma, de Bunung, de Paiwan, de Rukai, de Saisiat en Tsou op Taiwan zelf en leidde tot de vorming van een politieke organisatie, de "Alliance of Taiwanese Aborigines' (ATA), in het Chinees: Taiwan Yuan-chu Min Chuanli Tsu-chin Hui - Raad voor de Bevordering van de rechten van "oer-burgers'. Het eerste waar de ATA voor ijverde was afschaffing van de officiële terminologie voor de oerbewoners. De regering noemt ze "shan-ti jen' (berg-mensen) of "shan-pao' (berg-broeders), terwijl de helft inmiddels in steden woont. De ATA heeft de nieuwe term "yuan-chu min' (oorspronkelijke burgers) ingevoerd en die is nu in algemeen gebruik onder kerken en sociale organisaties, maar de regering is traag. Een regeringsorganisatie belast met "bergmensen' moet men in de staatsalmanak met een microscoop zoeken. De reden is dat de Kwomintang, ondanks de opheffing van de staat van oorlog met de communisten in mei van dit jaar in het pre-1949 verleden op het vasteland blijft leven.

Voor de zevenhonderd Mongolen en Tibetanen die op Taiwan wonen bestaat een staatscommissie met een minister aan het hoofd, “omdat (Binnen- en Buiten-) Mongolië en Groot-Tibet 60 procent van het Chinese grondgebied vormen”, zegt minister Donald Buren, een Binnen-Mongool, die een Engelse voornaam aan zijn verchineeste Mongoolse naam heeft toegevoegd. Voor de 330.000 Taiwanese oorspronkelijke bewoners bestaat daarentegen slechts een onder-afdeling (sectie) op het ministerie van binnenlandse zaken en dan nog pas sinds 1987. De hoogst verantwoordelijke daar is een referendaris. Het oer-bewoner probleem was te klein voor de "groot denkende' Kwomintang. Economische groei en handelsoverschotten voor het oppotten van deviezenreserves - inmiddels US$ 80 miljard - voor de toekomstige wederopbouw van het vasteland in het post-communistische tijdperk domineert het Kwomintang-denken. Grote uitgaven om diplomatieke erkenning van Derde Wereldlanden te kopen is belangijker voor de internationaal geïsoleerde Kwomintang dan het zorgen voor een verpauperde niet-Chinese minderheid in eigen land.

Een groeiend aantal "bergbroeders' in Taiwan is materiëel goed af. In Taitung aan de zuidoostkust van Taiwan bezocht ik een stamdorp van de Puyuma op een berghelling buiten de stad, dat meer van een villawijk weg heeft dan van een Derde-wereldgetto. De meeste stammen, die in de overgang van stamdorp naar modern leven verkeren, zijn echter een ontwortelde onderklasse. De mannen zijn mijnwerkers, bemanningen op visserijschepen, landknechten en arbeiders in de bouw. De Presbyteriaanse dominee Jerry Pai van een Bunung-stamdorp bij Taitung schat dat 30.000 van de 100.000 meisjes in de leeftijd van 12 tot 30 prostituees zijn. Arme ouders verkopen hun dochters aan gangsters om zogenaamd in fabrieken te gaan werken, maar die verdwijnen dan in de massagesalons van de grote steden. De onderwereldbazen betalen de politie en gaan vrijuit. De kinderprostitutie is door de toenemende publiciteit een nationale schande geworden. Het knaagt aan het geweten van meer en meer Chinezen die vinden dat dit in een steeds modernere en welvarendere samenleving als Taiwan niet langer kan. Antonio Chiang, hoofdredacteur van het meest invloedrijke oppositieblad "The Journalist' zegt dat als er iets de regering tot actie ten aanzien van het inheemsen-probleem zal dwingen, het de kinderprositutie is.

Geconfronteerd met frequente demonstraties voor landrechten, tweetalig onderwijs, betere beveiliging van mijnen en tegen de handel in meisjes, ontving de toenmalige premier Lee Huan in 1989 een ATA-delegatie. Ijiang Parod, voorzitter van de ATA zei dat de premier helemaal niet wist dat er een inheems landprobleem was. Het land is immers staatsdomein. De ATA, gesteund door de oppositie-partijen in de Wetgevende Yuan eist afschaffing van de Mongools-Tibetaanse commissie en oprichting van een nieuwe nationale raad op ministeriëel niveau voor Taiwanese en niet vastelands-Chinese minderheden. Maar Paul Kung Wen-chi, "specialist' bij de "sectie bergmensen', zegt dat de nieuwe premier, generaal Hau Pei-tsun nog minder is geïnteresseerd dan zijn voorganger en eerst de resultaten van de algehele wijziging van de staatsinrichting wil afwachten.

Zolang de staat zich niet serieus met het probleem bezighoudt maken de zeer invloedrijke Presbyteriaanse Kerk, de ATA en een deel van de parlementaire oppositie zich hard voor de landrechten van de oerbewoners. Zij hebben bereikt dat de regering de landrente die oer-bewoners voor "staatsland" aan de regering moesten betalen in een aantal gevallen heeft afgeschaft. De activisten hebben omvangrijke lijsten van "verloren land" opgesteld dat moet worden teruggegeven aan de oer-bewoners. De regering heeft gedeeltelijke concessies gedaan, maar weigert om principiële redenen het woord "teruggave' te gebruiken en noemt het "landverdeling'. Kerk en ATA werken verder aan plannen voor bijzonder onderwijs in inheemse talen en steeds meer mensen verwerpen hun opgedrongen Chinese namen en keren terug naar hun oorspronkelijke namen.

De ATA heeft de afgelopen jaren verschillende studiereizen naar landen met soortgelijke "oer-bevolkings-problemen' gemaakt, onder andere Australië, een ander land waar de landrechten van de inboorlingen constitutioneel (nog) niet zijn erkend. Van 22 juli tot 4 augustus hebben Ijiang Parod en Lava Kau van de ATA een werkconferentie van de Verenigde Naties voor de problemen van oorspronkelijke bevolkingen in Genève bijgewoond. Zij hebben een uitvoerig rapport over de mensenrechten van de Taiwanese inheemse bevolking uitgebracht en daarmee is de eerste stap naar internationalisering van het probleem gezet en heeft de volstrekt vergeten minderheid van een belangrijke niet-lidstaat van de Verenigde Naties zich aan de wereld geïntroduceerd.

Foto: Pasgetrouwd Paiwan-echtpaar in het Pingtung district in het uiterste zuiden van Taiwan. “Als we geen hout meer mogen sprokkelen, hoe moeten we dan ons eten koken?” (Foto's Willem van Kemenade)