Het Amsterdam van het Zuiden

Barcelona, a thousand years of the city's past door Felipe Fernández-Armesto, 262 blz., geïll., Sinclair-Stevenson 1991, f 71,65 ISBN 1 85619 046 3; Neem nou Barcelona door Jinke Obbema 168 blz., geïll., A.W. Bruna 1990, f 25,- ISBN 90 229 7924 5

Nu de manifestatie Amsterdam-Venetië op zijn eind loopt, kunnen de organisatoren misschien alvast beginnen aan een soortgelijke manifestatie, Amsterdam-Barcelona. De parallellen in de geschiedenis en ontwikkeling van beide steden is frappant, en ook vandaag de dag blijken beide steden te worstelen met identieke problemen. De geschiedenis van Barcelona kenmerkt zich net als die van Amsterdam door economisch gewin uit de handel en de politiek draagt er één opvallend stempel: de drang tot zelfbestuur. De Noordelijke Nederlanden slaagden er bijna vier eeuwen geleden al in zich aan het gezag van Madrid te ontworstelen, in Barcelona zijn ze daar nog styeeds mee bezig.

Sinds 1978 heeft Catalonië een autonome status. Er wordt niets nagelaten de eigen identiteit te beklemtonen, en in de stad wemelt het van de Catalaanse kleuren, geel en rood. Het lijkt wel of iedereen de hele dag bezig is talen te leren: Catalaans en Engels, het één om de band met het verleden te herstellen en het andere met het oog op 1992. Nog onder Franco was het Catalaans verboden, kinderen die het op school tóch spraken, kregen met het rietje. Nu de taal weer mag, wordt de achterstand hard ingelopen, en het aantal kranten, tijdschriften en boeken in het Catalaans wordt met de dag groter.

De Olympische Spelen komen voor Barcelona als geroepen. In hetzelfde jaar dat Madrid als culturele hoofdstad van Europa aandacht trekt en Sevilla met de Wereldtentoonstelling, zo heeft Catalonië tenminste de Jocs Olympics om zich in mondiale belangstelling te verheugen, en niemand ontkent dat de sport maar een excuus is om een visitekaartje af te geven. De Spelen worden aangegrepen om de infrastructuur te verbeteren, de relatie van de stad met het water te herstellen en de woningnood op te lossen. Het is een geklop en geborstel van jewelste, er wordt gebouwd en gerestaureerd en verfraaid bij het leven.

De stad wordt nog mooier dan ze al is, en de historische dimensie van het catalanisme zorgt er wel voor dat er niets gesloopt wordt dat de moeite waard is. Diverse banken - van oudsher dé cultuurdragers in Catalonië, ook in de tijd van de verdrukking - kopen oude grootse gebouwen en laten deze restaureren. Een groot deel van het kunstleven wordt gedragen door de spaarbanken. Daarnaast is de rol van de haute bourgeoisie van eminent belang voor het aanzien van de stad. Zonder persoonlijke maecenaat waren het Gran teatre del Liceu en de bouwwerken van Antoni Gaud er niet geweest. Dit alles is maar amper terug te vinden in het boek van Felipe Fernández-Armesto.

Niet in de stroom pre-Olympische publikaties (daar is de literatuurlijst te lang voor en de invalshoek te verschillend), maar toch zeker in het kader van de toegenomen belangstelling voor Barcelona is dit boek verschenen. Van de schrijver, die carrière maakte in Engeland en eerder publiceerde over Columbus en over de Armada, wordt de nationaliteit angstvallig verzwegen. Moet een schrijver van een boek over Barcelona met het Catalaanse chauvinisme weglopen? Nee, dat is niet nodig. Maar mag hij de essentiële feiten verzwijgen die nu juist het Catalaanse sentiment bij uitstek vertegenwoordigen, waar nog onlangs monumenten voor zijn opgericht? Dat lijkt me toch niet.

11 September 1714 was de datum waarop Catalonië moest buigen voor Spanje, de dag waarop de Catalaanse taal werd verboden en de Catalaanse instellingen werden ontbonden. Deze Diada wordt nog elk jaar in het parlement aangegrepen om de Catalaanse klachten en eisen te uiten. De schrijver van dit boek over Barcelona gaat eraan voorbij, terwijl de kleine bibliotheek die ik tijdens een recent bezoek meekreeg van de Generalitat - het bestuur van Catalonië - zo ongeveer draait om die elfde september. Een boek dat aan die datum voorbijgaat, is dus niet geschikt als inleiding op de Catalaanse geschiedenis.

Afgezien van de steken die Fernández laat vallen, is het een informatief boek met vijf kapstokken. Hoofdstuksgewijze belicht hij de relatie van Barcelona met achtereenvolgens het achterland, de zee, Spanje, de Catalaanse wereld en Europa. Het is niet altijd een even eenvoudig boek: het geeft meer oorzaak en gevolg weer dan de pure wapenfeiten, en wie die niet direct weet, raakt onthand. Het boek mist een handige chronologische lijst, een genealogie van het Barcelonese grafelijk huis en een plattegrond kon er evenmin vanaf. Dat is merkwaardig als er in het voorwoord wordt aangekondigd dat de geschiedenis zal worden behandeld aan de hand van de straten en gebouwen in de oude binnenstad, de Barrio Gótico. Overigens is van dat voornemen gaandeweg het schrijven niet veel meer overeind gebleven.

NEEM NOU...

Een plattegrond, of beter een reeks detailkaarten, ontbreekt ook in de stadsgids van Barcelona die Jinke Obbema schreef in de reeks Neem nou... Het is een boekje voor thuis of hotelkamer, meer ter voorbereiding op een bezoek dan een wandelgids. In de index zijn meer cafés dan kerken opgenomen, maar ook weer meteen zoveel dat je een wel heel lang verblijf nodig hebt ze allemaal te bezoeken. Het boekje geeft in het geheel geen indicatie voor de tijd die nodig is om de stad redelijk te leren kennen (een week is echt het minimum). Kunsthistorische informatie is niet het sterkste punt, waardoor er nog een andere stadsgids moet worden bij aangeschaft.

Wel geeft dit boekje veel weetjes en veel raadgevingen, maar mist er ook een boel. Het doet de betekenis van de feestdag van de Virgin de La Mercè, de Onze Lieve Vrouwe van de stad, wel erg kort af. Onvermeld blijft dat de hele stad om lunchtijd bier drinkt, een sympathieke gewoonte waar ik me graag bij aansloot. De beschrijving van de geschiedenis van de stad en het land die Obbema geeft, is voortreffelijk: het verhaal geeft in een kort bestek de wapenfeiten weer die je nodig hebt om die geschiedenis te kunnen begrijpen, en het is een stuk informatiever dan het werk van Fernández. Obbema neemt de Catalanen en hun taal tenminste serieus.

Neem nou Barcelona is een goede "appetizer': je krijgt onmiddellijk zin er (weer) heen te gaan. De stad is lekker druk, met drieëneneenhalf miljoen mensen op een kluitje, en heeft een grootsteedse allure, in vergelijking waarmee Amsterdam maar een stil dorp is. Ingeklemd tussen bergen en de zee was de stad na de uitbreidingen van 1854, 1905 en 1932 vol, vandaar een bevolkingsdichtheid die veertien keer groter is dan van Madrid. Nu de industrieterreinen aan de zee zijn verplaatst, is er ruimte voor woningbouw. Aanleg en architectuur (ook de moderne, zelfs die van de stadions) zijn het aanzien waard, nog afgezien van de echte highlights die de stad met alleen al tien gebouwen van Gaud in overvloed heeft.

Evenals in Amsterdam hebben de mensen een sterke anti-militaristische achtergrond, een licht-anarchistische inslag (maar dat is waarschijnlijk een grote-stads-fenomeen), al gaan de kroegen er net als hier strikt om twee uur dicht. Terwijl in Amsterdam de besluiteloosheid voor democratie wordt gehouden en grote projecten goede voornemens blijven, is de democratie in Barcelona het mandaat voor grote werken. De parallellen en verschillen zouden een manifestatie zeker rechtvaardigen.