De verdediging van Java bij de Japanse invasie

“(...)op Java werd het Nederlands-Indische leger van 140.000 man in negen dagen verslagen door 40.000 Japanners”, schrijft R. Kousbroek in zijn artikel "Kampslachtoffers willen veel te veel' (NRC Handelsblad, 15 augustus).

Was het maar waar dat er 140.000 man op Java stonden, dan hadden we die Japanners misschien weer in zee kunnen drijven. Mijn informatie is van wat andere aard.

Het kader waarin die verdediging moest worden gevoerd was neergelegd in de Defensiegrondslagen voor Nederlandsch-Indië in 1927 opgesteld door het Opperbestuur in Nederland. De daarin opgenomen bepalingen hadden een tweeledig karakter. Voorop stond de “handhaving van het Nederlandsch gezag in de Archipel tegen onrust of verzet binnen de grenzen”; in de woorden van Kousbroek: “De wind eronder (houden) bij de bevolking”. De andere doelstelling hield in: de “vervulling van de militaire plicht als lid van de volkengemeenschap tegenover andere volken”. In Nederlandse verhoudingen betekende dit dat de taak van de krijgsmacht (leger en vloot) beperkt moest blijven “tot handhaving van een strikte neutraliteit in conflicten tussen andere mogendheden”. Indien Nederlandsch-Indië onverhoopt toch in zo'n conflict zou worden betrokken zou, aldus het laatste artikel van de Defensiegrondslagen “de weermacht met de voorhanden middelen zich zo goed mogelijk tegen elke bezetting van ons gebied verzetten, in afwachting van de steun, die ons mocht worden verleend”.

De ontwikkeling van de luchtvaart heeft in de jaren dertig de grondslagen in zoverre aangetast dat de taakverdeling tussen het leger (voornamelijk Java) en de vloot (voornamelijk de Buitengewesten) zich enigszins wijzigde. Het uitgangspunt dat ligt opgesloten in de hierboven aangehaalde zinsneden uit de Defensiegrondslagen, namelijk dat Nederland op z'n eentje niet in staat was het enorme eilandenrijk te verdedigen en daarvoor was aangewezen op de hulp van buiten, bleef echter ongewijzigd. (Geprojecteerd op Europa besloeg Nederlandsch-Indië en beslaat Indonesië een gebied dat zich uitstrekt van Ierland tot voorbij de Kaspische Zee en van Scandinavië tot aan Italië).

Hoewel op papier een algehele modernisering was uitgewerkt om op Java een mobiel veldleger van de grond te krijgen, bestaande uit mogelijk zes snel verplaatsbare gemechaniseerde brigades had deze reorganisatie alleen nog maar gestalte gekregen in een groot aantal in de Verenigde Staten gedane bestellingen van oorlogsmaterieel waarvan bij het uitbreken van de oorlog nog maar zeer weinig was afgeleverd, voornamelijk munitie en een veertigtal gepantserde verkenningsvoertuigen. De opstellers van de Defensiegrondslagen waren van de niet onjuiste gedachte uitgegaan dat bij een conflict Japan eerst zou trachten de grote Westerse mogendheden te verslaan. Nederlandsch-Indië zou - uitgaande van deze veronderstelling, voor Japan niet meer zijn dan een neven-operatiegebied, waar de vijand zou optreden met landingsdivisies van drie- à vierduizend man. In het begin van de jaren dertig kreeg het KNIL derhalve een organisatie die op deze gedachte was afgestemd en die nog steeds bestond toen Japan zijn onverhoedse aanval op Pearl Harbor had uitgevoerd en de Nederlandse regering in Londen, zonder dat Nederlandsch-Indië overigens zelf al was aangevallen Japan de oorlog verklaarde.

Uit de stukken die daarop betrekking hebben kan men de gevolgtrekking maken dat Nederland zich door die oorlogsverklaring van de bondgenootschappelijke steun van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië wilde verzekeren. Een omgekeerd bewijs voor deze veronderstelling vormt het telefoongesprek dat Gerbrandy - tijdens het kabinetsberaad dat werd gehouden na de Japanse aanval op Pearl Harbor, met koningin Wilhelmina voerde. Hij deelde de vorstin toen mee dat een beslissing op korte termijn noodzakelijk was, “omdat de Verenigde Staten en Engeland reeds spoedig moeten weten, dat zij op ons kunnen rekenen, nu zij zijn aangevallen”.

Washington en Londen hadden zich - tot het uitbreken van de oorlog in de Pacific, ondanks aandringen van Nederland nimmer officieel gecommitteerd om Nederlandsch-Indië te hulp te komen als het zou worden aangevallen. De overhaaste oorlogsverklaring aan Japan was als het ware de prijs die Nederland ongevraagd voor de steun van Amerika en Engeland wilde betalen. Zonder hulp van derden zou Nederlandsch-Indië in feite onverdedigbaar zijn en te verwachten viel dat Japan ook tegen Nederlandsch-Indië iets in de zin had. De brutale eisen die Tokio tijdens de economische onderhandelingen in 1940 en 1941 had gesteld, geven voor die veronderstelling voldoende grond. De vraag blijft echter of men niet beter een afwachtende houding had kunnen aannemen, totdat Indië werkelijk werd aangevallen.

De bondgenootschappelijke samenwerking vond haar hoogtepunt in de oprichting van het ABDA-Command, het American-British-Dutch-Australian Command, dat in januari 1942 in Lembang op West-Java werd gevestigd maar, als gevolg van de Japanse Blitzkrieg en de val van Singapore, al op 25 februari weer moest worden opgeheven. De troepenversterkingen die toen naar Java onderweg waren, werden als gevolg van die opheffing naar elders gedirigeerd. De consequentie van dit alles was dat de Indische krijgsmacht de komende aanval op Java alleen moest zien te klaren - iets wat de regering nu juist had willen vermijden. Men kan zeggen dat thans het eerste deel van artikel 8 van de Defensiegrondslagen in werking trad: zich “met de voorhanden middelen zo goed mogelijk tegen elke bezetting van ons gebied verzetten”. Binnen de context van het gehele artikel wordt dat verzet bieden afhankelijk gesteld van mogelijke steun van derden. Daarop viel echter na de opheffing van het ABDA-Command niet meer te rekenen.

De Nederlandsch-Indische grondstrijdkrachten telden begin 1942 ongeveer honderdtwintigduizend man. Daarvan moet men wel aftrekken een kleine dertigduizend stads- en landwachten en vrijwillige autobestuurders die militair weinig of niets voorstelden. Van weinig betekenis waren ook de bijna vijfduizend inheemse oud-militairen, gepensioneerden die vrijwillig weer in dienst waren gekomen. Men houdt dan over zo'n vijfentachtigduizend man waarvan er rond twintigduizend op de Buitengewesten (dus niet op Java) zaten. De dan overgebleven vijfenzestigduizend kan men nog eens verminderen met zesduizend man Inheemse militie die pas in de loop van november was opgekomen, militair nog niet veel betekende en ook nimmer werd ingezet. Behalve troepen die waren bestemd voor de kustverdediging waren uiteindelijk als veldleger op Java (vier keer Nederland, dat in 1940 driehonderdduizend man onder de wapenen had) niet meer dan vier regimenten infanterie inzetbaar, met hulpwapens (cavalerie, artillerie, genie, geneeskundige dienst, intendance, enzovoort). Op West-Java lagen het 1e en 2e regiment en op Midden- en Oost-Java respectievelijk het 4e en het 6e regiment infanterie; in totaal een kleine twintigduizend man. Reserves had het leger niet en op het moment van de invasie, waarbij de Japanners ook nog eens zeshonderd vliegtuigen in de strijd konden werpen en zij dus behalve het overwicht ter zee ook het overwicht in de lucht bezaten, was het toch al zwakke luchtwapen van het KNIL reeds zodanig gedecimeerd dat dit eigenlijk iedere betekenis had verloren.

Het 16de Japanse leger dat op vier plaatsen op Java aan land ging, bestond uit de 2e divisie die dertigduizend man telde (onder andere drie regimenten infanterie, een tankregiment, een bataljon houwitsers, een regiment genie, en een regiment verbindingstroepen) en de 48e divisie met een sterkte van twintigduizend man (onder andere drie regimenten infanterie, een afdeling tanks, een regiment bergartillerie en een tankregiment). Daarnaast brachten de Japanners nog aan land het naar zijn commandant genoemde Shoji detachement (een regiment met hulpwapens) dat vijfduizend man telde en erin slaagde reeds op de eerstre dag het vliegveld Kalidjati te veroveren. Voorts was nog bij de invasie betrokken de Sakaguchi brigade, bestaande uit drie gevechtsgroepen: in totaal een man of achtduizend. De gehele Japanse invasiemacht was dus zo'n zestigduizend man groot.

Eén ding is zeker: de afloop van de strijd stond al bij voorbaat vast omdat de Japanners een tegenstander tegenover zich vonden wiens organisatie nog geheel was afgestemd op de verwachting dat Indië een neven-operatiegebied was waarbij een op Java gelande vijand drie- tot vierduizend man sterk zou zijn: een illusie nadat de Japanners zestigduizend man aan land hadden gezet.

De suggestie is dus onjuist dat de oudstrijders die de herdenkingscomité's en stichtingen bevolken - en of zij nu wel of niet namens alle ex-geïnterneerden uit Indië optreden interesseert mij in dit geval niet - eigenlijk geen recht van spreken hebben omdat zij met een overmacht van honderdveertigduizend (quod non) door een handjevol Japanners van zegge en schrijve veertigduizend man in de pan werden gehakt. Zo simpel lagen de zaken niet.