De Indiers van Zandvoort; Kroniek van Hitlers gekleurde hulptroepen

Im Zeichen des Tigers. Die indische Legion auf deutscher Seite 1941-1945 door Rudolf Hartog, 232 blz., Busse Seewald 1991, f 47,60 ISBN 3 512 03034 3

Ze moeten er destijds opvallend hebben uitgezien. Ook wie nu nog voor het eerst een foto van hen onder ogen krijgt, denkt te maken te hebben met een grap: martiale, veelal bebaarde, Indiase soldaten, in tropenuniform van de Wehrmacht, het mouwschildje met de afbeelding van een springende tijger en de tekst "Freies Indien' en velen getooid met een sikh-tulband.

Voor deze legionairs van de Indische Legion was het echter bittere ernst. Zij hoopten op Hitlers overwinning zodat zij op eigen bodem tegen de gemeenschappelijke vijand Engeland konden worden ingezet om India's onafhankelijkheid te bevechten. Die hoop bleek ijdel. De legionairs zagen hun geboortegrond niet als zegevierende overwinnaars terug, maar als geslagen krijgsgevangenen. Toch heeft hun bestaan politiek wel invloed gehad op de lang verbeide onafhankelijkheid van India in 1947, zij het in bescheiden mate.

Het bestaan van de Indische Legion is al geen volstrekt onbekend hoofdstuk uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog meer, maar Rudolf Hartog heeft in zijn Im Zeichen des Tigers nieuwe feiten aan het licht weten te brengen. Hoewel Hartog zelf als tolk enige tijd dienst deed in het legioen, trakteert hij de lezer niet op ronkende oorlogsanekdotiek. Integendeel: hij presenteert een samenhangend verhaal, gebaseerd op veel niet eerder geopenbaard bronnenmateriaal, waarbij hij zich met de gewenste afstand tegenover zijn onderwerp opstelt. Slechts een enkele keer laat de auteur zich verleiden tot uitspraken die minder objectief zijn.

Verreweg de belangrijkste figuur in de oprichtingsgeschiedenis van het legioen was Subhas Chandra Bose (1897-1945), en het is voor de lezer dan ook verhelderend dat Hartog uitvoerig op zijn persoon ingaat. Bose studeerde rechten in Cambridge en reisde drie jaar door Europa, waar hij met grote belangstelling de ontwikkeling van het fascisme en het nationaal-socialisme volgde. Terug in India leidde hij samen met Nehru de Congrespartij in Bengalen. Maar terwijl Nehru meer de vreedzame weg van Gandhi insloeg, wilde Bose desnoods met geweld India zelfstandig krijgen. Uiteindelijk voerde deze opstelling van Bose in 1939 tot een definitieve breuk met Gandhi en de zijnen. De Engelsen zagen in Bose een politiek gevaar, en namen hem in 1940 gevangen. Na een hongerstaking lukte het hem vrij te komen. Daarop volgde een avontuurlijke vlucht die hem via Afghanistan naar Moskou bracht en die in april 1941 in Berlijn eindigde, net vóór Hitlers grote offensief tegen de Sovjet-Unie, dat op 22 juni losbarstte.

Bose trok de belangstelling van het Auswärtige Amt (ministerie van Buitenlandse Zaken); hij legde het departement een memorandum voor waarmee hij zo snel mogelijk een Duitse uitspraak over de toekomst van een vrij India probeerde te forceren. Hoewel het Auswärtige Amt hem en zijn zaak alle mogelijke hulp verleende, was de Führer geenszins bereid het streven naar de onafhankelijkheid van India te ondersteunen, ook niet toen Bose op 27 mei 1942 persoonlijk met Hitler een onderhoud had. Volgens de Duitse dictator zou het nog zeker honderdvijftig jaar duren eer de tijd voor India's zelfstandigheid rijp was.

EENHEID

Ondanks Hitlers afwijzing financierde het Auswärtige Amt de door Bose opgerichte "Zentrale Freies Indien', van waaruit hij en zijn staf propaganda konden voeren. De Duitsers hadden toen nog het idee dat, nadat het Russische leger zou zijn verslagen, zij via de Kaukasus zouden doorstoten naar Afghanistan en India. Hulp van Bose zou dan nuttig zijn. Bose werkte aan een groot plan voor de toekomstige inrichting van India. Om alle verschillende kasten, groeperingen en volkeren tot een eenheid te smeden, leek het hem noodzakelijk dat hij een autoritaire regering zou vormen. Het leger zou in zijn visie een belangrijke rol tijdens de overgangsperiode moeten vervullen. Daar moest de kiem voor een dergelijke hechte natie worden gelegd.

Samen met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het Oberkommando der Wehrmacht gaf Bose de stoot tot oprichting van een Indische Legion. De manschappen hiervoor werden gerekruteerd uit Brits-Indische soldaten, die na Rommels successen in Noord-Afrika in de Duitse krijgsgevangenenkampen terecht waren gekomen. Bose en zijn propagandastaf trokken van het ene naar het andere kamp om vrijwilligers voor het nieuwe legioen te werven. Het percentage overlopers van het totale aantal krijgsgevangenen uit Brits-Indië bedroeg ongeveer vijfentwintig, meestal gewone soldaten. Voor de onderofficieren stond er te veel op het spel. Zij waren meestal oudgedienden, wier pensioen aan hun familie in India zou worden uitbetaald. Een ander beletsel voor hen was dat niemand in zijn oude rang in het legioen zou worden opgenomen. Iedere soldaat moest zich eerst bewijzen. Bovendien werden, om de eenheid te bevorderen, alle verschillende groeperingen door elkaar geplaatst. Voor de Indiërs was dat beslist een experiment, want in het Engelse leger werden wel aparte groepen van sikhs, moslims en hindoes gevormd. Hartog geeft twee statistieken van december 1942, waaruit blijkt dat van alle legionairs 59 procent moslim was, 25 procent mohammedaan, 14 procent sikh en 2 procent christenen en boeddhisten. Hij vergelijkt deze cijfers met die van het Engelse koloniale leger uit die tijd waaruit blijkt dat in de Indische Legion meer sikhs zaten en in het Engelse leger meer moslims. Een verklaring hiervoor laat hij helaas achterwege.

EXECUTIE

De vermenging van de diverse religieuze en etnische groepen leidde tijdens hun opleiding soms tot drama's. Zo raakte een sikh verwikkeld in een vechtpartij met moslims; daarbij werd zijn tulband afgerukt en werd hij aan zijn baard getrokken, voor een sikh bijzonder beledigend. Om zijn eer te herstellen, schoot hij in koelen bloede enkele moslimkameraden dood. De sikh werd daarop ter dood veroordeeld en door een vuurpeloton van twee hindoes, twee moslims en twee sikhs geëxecuteerd. Tijdens de executie schoot één van de sikhs demonstratief in de lucht omdat een sikh nu eenmaal een andere sikh niet mag doden. Zijn geloofsgenoot deed dit niet, en deze werd dan ook de volgende nacht in zijn bed doodgestoken.

Dat de Indiërs een bijzonder eergevoel bezaten, ontdekten de Duitse instructeurs al snel. Niets anders gewend dan de Pruisische militaire drilmethoden, lieten deze hun rijke vocabulaire aan doeltreffende krachttermen neerkomen op de hoofden van de Indiase rekruten. Maar elke ongelijkheid in de behandeling werd door de Indiërs als een persoonlijke onrechtvaardigheid ervaren. Een geliefd middel bij de Indiase legionairs was passieve weerstand bieden. Zo bleven velen 's ochtends op bed liggen, of hurkten ze onverstoorbaar neer tijdens het exerceren. Anderen gingen in hongerstaking of traden niet aan als ze dienst moesten doen, iets dat door de Duitsers als regelrechte muiterij werd gezien.

ONRUST

Toch waren in het voorjaar van 1943 twee bataljons zo ver dat ze naar het front konden worden gezonden. Maar niet naar elk front. De Netaji (leider) Bose had immers bepaald dat de Indische Legion alleen zou worden ingezet tegen de Engelsen. Dat hield dus in dat ze beslist niet tegen de Russen aan het Oostfront in het geweer hoefden te komen. Ook Afrika was al voor de Duitsers een verloren zaak. Wat overbleef was de verdediging van de westkust van het Duizendjarige Rijk, de "Atlantikwall'. In april kregen de beide bataljons een marsbevel voor Nederland, maar vrijwel onmiddellijk ontstond er grote onrust onder de soldaten. De legionairs wezen erop dat zij waren geworven op voorwaarde alleen op Indische bodem of dan toch minstens op de weg er naartoe te zullen worden ingezet. Dat was hun nadrukkelijk door Bose toegezegd.

Maar de Netaji zelf kon hen niet meer te hulp komen, want deze was in februari al met een U-boot vanuit Kiel vertrokken om te proberen Japan te bereiken, dat hij eveneens om steun voor zijn streven wilde vragen. Op de Indische Oceaan stapte hij over op een Japanse duikboot die hem afleverde op Sumatra. Van hieruit vloog hij verder naar Tokio. Toen de Japanners in 1943 eindelijk zover waren om de voortdurend uitgestelde aanval op India te beginnen, kreeg Bose van hen de vrije hand om een leger op te zetten. Dit werd de Azad Hind Fauj oftewel de "Indian National Army' (INA), waarvoor hij in Oost-Azië niet minder dan dertigduizend man bij elkaar wist te brengen, onderverdeeld in drie divisies.

Ondertussen zaten de Duitsers met onwillige Indiase legionairs, die weigerden dienst te doen. Dreigen met het vuurpeloton had weinig effect. Als laatste middel besloten de bevelvoerende Duitse officieren op het eergevoel van de soldaten te gaan werken door hen voor te houden dat de Duitse instructeurs bitter teleurgesteld waren over de houding van de Indiërs nadat ze zoveel in het belang van het vrije India hadden gedaan. Het gevolg was dat de stemming volledig omsloeg. De commandant werd in de bloemen gezet, en de legionairs maakten zich in opgewekte stemming klaar voor het transport naar Nederland.

Het eerste bataljon loste een Duitse eenheid bij Zandvoort af; het tweede werd op Texel gestationeerd. Hartog wijdt weinig woorden aan het verblijf van de Indiërs in Nederland. Hij ziet deze tijd als een overgangsperiode, en vermeldt onder meer dat het klimaat ertoe bijdroeg dat enkelen last kregen van tuberculose. Daarom deed de regimentsarts de aanbeveling het legioen over te plaatsen naar de veel warmere kust bij Bordeaux. In de eerste helft van september 1943 gebeurde dit dan ook.

Het is jammer dat Hartog voor zijn onderzoek geen Nederlandse archieven heeft geraadpleegd, want mogelijk had hij dan een verslag over het verblijf van de Indiase troepen in Zandvoort in handen gekregen van J. J. de Wolf uit 1966, dat berust bij de sectie krijgsgeschiedenis van de generale staf. Uit dit rapport blijkt welke problemen de komst van de Indiërs met zich bracht. De burgerbevolking die na de massale gedwongen evacuatie van de kuststrook in Zandvoort was achtergebleven, bestond voornamelijk uit NSB-ers. Voor deze Nederlandse nationaal-socialisten, gelovend in de superioriteit van het Germaanse ras, moet de aankomst van de eerste Indiase troepen op het station van Zandvoort, op 16 mei 1943, een merkwaardig gezicht zijn geweest. Daarvóór al was er van NSB-zijde hevig bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van de gekleurde troepen. De Zandvoortse burgemeester J. W. Zigeler liet in het stadje een bekendmaking aanplakken met de tekst: ""Het is in de gemeente Zandvoort verboden, dat vrouwen en meisjes omgang hebben, zich ophouden, zich inlaten of contact zoeken met inlandsche (niet-Germaansche) militairen.'' Dit viel bijzonder slecht bij de Duitsers - de Indiërs waren per slot van rekening Wehrmacht-soldaten - die ervoor zorgden dat de plakkaten werden verwijderd.

VERKRACHTING

De Indiase militairen maakten op de bevolking een vriendelijke indruk, en al spoedig ontstonden er persoonlijke contacten. Maar excessen waren er ook. Op 30 mei verkrachtte een van de legionairs een Zandvoortse, en daarmee nam de onrust in Nederlandse nationaal-socialistische kringen toe. De hoofdredacteur van het SS-tijdschrift Storm schreef op 19 juli 1943 aan de SS-voorman Feldmeijer: ""Rassenschande is schering en inslag en volgens berichten, die mij van nationaal-socialistische zijde bereikten, moeten deze kleurlingen methoden toepassen, die hen gelijk stellen aan de negers, die destijds in het Rijnland de beest uithingen. Hier in Nederland moet deze bezetting even zoo sterke anti-Duitsche gevoelens verwekken als de negerbezetting de haat jegens Frankrijk vergrootte.''

Een week later vergaderde de NSB-top, en kwam de kwestie-Zandvoort ter sprake. Mussert meende dat in ieder geval de pers hierover niet kon schrijven. Over meer maatregelen werd niet gerept. Wel was de zaak onder de aandacht van de Reichsführer SS, Heinrich Himmler, gekomen. Deze zette op zijn beurt maarschalk Keitel onder druk om de Indiërs uit Nederland te halen, want hun aanwezigheid was toch ""eine Beleidigung eines Volkes, das wir gewinnen wollen''. Maar Keitel deed niets.

In juli 1943 werd nog een bordeel voor de troepen ingericht, maar inmiddels hadden veel vrouwen uit de omgeving de weg naar Zandvoort al gevonden. Omdat zij niet over een Ausweis beschikten, zoals de Zandvoortse vrouwen, liepen zij het risico gearresteerd te worden, maar dat maakte op velen een geringe indruk. De aantrekkingskracht van de Indiase soldaten was kennelijk groot. Uit politierapporten blijkt dat één vrouw maar liefst vier keer werd teruggestuurd. Tijdens het verblijf van het Indische Legion in Zandvoort werden dertig vrouwen uit Haarlem en eenentwintig vrouwen uit Amsterdam wegens ongeoorloofd verblijf gearresteerd. Vijftien ouderparen dienden een verzoek in tot opsporing van hun minderjarige dochter.

Toen het eerste bataljon begin september vanuit Zandvoort naar Zuid-Frankrijk vertrok, namen de vertrekkende legionairs ontroerd afscheid van de vele vrouwen en meisjes die zich daar hadden verzameld. Om het verdriet wat te verzachten, had een Zandvoortse firma veertien kratten bier op het station klaarstaan. Ook de beide andere bataljons vertrokken naar de kust bij Bordeaux. Het tweede op Texel werd afgelost door het 803e Noordkaukasische infanteriebataljon, dat op zijn beurt weer werd vervangen door het later tijdens de opstand op Texel roemrucht geworden 822e Georgische infanteriebataljon. Het derde Indiase bataljon had zich pas later in Nederland, in Oldebroek gevestigd, maar volgde nu ook de rest van het legioen.

In Frankrijk gingen de bataljons in stelling in het duinenlandschap tussen Cap Ferret en Hourtin Plage. Hier hielden ze zich voornamelijk bezig met het verbeteren van de kustverdediging. In februari 1944 bezocht veldmaarschalk Rommel, toen inspecteur van de westelijke verdedigingslinies, de stellingen van het legioen en hij toonde zich zeer tevreden over de kwaliteit van de Indiase soldaten, die hij op één lijn met de Duitse militairen stelde. Het bezoek van Rommel viel samen met het moment dat Rudolf Hartog de tolkenschool in Meissen bij Dresden verliet, waar hij Hindoestaans had geleerd, en aan het legioen werd toegevoegd. Hij zou er tot het einde van de oorlog blijven.

MAQUIS

Echt in actie kwamen de legionairs bij Bordeaux niet. Ook na de invasie van de Geallieerden op 6 juni 1944 veranderde er voor hen vooralsnog weinig. Pas in augustus van dat jaar kreeg het Indiase legioen bevel zich uit de Atlantikwall terug te trekken, en kwam het nog tot enkele schermutselingen met de Maquis, het Franse verzet. In een enkel geval zorgde ook hier het uiterlijk van de Indiase soldaten weer voor verwarring. In een van de Franse dorpen waar het legioen doorheen trok, reed een gemotoriseerde maquisard hen tegemoet in de veronderstelling dat hij met de Amerikanen te maken had. De Indiërs openden echter meteen het vuur, en ook de burgemeester van het dorp, die met opgeheven armen tussenbeide wilde komen, werd neergeschoten. In Bour-gondië stuitten de Indiërs op Amerikaanse troepen, en voor het eerst konden ze zich tegenover andere militairen bewijzen. Bij Beaune en Nuits-St. Georges wisten ze een Amerikaanse voorhoede van tanks enige tijd op te houden, maar ze leden grote verliezen. Tenslotte bereikte de Indische Legion in september 1944 Duitsland.

Na allerlei omzwervingen daar - tot werkelijke gevechten kwam het niet meer - raakte het legioen begin mei 1945 in krijgsgevangenschap. Een gedeelte werd door de Fransen gevangen genomen en een ander gedeelte, onder hen Rudolf Hartog, door de Amerikanen. De meeste Indiase soldaten werden later via Engeland naar India gebracht. Daar kwamen de leden van de Indische Legion, samen met de soldaten van Boses Indian National Army, voor een militaire rechtbank in Delhi, geleid door de opperbevelhebber van het Indiase leger, Sir Claude Auchinlek. Die gaf de processen de volle publiciteit, met als onbedoeld gevolg dat de publieke opinie in India zich tegen de Engelsen keerde, en de beklaagden als nationale helden werden beschouwd. De processen resulteerden in relatief milde straffen; de meeste legionairs werden in de eerste helft van 1946 vrijgelaten. Wel werd bepaald dat geen van de soldaten ooit meer dienst mocht doen in het Indiase leger.

Voor Subhas Chandra Bose bleef het proces achterwege. Hij kwam om bij een vliegtuigongeluk op 18 augustus 1945, drie dagen na de Japanse capitulatie. Toch is Bose in India geen vergeten figuur geworden. In 1969 werd in Calcutta te zijner nagedachtenis een standbeeld opgericht.

Wat is nu de betekenis geweest van de Indische Legion? Hartog, na de oorlog werkzaam als architect, beantwoordt deze vraag drieledig. In militair opzicht heeft zij weinig gewicht in de schaal gelegd, concludeert hij. Gröfaz ("Grösster Feldherr aller Zeiten') Adolf Hitler zag helemaal niets in het legioen. Nog kort voor het einde, tijdens een bespreking van de benarde toestand waarin hij zich bevond, verlangde de Führer een overzicht van alle beschikbare buitenlandse eenheden met hun bewapening. Toen hem hierbij het Indiase legioen werd genoemd, luidde zijn oordeel: ""Die Indische Legion ist ein Witz. Es gibt Inder, die können keine Laus um-bringen. Die ausgerechnet den Engländern gegenüberzustellen, halte ich für einen Mumpitz (flauwekul).'' Maar andere Duitse commandanten achtten het legioen voor zijn taak wel capabel.

De propagandistische en politieke waarde van het legioen en van het INA is waarschijnlijk groter geweest. Hartog wijst in dit verband erop dat door de massale desertie de Engelsen spraken van een "mutiny syndrom'. Van Britse zijde kon men niet langer rekenen op de onvoorwaardelijke trouw van de Indiase troepen. Indirect zou het legioen volgens Hartog zo toch een bijdrage hebben geleverd aan de onafhankelijkheid van India in 1947.

Tenslotte beschouwt Hartog het legioen als sociologisch experiment zeker geslaagd. Hier lukte het voor de eerste maal - zij het met veel moeilijkheden - om alle verschillende kasten, religies en stammen tot een nationale eenheid te vormen. Maar Hartog gaat wel erg ver als hij hierin een bewijs ziet hoe het in India had kunnen zijn als Boses autoritaire opvattingen algemeen waren aanvaard. Met een dergelijk eenvoudig recept zijn de complexe interne verhoudingen in India niet te behandelen.