De Ballonvaarder"; Ballonvaren is een zware aanslag op je privéleven'

Werken zonder vaste verblijfplaats. Je hoort nergens thuis, maar je zit ook nergens aan vast. Een serie portretten van mensen die voor hun beroep onderweg zijn. Als vijfde en laatste de ballonvaarder.

OLDENZAAL, 31 AUG. “Heleen voor Dook. Heleen voor Dook.” De oproep gaat tevergeefs de ether in. Dook is zoek. Het radiocontact is verloren. De vier-wiel-aangedreven Nissan Patrol sleept zijn lege aanhangwagen over de smalle Twentse weggetjes. Hoge bomen belemmeren het uizicht. Het is pikdonker en niemand weet waar we zijn. We zijn van de kaart, dat is duidelijk. Dook ook.

Dook Weidema is ballonvaarder. Beroeps sinds 1979. Deze avond vaart hij als gastpiloot op een ballon van een collega, met in zijn mandje drie VIP's van de Bondsspaarbank, de sponsor van de ballon. Temidden van een twintigtal andere ballons zijn ze opgestegen van een veldje bij Oldenzaal. Het jaarlijkse ballonfestival daar is een kleurrijk festijn. Al die kleuren maken het voor de volgploegen, die de ballons en hun passagiers na de landing moeten oppikken, makkelijk om ook in zo'n mêlée van warme lucht "hun' ballon te herkennen. Maar herke@@@nnen en volgen zijn twee. Een ballon trekt zich niets aan van het stratenpatroon.

Aanvankelijk waait het hele gezelschap dezelfde kant op, richting Enschede. Boven Enschede kiezen drie ballons plotseling een andere koers. Van koers veranderen kan met een ballon door op een andere hoogte te gaan zitten. Windrichting en windsnelheid kunnen namelijk sterk met de hoogte variëren. Weidema is flink geklommen en pakt een noordoosten wind mee, richting Haaksbergen. Over de radio kan de piloot voortdurend laten weten wat hij van plan is maar Weidema houdt daar niet van. Op zijn eigen ballons vaart hij altijd zonder radio.

Routinematig legt een lid van de volgploeg een lineaal met gradenverdeling op de kaart. Die weg moeten we op, wijst ze. Over een goed half uur zal hij wel landen. Dat kan immers niet in het donker. Maar hij gaat wel hard. Net als de volgers heeft hij maar één kaart bij zich: ANWB toeristenkaart nummer acht. Die houdt op onder Haaksbergen. Dook niet.

Net als Weidema via de radio laat weten een plekje te gaan zoeken, kan de auto niet verder. Er is een paard op hol geslagen. Het is niet duidelijk of het door de ballon kwam. Vooral als een hete-luchtballon laag vliegt, schrikken paarden en koeien nogal eens van het gebrul van de branders. We wachten tot het paard weer het erf op gaat. Kostbare minuten gaan verloren. De ballon is achter de bomen verdwenen. “Dook, dit is Heleen. Kun je even omhoog voor je gaat landen. We zien je niet meer.” Het blijft stil. Tot overmaat van ramp maakt de weg een flauwe bocht de verkeerde kant op. Pas een kilometer verder is er weer een zijweg naar links. De kaart is een nutteloos stuk papier geworden. De ballon is spoorloos en wij zijn verdwaald. In de bossen rond Rekken rijden we systematisch elke zijweg af. Nergens een ballon te bekennen.

Inmiddels is het donker. Bij een boerderij belt Heleen het retrievenummer, een telefoonnummer dat ook de piloot kan bellen als hij eenzaam en verlaten in een weiland staat. Dat heeft hij al gedaan, zo blijkt. Hij staat ergens in Duitsland. De bewoners weten hoe we daar kunnen komen en rijden voor. Na zeker een kwartier rijden over bochtige buitenwegen vinden we piloot en passagiers terug op een braakakker. Nadat het bedankpakketje met onder meer een fles jenever aan de Duitse boer is overhandigd, rijden we terug naar Oldenzaal. Als de gasten de kroeg induiken, rijdt Weidema naar het vulstation om zijn vier gasflessen bij te vullen. Pas na elven is voor hem de klus geklaard.

Ballonvaren doet een zware aanslag op je privéleven, meent Weidema. “Daar zijn al heel wat huwelijken op stukgelopen.” Met een hete-luchtballon kan namelijk alleen de eerste uren na zonsopkomst en de laatste uren voor zonsondergang worden gevaren. Overdag zit er teveel thermiek in de lucht, waardoor de ballon instabiel wordt. Weidema: “Vooral in de zomer kom je vaak pas midden in de nacht thuis.”

Een hete-luchtballon ontleent zijn stijgvermogen aan het verschil in soortelijk gewicht tussen de omringende koude lucht en de lichtere warme lucht binnenin. Hij stijgt door met een gasbrander de lucht in de ballon op te warmen. Als de brander uit staat, koelt de lucht vanzelf af en daalt hij. Als de piloot sneller wil dalen kan hij met een koord een gat opentrekken in de top van de ballon, zodat er warme lucht kan ontsnappen. Omdat er maar een beperkte hoeveelheid gas mee kan, duurt een vaart maximaal een uur of twee.

Een paar jaar geleden waren er nog maar enkele tientallen hete-luchtballonnen in Nederland, inmiddels meer dan 150, schat Weidema. Zijn bedrijf Pinkel Balloons heeft er vier. Een nieuwe ballon kost tegenwoordig tachtig- tot honderdduizend gulden. Speciale vormen als een fles of een ijsje zijn nog duurder. Dat er toch zoveel ballons de lucht in gaan komt dan ook door de sponsors. Een ballon blijkt een aantrekkelijk reclamemiddel: iedereen kijkt er naar. Een andere bron van inkomsten voor een ballonvaarder is het meenemen van betalende passagiers.

Om op te stijgen is vergunning nodig van de gemeente en toestemming van de eigenaar van de grond. Ballonvaren is omgeven met een hele papierwinkel. Piloot word je dan ook niet zomaar. Om het brevet te halen moet eerst een pittig theorie-examen worden afgelegd dat qua stof grotendeels overeenkomt met een vliegbrevet. Daarna moet de piloot in spe tientallen lesvluchten maken. Voor Weidema is dat meer dan twaalf jaar geleden. Behalve met varen houdt hij zich ook bezig met het prepareren van ballonnen die instrumenten voor wetenschappelijke metingen omhoog moeten brengen. “Als je al zolang vaart wil je ook wel eens wat anders.”

In de zomer vaart hij vrijwel elke dag, voor zover het weer het toelaat. Bij teveel wind, te weinig wind of onweer blijft hij aan de grond. “In de winter is hier weinig te doen. Dan probeer ik wat leuke dingen in het buitenland te vinden.” Deze winter gaat hij naar Spanje, waar bij de opening van het olympisch jaar, de wereldtentoonstelling en de culturele hoofdstad van Europa van alles te doen is met een ballon.

Drie weken eerder. Het volblazen van de ballon op een mooie zomeravond in een parkje midden in Utrecht trekt veel publiek. Met twee van zijn vaste helpers rolt Weidema de ballon uit. “Zonder de hulp van vrijwillige enthousiastelingen kan het niet.” Een grote ventilator blaast de ballon eerst vol koude lucht. Dan gaan de twee branders aan. De ballon raakt los van de grond en het mandje komt overeind. Terwijl we erin klimmen houden de helpers de mand aan de grond. Dan kan de gaskraan weer even wijd open.

De achterblijvers zwaaien en krimpen. Op zo'n honderd meter hoogte drijven we over de stad. Mensen in tuinen, op balkons en dakterrassen. Iedereen kijkt. Velen zwaaien. Sommigen roepen. Hier en daar kwispelt een hond. Om de paar minuten zet Weidema de brander even aan. Daarna is het weer stil. Moderne nieuwbouwwijken glijden onder ons door. Te voet lijken ze een doolhof, maar van boven vertonen ze de regelmaat van een kristal.

Hoger gaan we, dan hebben de koeien geen last van het lawaai van de branders. Tussen Utrecht en IJsselstein liggen meer tinten groen dan de modernste kleurenmonitor kan weergeven. Als we bij gebrek aan wind stil komen te hangen, stookt Weidema de lucht flink op. Naar 1500 meter stijgen we en bewonderen de blozende zon die zich langzaam in een bad van nevel laat zakken. Alsof fijn verdeelde waterdruppels boven de horizon het vuur blussen, zo verkoelt de kleur van de scharlaken schijf. Alle tinten groen van het landschap kruipen tegen elkaar aan voor de nacht.