Zelfs bij loonmatiging komt kabinet in problemen

DEN HAAG, 30 AUG. Loonmatiging is nodig om het kabinet volgend jaar uit de politieke en financiële problemen te houden. Het is nog de vraag of het kabinet de sociale partners zover krijgt. Maar zelfs al is dat het geval, dan nog staat het kabinet bij elke vorm van aanpassing van uitkeringen en minimumloon die gebaseerd is op ten minste handhaving van de koopkracht van deze inkomens in de jaren na 1992 voor enorme financiële problemen. Het kabinet zit financieel in een paradoxale situatie. Juist als het nu voorgestelde systeem van de bruto ontkoppeling ook in latere jaren wordt gevolgd zijn de financiële problemen het grootst.

Zelfs bij een door het kabinet gewenste loonmatiging in de rest van deze regeerperiode zal het kabinet de grootste moeite hebben om financiëel de touwtjes aan elkaar te knopen. Zowel handhaving van de bruto koppeling - de koppeling van de bruto uitkeringen en minimumlonen aan de gemiddelde stijging van de brutolonen - als een systeem zoals nu voor 1992 voorgesteld - waarin de koopkracht van uitkeringen en minimumloon is gekoppeld aan de stijging van de koopkracht van het gemiddelde loon (een netto koppeling) - kosten geld. Geld, dat daarvoor in het regeerakkoord niet voor de gehele kabinetsperiode was gereserveerd. Daar ligt de eerste oorzaak van de perikelen rond "de koppeling'.

Gezien vanuit de totale collectieve financiën (rijksbegroting plus sociale verzekeringen) zou handhaven van de bruto koppeling op korte termijn de goedkoopste oplossing zijn geweest, goedkoper dan handhaving van de koopkracht - of enige verhoging zoals nu wordt voorgesteld - van mensen met een uitkering of minimumloon via een algemene lastenverlaging. Eén procent koopkracht handhaven via de bruto koppeling kost de rijksbegroting 110 miljoen gulden en de sociale fondsen 550 miljoen. Eén procent koopkracht voor de uitkeringen en het minimumloon via een algemene lastenverlaging kost 2 miljard gulden doordat iedereen van deze belastingverlaging profiteert.

Voor minister Kok van Financiën (PvdA) bleek het moeilijker te zijn het geringere bedrag voor de bruto koppeling binnen te halen via verhoging van belastingen en premies dan het veel hogere bedrag voor een algemene lastenverlichting. Kok moest toelaten dat een plan van minister De Vries, dat al sinds mei in de ministerraad circuleerde, wordt uitgevoerd. Zij het dat het plan De Vries uitging van slechts handhaving van de koopkracht van uitkeringen en minimumloon en het kabinet nu besloten heeft daar nog iets boven op te zetten om binnen een bepaalde grens (loonstijging van gemiddeld 3,75 procent) de koopkracht evenveel te laten stijgen als die van werkenden.

Het kabinet laat nu, volgens het plan De Vries, de stijging van de bruto uitkeringen en het bruto minimumloon één procent achterblijven op de gemiddelde bruto loonstijging. In de netto uitkeringen wordt de achterstand in koopkracht die daardoor ontstaat gerepareerd via een algemene belastingverlaging. Om deze te financieren wordt voor hogere inkomens de inflatiecorrectie beperkt. Deze beperking komt niet alleen ten goede aan de uitkeringen en minimumlonen. Degenen die de inflatiecorrectie moeten inleveren krijgen daarvoor gedeeltelijk compensatie via een algemene belastingverlaging in de onderste schijf van het tarief. Bovendien krijgen werkenden een hogere belastingvrije som.

De Vries beoogde twee dingen met zijn plan. Ten eerste wilde hij van het mechanisme van de bruto-koppeling af. Door de bruto uitkeringen en minimumlonen te laten achterblijven bij de stijging van de brutolonen wordt een verlaging van het minimumloon bereikt. Maar de band tussen het minimumloon en het sociaal minimum wordt niet doorgeknipt. Niet voor niets diende De Vries zijn plan in mei in als alternatief voor de door sommige ministers (onder andere Andriessen, CDA, en Ritzen, PvDA) voorgestelde verlaging van het minimumloon in één keer met een aantal procenten. Dat zou ertoe leiden dat minimumloners die ook anderen moeten onderhouden een toeslag bij het bijstandsloket zouden moeten gaan halen. De Vries heeft zich daartegen steeds verzet.

Een tweede doel van het plan De Vries is om in het algemeen de arbeidskosten te verlagen. Tussen 1985 en 1990 zijn deze kosten gedaald met gemiddeld 0,5 procent per jaar. Zonder nadere maatregelen dreigt deze ontwikkeling om te slaan in een stijging met minstens 2,5 procent. De hogere arbeidskosten zorgen voor een afkalving van de werkgelegenheid. Sinds 1984 laat de werkloosheid een flinke daling zien. Zonder nadere maatregelen zou de werkloosheid in 1992 weer stijgen.

Pag 12:

Kabinet ontbeert meevallers

De koopkracht van uitkeringstrekkers blijft in de huidige voorstellen minstens op peil, maar aangezien de operatie budgettair neutraal is, wordt de collectieve lastendruk er niet door verhoogd. Als de voorstellen ook nog kunnen leiden tot loonmatiging zullen werkgevers wellicht meer banen scheppen om werklozen en arbeidsongeschikten aan werk te helpen. Dat werkgelegenheidseffect gaf uiteindelijk de doorslag voor de PvdA-ministers in het kabinet en was ook voor de PvdA-fractie moeilijk te omzeilen.

Het plan De Vries heeft echter een aspect dat in de discussie niet aan de orde is geweest. De Vries wil, volgens zijn schriftelijke voorstellen van de laatste maanden, de bruto ontkoppeling meerdere jaren volhouden. Dan bereikt hij immers pas echt een alternatief voor een directe verlaging van het minimumloon. Juist een ontkoppeling voor meerdere jaren stelt echter - zo lang het doel blijft om de koopkracht van uitkeringen en minimumloon niet (teveel) aan te tasten - het kabinet voor grote financiële problemen. In 1992 wordt de inflatiecorrectie gebruikt om de ontkoppeling te financieren. De besteding daarvan ligt straks blijvend vast. Aangezien ook de overheid een gulden maar een keer kan uitgaven zal ze na 1992 moeten omzien naar andere, omvangrijke financieringsbronnen.

Ook tijdens de kabinetten Lubbers I en II is de bruto koppeling losgelaten. Ook in die periode werd de koopkracht van de uitkeringen in het algemeen op peil gehouden door verlaging van belastingen en sociale premies. Het derde kabinet Lubbers zit echter in de paradoxale situatie dat niet de koppeling maar de ontkoppeling de grootste financiële problemen geeft. De vorige kabinetten konden moeiteloos de hoge kosten van de ontkoppeling opbrengen door een deel van de gigantische meevallers in de belastingen te gebruiken voor lastenverlichting en de sociale premies te verlagen door in te teren op de vermogens van de sociale fondsen. Maar dit kabinet heeft die mogelijkheden niet. Het kampt met een tegenvallende economische ontwikkeling en tegenvallende belastingopbrengsten.