Wolfgang Hilbig: Alte Abdeckerei. Uitg. Fischer, ...

Wolfgang Hilbig: Alte Abdeckerei. Uitg. Fischer, 117 blz. Prijs ƒ 39,20. Ulrich Peltzer: Die Sünden der Faulheit. Uitg. DTV, 233 blz. Prijs ƒ 14,65. Barbara Honigmann: Eine Liebe aus nichts. Uitg. Rowohlt, 106 blz. Prijs ƒ 27,60. Klaus Modick: Die Schrift vom Speicher. Uitg. Frankfurter Verlagsanstalt, 180 blz. Prijs ƒ 44,80. Marlen Haushofer: Die Tapetentür. Uitg. DTV, 159 blz. Prijs ƒ 12,35. Reto Hänny: Am Boden des Kopfes. Verwirrungen eines Mitteleuropäers in Mitteleuropa. Uitg. Suhrkamp, 315 blz. Prijs ƒ 41,40.

Piekeraars en obstinate arbeiders bevolken het proza van Wolfgang Hilbig (1941). In eindeloze, door klank en ritme hypnotiserende volzinnen vol dubbelzinnige mededelingen steken de meestal contactgestoorde figuren hun monologen af. In Hilbigs nieuwste novelle, Alte Abdeckerei, inspireert de door dood en verderf gedomineerde streek de verteller tot lyrische beschrijvingen, die niet bepaald de indruk wekken dat de wereld in orde is: “Oh, ik zag de rozen op de uitwerpselen van gecrepeerde dieren groeien.”

Omdat de staat, de voormalige DDR, zich zo onverdraagzaam tegen andersdenkenden opstelt, gaat de sympathie van de weerspannige verteller uit naar alles wat in de ogen van de machthebbers verdacht is. Hoe maniakaal hij ook doorpraat, het idee dat taal als communicatiemiddel onbruikbaar is, verlaat hem nooit.

Wolfgang Hilbig: Alte Abdeckerei. Uitg. Fischer, 117 blz. Prijs ƒ 39,20.

Ruwe bolster, blanke pit: zo zou je Bernhard Lacan, de held van Ulrich Peltzers roman Die Sünden der Faulheit, kunnen typeren. Lacan moet rondkomen van een bescheiden salaris; een deel van zijn inkomen verdwijnt als alimentatie in de zak van zijn vroegere echtgenote, die hem, wanneer ze hem bezoekt, de huid volscheldt - de rest van het geld gaat op aan gokken en drinken. 's Ochtends is het voor Lacan altijd weer een verrassing te ontdekken met wie hij zijn groezelige bed gedeeld heeft: “Bij ongunstige belichting zag hij er eigenlijk afgeleefd uit, maar veel vrouwen voelden zich tot hem aangetrokken. Moederinstincten en zijn schijnbare onverschilligheid speelden hierbij zeker een rol.” Zijn telefoon parkeert hij in de ijskast, evenals een schilderij dat hij samen met een vriend in een dronkenmansbui uit een museum gestolen heeft: “Wie vermoedt er nu een echte surrealist in een Zanussi, bouwjaar 1971!”

Nederlandse lezers zullen gnuivend kennisnemen van de activiteiten van de kunstmafia in Amsterdam. In een café aldaar hangt een prijslijst voor hasj, keurig bijgehouden door de "huisdealer"; op elke straathoek staan hoeren en cocaïnesnuivers; daar organiseert kunsthandelaar Pieter van Steenbergen meedogenloos de jacht op het door Lacan gestolen schilderij. Die Sünden der Faulheit is een vrolijke rapsodie van clichés, met net iets te veel pretenties. Volkomen overbodig gunt Peltzer (1956) ons een kijkje in de badruimte van presidenten en rebellen “die zich, staande voor de spiegel, scheren, met een onheilspellende dag in het vooruitzicht, want boven de Atlantische Oceaan nadert een lagedrukgebied met veel regen en sneeuw.”

Ulrich Peltzer: Die Sünden der Faulheit. Uitg. DTV, 233 blz. Prijs ƒ 14,65.

Wat verbond de jonge vrouw in Barbara Honigmanns roman Eine Liebe aus nichts met haar overleden vader? Liefde was het niet, meer een "opeenhoping van ontmoetingen dan een samenzijn'. De vrouw verlaat de DDR om in Frankrijk een nieuw leven te beginnen. Is zij, vraagt ze zich af, geëmigreerd uit "verlangen naar een ontworteld bestaan'? Waarom omringt zij zich dan met dozen vol brieven en familiedocumenten? Aan een bezichtiging van haar verleden is zij eigenlijk nog niet toe; de stapels brieven lijken “berichten uit de onderwereld, die haar, als ze er langer naar zou kijken, de diepte in zouden trekken”. Een brief van haar vader, waarin deze zich negatief uitlaat over haar vertrek uit de DDR, maakt een confrontatie met dat verleden onvermijdelijk.

Van sommige gebeurtenissen is het maar al te begrijpelijk dat de vrouw ze liever vergat. Nadat de derde echtgenote van haar vader een miskraam had gekregen toonde men haar het embryo op sterk water: “Ze zeiden dat dit mijn broertje was dat nooit geboren zou worden”. Door de geserreerde stijl van Honigmann (1949) heeft dit boek iets zeer beklemmends. De eenzaamheid van de vrouw die zichzelf "de emigrante, de immigrante, de wandelaarster' noemt en een Parijs' souterrain bewoont met 's zomers uitzicht op voorbijrazende sandalen en 's winters op dito laarzen, kan niet worden opgeheven; de vrouw kan er slechts in berusten.

Barbara Honigmann: Eine Liebe aus nichts. Uitg. Rowohlt, 106 blz. Prijs ƒ 27,60.

Op "oude plaatsen'" zijn nog sporen te vinden uit het verleden, en ook als dat tegenvalt bloeien de herinneringen altijd nog. Maar hoe betrouwbaar zijn die? Klaus Modick (1951) beschrijft in de roman Die Schrift vom Speicher hoe een man op middelbare leeftijd de "taal van het verleden' probeert te leren om een beter inzicht in zijn eigen levensverhaal te krijgen. Voor het eerst sinds jaren bezoekt hij het ouderlijk huis dat hij na de dood van zijn ouders heeft geërfd; de volgende dag zal het verkocht worden.

Nog voor hij het huis betreedt werpt de glimmende huissleutel hem terug in het verleden. Als kind liet hij ooit een eender glimmende sleutel in het gras vallen. Hij herinnert zich nu hoe hij toen bij het oprapen “het aroma van het verval rook - zonder het te begrijpen, de vreselijke eenvoudige schoonheid van het ondefineerbare...” Het is maar goed dat het deurslot vervangen is, want juist kleine veranderingen wekken de oplettendheid van de man, die door dit bezoek leert "zichzelf te bewonen'.

De zwakte van het boek zit hem in de opzichtige symboliek. Soms heeft het verhaal iets van een vertoog over de wetten van de nostalgie. Dat het huis de verteller geroepen heeft om hem "laatste woorden, als het ware, of eerste woorden' toe te spreken, weet Modick nog wel aannemelijk te maken, maar vergeleken met de veel ingetogenere Barbara Honigmann is zijn welsprekendheid bijna hinderlijk.

Klaus Modick: Die Schrift vom Speicher. Uitg. Frankfurter Verlagsanstalt, 180 blz. Prijs ƒ 44,80.

“Pas door het besef van hun vergankelijkheid krijgen de dingen voor ons waarde”, noteert de nog vrij jonge bibliothecaresse Annette in haar dagboek. Zij is de hoofdpersoon in Marlen Haushofers roman Die Tapetentür. Annette vermoedt dat zij in haar vroege jeugd ooit gelukkig is geweest, maar de herinnering aan dat geluk is vervaagd. Hoe het verlangen naar een mystieke eenheid met de dingen te bevredigen? Net als in haar eveneens onlangs bij DTV herdrukte meesterwerk Die Wand concentreert Haushofer zich in Die Tapetentür op een existentialistisch probleem: kunnen vrouwen zichzelf blijven wanneer ze een verhouding aangaan? Anders dan bij de lectuur van Die Wand is de lezer vanwege het eindeloze geklaag van de heldin minder snel geneigd begrip voor Annette op te brengen. In de wereld van Haushofers roman beminnen mensen het wezenlijke in elkaar niet. Samenzijn biedt daardoor net zo weinig kans op geluk als eenzaamheid.

Marlen Haushofer: Die Tapetentür. Uitg. DTV, 159 blz. Prijs ƒ 12,35.

De journalist Reto Hänny (1947), in Zwitserland berucht door een kritisch boek over de rellen die in 1981 de stad Zürich op zijn kop zetten, publiceert andermaal een boek dat hem er bij zijn landgenoten niet geliefder op zal maken, het reisverslag Am Boden des Kopfes. Verwirrungen eines Mitteleuropäers in Mitteleuropa. Tijdens de rellen in Zürich werd Hänny door een politieagent het ziekenhuis in geslagen. Zo'n vaart zal het nu niet lopen, daarvoor zijn Hänny's plaagstootjes tegen Zwitsers patriottisme te onschuldig.

Op reis in Polen bijvoorbeeld wist hij in een trein maar net te voorkomen dat hij door een Poolse bende werd beroofd: “In het gangpad zaten ze opeens overal met hun handen aan mijn billen en aan mijn buik, maar later stelde ik gerustgesteld vast dat ik het belangrijkste, althans het voor een Zwitser belangrijkste, gered had; mijn pas en mijn portefeuille.” Het grootste bezwaar van dit reisverslag is dat Hänny nauwelijks op zijn eigen waarnemingsvermogen durft te vertrouwen. Ziet hij in een park in Warschau een ruïne, dan verwijst hij in één adem naar Caspar David Friedrich, die zulke taferelen graag schilderde, en naar Alfred Döblin, die ergens commentaar gaf op het negentiende-eeuwse fenomeen van de ruïnebouwers.

De verwarring waarvan in de titel sprake is wordt niet veroorzaakt door de chaotische veranderingen in Midden- en Oost-Europa, maar doordat het hoofd van Hänny overladen is met boeken. Op zijn sterkst is de schrijver wanneer hij literaire verwijzingen bij zijn observaties achterwege laat. Zo maakt Hänny in Berlijn de val van de Muur mee. Hij ziet Ossies Westberlijnse bodem betreden, wankelend, met knipperende ogen alsof ze tegen de zon inkijken. Droogjes merkt hij op dat ze de zon in de rug hebben.

Reto Hänny: Am Boden des Kopfes. Verwirrungen eines Mitteleuropäers in Mitteleuropa. Uitg. Suhrkamp, 315 blz. Prijs ƒ 41,40.