Wij kruipen als leguanen, niets is ons te dol; Repetities voor de Aula in Amsterdam

In een Amsterdamse sporthal gaat vanavond een groots opgezette uitvoering van Verdi's opera Aïda in première. Met de beroemde Italiaanse diva Maria Chiara, met een Zwitserse regisseur die er een anti-oorlogsdrama van heeft gemaakt, met echt lavazand uit de Duitse Eiffel, en met 180 amateurzangers. Gerda Telgenhof is een van hen en zij beschrijft de repetities. “Soms, na een zware dag repeteren, word ik midden in de nacht wakker, de muziek tollend door mijn hoofd.”

Voorstellingen op 30 aug. (première), 2, 5, 8 (matinee), 11 en 14 sept. 20 uur, matinee 14 uur. Sporthallen-Zuid, IJsbaanpad 19. Inl 020-6211211.

De zaal is spookachtig blauw verlicht. Rode schijnwerpers zetten de trappen aan weerszijden in een vurige gloed. Goudkleurig licht weerkaatst op een enorme, zeven meter hoge faraokop. Door de zandvlakte in het midden loopt mezzosopraan Gail V. Gilmore krijgshaftig met een lang, rood vaandel, dat ver achter haar aan golft. Om haar heen mannen in sportkleding. Het koor zet in: Ed osan tanto! Ongelijk. Dirigent Ed Spanjaard tikt af. “Niemand mag inzetten zonder mij. Jullie kijken naar mij!” roept hij. Het orkest begint opnieuw. De regisseur, een kleine kale man in een leren broek, ijsbeert door de ruimte.

Het is een van de laatste repetities van Giuseppe Verdi's opera Aïda. De spanning stijgt. Vanavond, in de Sporthallen-Zuid in Amsterdam, is de première. Met de Italiaanse diva Maria Chiara, die tien jaar de rol van Aïda heeft gezongen in de arena van Verona. De hele maand al heerst in de hallen koortsachtige bedrijvigheid. Nieuwe tribunes met plaats voor 4000 toeschouwers zijn over de bestaande heen gemonteerd. Belichtingsmensen, regie- en produktiemedewerkers lopen af en aan. Zangers, balletdansers en figuranten verbroederen in de kantine.

In Hal 2, waar de opera wordt opgevoerd, is tachtig kubieke meter roodbruin lavazand gestort, aangevoerd uit het Duitse Eiffelgebied. Om stuiven tegen te gaan wordt het dagelijks natgespoten en na elke repetitie met sleepnetten van de tennisbaan vlak getrokken. De zandvlakte dient als Bühne, het publiek zit rondom. Hal 3 is tot VIP-gebied verklaard. Wie 500 gulden voor een kaartje over heeft, mag zich daar, onder toeziend oog van gipsen sfinxen, laven aan champagne en andere lekkernijen. Buiten is een kleedtent voor koor en figuranten neergezet. Koud is het er, zelfs nu de avonden nog zacht zijn. In het tijdelijke atelier worden nog even de gewaden van de danseressen ingenomen. De choreograaf wil “meer been zien”.

In mijn huis knarst het lavazand. De wasmachine maakt overuren. Ik zing in het Aïda-koor. We moeten liggen, vallen en kruipen, “als dieren, als leguanen, het publiek moet van jullie schrikken”. Het zand gaat in schoenen en kleren zitten. Wij zijn al bezig vanaf april, eerst met het koor alleen, sinds begin augustus zijn er achtereenvolgens solisten, figuranten, ballet en orkest bij gekomen.

Maria Chiara zie ik voor het eerst bij een orkestrepetitie op 20 augustus. Daarvoor werd haar plaats ingenomen door haar Australische understudy Pauletta de Vaughn. La Chiara, onberispelijk gekleed, slank, kort blond haar, gouden oorbellen, zit in het midden van de arena op een stoel, haar pumps half begraven in het zand. Alleen aan een lichte beweging van haar rug is te zien dat ze zingt. Ze spaart haar stem, vooral in de hoogte, maar als ze voluit zingt brengt ze een indrukwekkend geluid voort, dat alle hoeken van de zaal vult.

De volgende dag zit ik op de tribune. De solisten repeteren. Chiara doet de Nijlscène met de beroemde aria Oh patria mia. Diagonaal over de zandvlakte ligt een rivier van zilverpapier. Chiara, in een smetteloze lichtblauwe blouse en grijze broek, strekt zich behoedzaam uit op het zilverpapier, haar geringde handen onwennig in het zand. De Zwitserse regisseur Dominik Neuner geeft aanwijzingen. Een tolk vertaalt, Chiara spreekt alleen Italiaans. Bovenop de trap staat Gilmore, in een witte bermuda en wit spijkerjack. Wat een contrast met Chiara. De beweeglijke, felle Gilmore, met haar merkwaardig nasaal stemgeluid, doet als ze loopt denken aan een zwarte panter, hoog in de schouders, in elkaar gedoken. Terwijl in de pauzes Chiara zich met haar veel oudere echtgenoot terugtrekt in haar kleedkamer, zit Gilmore grappend achter een pilsje in de kantine, haar hondje, een miniatuur-collie, onder tafel.

Moe

Ik heb in de pauze met Chiara afgesproken, maar als ik op haar afstap, trekt ze een dramatisch gezicht: zó moe, nu liever niet. Ze wrijft over haar maagstreek. Niet gegeten voor de repetitie. “Sorry, miss, sorry.” Een warme glimlach en een stevige handdruk, en weg is ze, richting kleedkamer.

Twee dagen later lukt het wel. Samen met haar man en vroegere zangleraar Antonio Cassinelli gaat ze me voor naar haar kleedkamer. Die is sober: een bankje, twee stoelen en een tafel met een thermosfles thee. Weinig glamorous voor een Italiaanse prima donna. Chiara verdwijnt even achter een gordijn om het zand van haar handen te wassen. Ze is vriendelijk en ontspannen. Ze heeft goede herinneringen aan Amsterdam, vertelt ze. “Twintig jaar geleden, toen ik aan het begin van mijn carrière stond, heb ik hier, en trouwens ook in Scheveningen, Violetta in La Traviata gezongen. Ik vond het publiek toen erg warm.”

Chiara heeft veel belangrijke operarollen gezongen, maar Aïda is haar glansrol, en ze wordt beschouwd als dé Aïda-vertolkster van dit moment. De rol is haar, vindt zij, op het lijf geschreven. Tien jaar lang zong ze Aïda in de arena van Verona, maar ook elders, onder andere in het Egyptische Luxor en, samen met Luciano Pavarotti, in Wenen en in de Scala in Milaan (1985). Voor volgend jaar heeft ze weer een uitnodiging voor Verona, “maar ik heb nog geen ja gezegd”.

Chiara had in het begin wat moeite met de regie-opvatting van Dominik Neuner, die een heel wat soberder Aïda neerzet dan zij in Italië gewend is. Geen olifanten en kamelen, maar zand en een lege faraokop. Chiara: “Ik vind het interessant dat de regisseur met zijn opvatting de traditie doorbreekt. En ik pas me wel aan, wat dat betreft ben ik net een kameleon. Maar deze Aïda is wel heel anders dan alle andere die ik hiervoor heb gedaan. En de omstandigheden zijn veel moeilijker; het is zwaar spelen in het natte zand. Maar wat ik het allermoeilijkste vind, is dat ik geen direct contact heb met de dirigent. Normaal staat een dirigent met zijn gezicht naar het toneel, hier niet.”

Het orkest is in een hoek opgesteld. Dirigent Ed Spanjaard staat met zijn rug naar de speelvlakte. Daarom hangt er in de hal - en ook in de gangen voor de momenten dat er off stage wordt gezongen - een arsenaal aan monitoren waarop koor en solisten Spanjaard moeten volgen. Het is moeilijk wennen aan de monitoren. “Om duidelijk over te komen via de monitor moet ik heel expressief en duidelijk dirigeren, en recht in de camera,” zegt Spanjaard. “Maar het is prettiger om direct oogcontact te hebben met de zangers, zodat ik zie wanneer ze gaan ademhalen, of om te helpen bij de rubati. Wat het koor betreft is de moeilijkheid van deze grote ruimte, dat mensen het zekere voor het onzekere nemen en wachten met inzetten tot ze het orkest horen. Dat doet afbreuk aan de directheid. Maar we werken er hard aan en ik denk dat we ver komen.”

Spanjaard kent het stuk door en door. In 1977 assisteerde hij Riccardo Muti als repetitor in het Royal Opera House, Covent Garden in een Aïda met Montserrat Caballé en Placido Domingo, en in 1980 Herbert von Karajan bij de Salzburger Festspiele (met Mirella Freni en José Carreras). Om niets aan het toeval over te laten, heeft hij zich bij de repetities niet door een assistent laten vervangen, maar is er vanaf het begin zelf bij geweest.

Veldheersmantel

Aïda, het verhaal van de onmogelijke liefde tussen de Ethiopische slavin Aïda en de Egyptische veldheer Radames, is in de visie van regisseur Dominik Neuner geen heldenverhaal, maar een duister, psychologisch drama vol symboliek, een anti-oorlogsstuk met Radames als weifelende anti-held. Chiara had er moeite mee, maar ook de Russische tenor Alexei Steblianko (Radames). Op het laatste moment is zelfs besloten een iets krijgshaftiger tenue voor hem te ontwerpen. In het burgerkostuum met veldheersmantel dat hem was toebedacht, voelde hij zich niet gelukkig. De gedrongen, grijze Steblianko heeft nu een leren krijgspak en een lange, gekrulde pruik op het hoofd. Geschminkt is hij onherkenbaar en lijkt twintig jaar jonger.

In Neuner's Aïda komen in de beroemde triomfmars de overwinnaars niet als helden op, maar bebloed en gehavend, kruipend op hun knieën, de oorlogsbuit achter zich aan slepend. “Het gaat mij erom de absurditeit van de oorlog te laten zien,” zegt Neuner, een kleine, kale veertiger met priemende ogen die niets ontgaan. Zelden zit hij stil, meestal beent hij door de ruimte, instructies uitdelend. En steeds weer hamert hij ons in: “Waanzin is het, waanzin, ein Alptraum, een nachtmerrie. Denk aan de Amerikanen die uit Vietnam terugkwamen. Niemand komt gezond uit een oorlog terug.” Alleen de krijgsgevangen Ethiopiërs laat hij met rechte ruggen opkomen. “Het is een trots volk, als je ze de kop afhakt blijft hun lichaam rechtop staan.”

Deze produktie is een vervolg op de Aïda die vorig jaar in Den Bosch (ook onder Spanjaard) werd uitgevoerd. Met succes. Reden voor producent Michiel van Westering om het in Amsterdam te proberen, nu met het Residentie Orkest in plaats van het Brabants Orkest, een speciaal voor de gelegenheid samengesteld groter koor, een nieuw ballet en andere solisten. Alleen Gail Gilmore als de koningsdochter Amneris en de bas Pieter van den Berg (nu in een andere rol) zijn gebleven. Verder zijn Henk Smit en Wout Oosterkamp aangetrokken. Ingrid Kappelle en Erika Detmer wisselen elkaar af als priesteres. De voorstellingen zijn over ruim twee weken uitgespreid, omdat Chiara stemrust heeft bedongen. De dag voor en de dag na een optreden spreekt ze niet. “Absolute stilte,” zegt ze. “Mijn man vindt het heerlijk.”

Ook de figuranten zijn dezelfden als vorig jaar. Op een zonnige zaterdagmiddag stopt een bus uit Boxtel voor de hal en rolt een groep luidruchtige Brabanders naar buiten: de "soldaten'. Stevige jongens die tegen een stootje kunnen, want zij moeten aan het begin van de opera drie kwartier lang roerloos in het natte zand blijven liggen, met niet veel meer aan dan een kort leren rokje. Als het publiek de zaal binnenkomt, liggen ze er al.

De produktie kost drie miljoen, op te brengen door de recette en vier sponsors. De sporthal bleek tot ieders verwondering al een goede akoestiek te bezitten, maar toch is nog twee ton uitgetrokken voor een elektronisch akoestisch systeem, waarbij de zangers niet worden versterkt maar alleen de nagalmtijd wordt aangepast. Het is voor de zangers uitstekend zingen, oordeelt Henk Smit die Amonasro speelt, de vader van Aïda.

Bratkartoffeln

De eerste repetitie met schmink, kostuums en vuurwerk. We zijn naar Hal 1 gedirigeerd. Neuner waarschuwt de mannen die in het koningsmasker moeten klimmen om de draden en schakelaars die het vuurwerk moeten ontsteken vooral niet aan onderzoek te onderwerpen. Hij legt nog eens het politieke conflict uit, dat als een rode draad door de opera loopt: de vergevingsgezinde priesters versus die van de harde lijn, die de koning in hun macht hebben. Eerder al had iemand gevraagd hoe het kon dat de Ethiopiërs, die aan het eind van de triomfmars in de kop worden gedreven, die vervolgens in vlammen opgaat, toch "dank aan het clemente Egypte' konden zingen. “Het is dezelfde situatie als de joden en de zigeuners in de Tweede Wereldoorlog. Velen van hen wisten ook niet wat hen in de concentratiekampen te wachten stond en dankten zelfs nog dat ze onderdak kregen,” verklaart Neuner. Hij draagt ons voor de zoveelste keer op geen fouten te maken. “Als er tussen de honderd mensen één iets verkeerd doet, dan valt die ene op. Als één van jullie aan Bratkartoffeln denkt dan verstoort diegene de spanning. Maar als je toch iets fout doet, doe het dan met overtuiging en ga niet onzeker om je heen kijken.”

Dan volgt de schminkles. Een man in een patchwork-bermuda pakt met een sierlijk gebaar een stukje schuimrubber en wrijft het over een blauwe substantie. “Nu doen wij als allereerste het sponsje,” zegt hij met een Duits accent en begint het gezicht van een van ons blauw te verven. Vette schmink voor het gezicht, makkelijker afwasbare waterschmink voor oren, nek, en armen. Poeder erover en afstoffen met een babyborstel. Zelf moeten wij de blauwe basis leggen, visagisten zorgen voor de witte en zwarte accenten. Het haar wordt verborgen onder blauwe helmen. Slavinnen worden wit gekalkt en krijgen pruiken op. Het ziet er eenvoudig uit. Eenmaal in de schminkruimte echter blijkt water- en vette schmink voor de leek nauwelijks te onderscheiden. We kliederen wat, maar het resultaat is verbluffend. De een na de ander komt met een angstaanjagend voorkomen de kleedkamers uit.

We zijn helemaal in het blauw. In Hal 3, naast de VIP-ruimte, hangen rijen vol lange, blauwe gewaden, keurig op naam en nummer. Meer dan een kilometer stof is erin verwerkt. Van het oorspronkelijke plan om ons op blote voeten door het natte zand te laten ploeteren is gelukkig afgezien, uit vrees voor massale uitval wegens verkoudheid. Er worden nu blauwe kousen aangevoerd en meegebracht schoeisel wordt blauw gespoten.

Het afschminken is minder eenvoudig dan ons was voorgesteld. Er waren, zoals elke keer, weer kleine momenten van paniek. “Waar zijn de tissues?” “De tissues zijn op.” “Waar zijn de vrouwendouches?” “Daar staan allemaal mannen onder.” Na een grondige wasbeurt ben ik nog steeds blauw. De kleurstof zit onder mijn nagels, in mijn oren, neus en poriën, en in het piekerige haar dat onder mijn helm vandaan kwam, zitten blauwe strepen. De vorige keer kreeg ik mijn nagels pas weer schoon na een bleekwaterbadje.

Het koor bestaat uit 180 amateurs uit het hele land, gerecruteerd via audities. Koordirigent Louis Buskens, die vorig jaar ook het koor in Den Bosch voorbereidde, hoorde tussen de 500 en 600 kandidaten. Zelf beklom ik op 1 maart, met lood in de schoenen en kloppend hart, de steile trappen naar de auditieruimte bij het Leidseplein. Twintig minuten lang muzikale en stemoefeningen, tien dagen spanning en dan een verlossend telefoontje van de Stichting Aïda: aangenomen.

En zo zwoegen we in april, mei en juni lange weekeinden op lastige ritmen en inzetten en de uitspraak van het Italiaans. “Broep, broep, broep, broep,” doet Buskens terwijl hij met zijn handen in de lucht graait naar de denkbeeldige snaren van een harp. “De harp gaat onverstoorbaar door, dat ritme moet u volgen.” En, voor de zoveelste keer: “Sacrò brandò is het, niet saakroow brandoow.” Soms, na een zware dag repeteren, word ik midden in de nacht wakker, de muziek tollend door mijn hoofd.

Ambtenarij

Voor we op de hal met zand worden losgelaten, hebben we voor de vakantie een eerste regierepetitie met Neuner en Spanjaard in een andere sporthal. We leren wennen aan de enorme ruimte en studeren in grote lijnen de triomfscène in. Na twee dagen hebben we blauwe knieën van het knielen en vallen en stijve kaken van het lachen. Neuner verzekert dat hij graag met amateurs werkt: “De stemkwaliteit is natuurlijk minder dan bij beroeps, maar amateurs hebben het grote voordeel dat ze goed gemotiveerd zijn. Bij beroeps, de goede operakoren niet te na gesproken, ontaardt het soms in ambtenarij.”

En Van Westering: “De dingen die dit koor doet had ik met beroeps niet voor elkaar gekregen. Die hadden kniebeschermers geeist om door het zand te kruipen en hadden het te gevaarlijk gevonden om bovenin de kop te klimmen.”

Voor een beroepskoor was geen geld. Daarom staan wij er. En ons is niets te dol, omdat we het zo heerlijk vinden om te zingen. En omdat Verdi's muziek zo prachtig is. En omdat dit misschien wel onze enige kans is om als amateur mee te doen aan een grote, internationale produktie met zangers van topkwaliteit. Daarom laten we ons zonder protest verdrijven uit de comfortabele kantine, want die is, nu het orkest er is, voor de orkestleden. En uit de parkeerruimte, want die is nu voor de VIP's.

Daar gaan we weer. Met 180 man samengepakt in de zuidwesthoek achter de tribune. Guerra e morte allo stranier brullen we. Woorden die de zaal in moeten knallen. Maar inmiddels zijn er gordijnen opgehangen die ons aan het oog van het publiek moeten onttrekken. Het is donker, we horen en zien niets. Iemand komt naar boven gerend. “Harder zingen, jullie zijn in de zaal niet te horen.” Er wordt naar een andere opstelling gezocht, we trekken alle registers open, terwijl de toegesnelde Neuner met weidse armgebaren de maat slaat.

Vijftien maten nu om voor de triomfmars begint naar de noordoost hoek te komen. Snelwandelen, achter de tribunes om. Iemand loopt kletterend tegen een stellage op, een ander struikelt over een kabel. We giechelen en duwen. Zachtjes, zachtjes, want Aïda zingt een pianissimo pietà. Losse tapijten zijn neergelegd om onze voetstappen te dempen. “Hey, there's a black man sitting in the dark,” roept een zwarte balletdanser die onder de voet dreigt te worden gelopen.

Chiara wist dat ze met een amateurkoor zou optreden. “Ik was erg verbaasd toen ik het koor voor het eerst hoorde,” zegt ze. “Ik vond het molto bene.” De tolk vertrouwt haar toe dat we het allemaal voor niets doen. Chiara kijkt me met grote ogen aan. “Voor niets? Werkelijk? Waarom?” Ik probeer het haar uit te leggen, maar de verbazing wijkt niet van haar gezicht.

Geld is ons probleem niet. Er is eigenlijk maar één frustratie. Die is dat we deze produktie, waaraan we zo lang, met zo veel plezier en enthousiasme hebben gewerkt, nooit in zijn geheel zullen zien en horen. De koorgedeelten, zeker voor de vrouwen, zijn beperkt. Veel tijd moeten we achter de coulissen blijven. Alleen Gail Gilmore, Henk Smit, Pieter van den Berg en Wout Oosterkamp hebben zich, tot ons grote genoegen, tijdens de repetities op volle kracht laten horen. Maar als straks ook La Chiara en Steblianko de sterren van de hemel zingen, zitten wij in een koude tent, wachtend op de oproep door de intercom: “Priesteressen, wil u uw positie innemen?”