Rode ogen

De komende maanden schrijft Mensje van Keulen op de kinderpagina een vervolgverhaal over meneer Ratti. Vandaag de eerste aflevering.

Meneer Ratti woonde in een kelder.

Aan de straatkant was geen raam. Er was alleen een voordeur in een donker portiek. En aan de tuinkant was een smal raam waarvoor een harig gordijn hing dat altijd dicht bleef.

Meneer Ratti had om zijn tuintje een schutting gebouwd die zo hoog was dat zelfs de zon er niet overheen kon klimmen. Daardoor was het een grauw, naargeestig plaatsje geworden dat vol rommel lag. Dat wil zeggen, voor iemand anders zou het rommel zijn. In de ogen van meneer Ratti was het een interessante verzameling oud ijzer, zoals emmers, teilen, pannen en fietswielen.

Meneer Ratti was verzamelaar. 's Nachts ging hij de straat op met een kinderwagen, op zoek naar van alles en nog wat. Aangezien de meeste verloren en weggegooide dingen op de grond liggen, wees zijn lange neus vrijwel voortdurend omlaag. Die neus leek nog langer omdat meneer Ratti een kort kinnetje had dat schuin naar zijn hals toeliep. En dat kinnetje zag er extra schuin uit omdat de bovenlip en boventanden van meneer wat Ratti naar voren staken. En zijn ogen...

Niemand wist hoe zijn ogen eruitzagen.

En nu beweerde zijn buurvrouw dat ze ze had gezien.

Meneer Ratti stond muisstil in de schaduw van de schutting. Hij leunde op zijn stok en luisterde naar wat juffrouw Sijp over hem te vertellen had.

“Ze zijn klein en rond,” fluisterde ze. “Net kraaloogjes.”

“Maar hij loopt altijd krom,” fluisterde mevrouw Kets, een andere buurvrouw. “En hij draagt altijd een hoed. Hoe kon je dan zijn ogen zien?”

“Het gebeurde gisteravond laat,” fluisterde juffrouw Sijp, “toen ik Spikkie wou uitlaten. Normaal lig ik allang in bed en Spikkie ook. Daarom denk ik dat de engerd verbaasd was toen ik naar buiten kwam. Hij liep een klein endje verderop, achter zijn kinderwagen, en toen hoorde hij mij... Misschien hoopte hij dat ik de vuilniszak buiten zette. Je weet hoe graag hij daar in snuffelt...”

“En wat gebeurde er toen?”

“Ik schrok vreselijk...”

“Vertel op, juffrouw Sijp, wat deed hij dan?”

“Hij keek ineens om en daardoor zag ik ze... die kraaloogjes, maar ze waren heel wat enger dan bij muizen. Ze waren namelijk rood...”

“Het is niet waar...”

“Zeker wel, ik heb het zelf gezien. Ze waren zo rood als lippestift. Ik schrok zo erg dat ik meteen weer naar binnen ben gegaan.”

“Wat een afschuwelijk verhaal.”

“Het is wel duidelijk, mevrouw Kets. Sommige mensen gaan op hun hond lijken en meneer Ratti...”

“Sinds wanneer heeft meneer Ratti een hond?”

“Dat is het 'm nu juist. Hij heeft geen hond, toch lijkt hij ergens op. Hij lijkt op...”

“Ik weet wat je bedoelt. Met die neus van 'm en die tanden.”

“En die gloeiende kraaloogjes.”

“En dat rare snorretje, heb je dat wel eens bekeken?”

“En wat dacht je van zijn oren? Ik durf te wedden dat die er ook eigenaardig uitzien.”

“Dan zal hij er wel goed mee kunnen horen. Laten we maar niet zo hard praten, juffrouw Sijp.”

“En zoals hij woont, in dat donkere hol.”

“Hij is gewoon niet menselijk.”

“Precies wat ik bedoel! Hij lijkt op...”

“Sssst... Straks hoort hij je nog!”

“Maar mevrouw Kets, we weten toch allemaal dat hij lijkt op...”

“Sssst...”

“...Op zijn naam!”

“Stil toch, juffrouw Sijp... Ik heb trouwens wel eens horen zeggen dat hij eigenlijk anders heet.”

“Ik lees toch duidelijk "Ratti' op zijn naambordje.”

“Nou...duidelijk...het is nogal roestig.”

“Alsof hij eraan geknaagd heeft, ja, maar er staat toch echt een R, een A, een...”

Op dat moment hief meneer Ratti zijn wandelstok, waar een ijzeren punt aanzat, en gaf er een harde mep mee tegen een zinken teil.

(wordt vervolgd)