Oud zeer in Midden-Europa

Het einde van de Sovjet-hegemonie heeft al ingrijpende veranderingen gebracht in de veiligheidssituatie van Oost- en Midden-Europa. Die situatie zal nog gecompliceerder worden als een deel van de Sovjet-republieken daadwerkelijk zou besluiten de Unie te verlaten, waartoe ze nu de mogelijkheid hebben gekregen van president Gorbatsjov.

Dat de verhoudingen veranderd zijn, bleek wel bij de coup in de Sovjet-Unie vorige week maandag. De Tsjechoslowaakse president, Havel, zei in een telefoongesprek met zijn Amerikaanse collega, Bush, weliswaar bezorgd te zijn over de staatsgreep, maar niet te geloven dat de Sovjet-Unie “expansionistische bedoelingen” heeft. De Poolse president, Lech Walesa, was het met Bush eens dat er “geen directe bedreiging” voor Polen bestond. Wel werden de Poolse troepen aan de oostgrens versterkt. Een routinemaatregel noemde een woordvoerder van de grensbewaking dat. De Tjechoslowaakse minister van binnenlandse zaken, Ján Lángos, en zijn collega van defensie, Lubos Dobrovský, besloten de grenstroepen in het oosten met zesduizend man te versterken. Deze maatregel hoefde echter niet geëffectueerd te worden, omdat de coup verliep. Nog niet zo lang geleden zouden alleen de Sovjet-troepen in die landen extra paraat geweest zijn.

De veiligheidssituatie kan de komende tijd echter aanzienlijk gecompliceerder worden als de Sovjet-Unie geheel of gedeeltelijk wordt ontmanteld. Zoals indertijd de val van de Roemeense president Ceausescu al leidde tot herleving van de nationalistische sentimenten in de aanpalende Sovjet-republiek Moldavië, zullen omgekeerd veranderingen in de status van Sovjet-republieken het karakter van de verhouding met de aangrenzende landen beïnvloeden.

Als de Oekraïne en Wit-Rusland onafhankelijk worden, zal de Poolse minderheid in die republieken, samen ruim één miljoen mensen, wellicht een toenemende neiging krijgen van zich te doen horen. De hang van Moldavië naar Roemenië is niet meer dan natuurlijk. Diep in het Russische veiligheidsbewustzijn zit nog altijd de heilloze coalitie van Duitsers, Oekraïeners, Hongaren, Slowaken en Roemenen tijdens de Tweede Wereldoorlog. En het was de Poolse invasie die aan het begin van deze eeuw voorafging aan de bolsjewistische revolutie. Vroeg of laat kunnen dergelijke oude sentimenten en ressentimenten opnieuw manifest worden, zeker als politieke of economisch onrust tot stromen vluchtelingen aanleiding zou geven. Potentiële conflictstof genoeg.

De drie Middeneuropese landen Polen, Hongarije en Tsjechoslowakije overleggen al regelmatig samen over hun veiligheid, zoals in februari in het Hongaarse Visegrád, maar ze hebben op dit moment niet direct behoefte aan nieuwe, sterke allianties. De Tsjechoslowaakse minister van buitenlandse zaken, Jir Dienstbier, schreef onlangs dat de grootste problemen met betrekking tot de veiligheid echter vooral worden veroorzaakt door de interne problemen waarmee de afzonderlijke landen kampen: “De veiligheid van de Centraaleuropese landen vergt geen afzonderlijke veiligheidstructuren en er is ook geen behoefte aan een afzonderlijke veiligheidsorde voor die regio als zodanig. De sleutel voor de Centraaleuropese veiligheid is gelegen in het zo ruim mogelijke gebruik van de beschikbare bestaande veiligheidsstructuren”. Daarbij denkt de minister aan de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de NAVO, de Westeuropese Unie, voortzetting van de lopende ontwapeningsonderhandelingen, maar ook aan de Europese Gemeenschap.

De Poolse minister van buitenlandse zaken, Krzysztof Skubiszewski, liet zich onlangs in het Poolse parlement in dezelfde geest uit. Hij wees op het belang van de ongedeelde veiligheid van heel Europa, zoals die tot uitdrukking komt in het kader van de CVSE. Elke andere benadering maakt van Midden-Europa al gauw een grijze bufferzone. “Het gebied dat een dergelijk belang (van buffer) heeft, kan makkelijk een strijdtoneel tussen sterkere staten worden. Dat is een belangrijk richtsnoer in ons veiligheidbeleid, omdat wij gelegen zijn tussen Duitsland en de Sovjet-Unie.”

Beslissingen op het terrein van veiligheid en defensie zullen daarom voorlopig voor alles nationale beslissingen zijn, waarbij de financiën een belangrijke rol spelen. De omvang van het Tsjechoslowaakse leger gaat daarom terug van 200.000 naar 130.000 man, terwijl het Hongaarse leger teruggaat van 100.000 naar 70.000 man. Alleen Polen vindt, gezien zijn positie, dat zich een dergelijke drastische reductie niet kan permitteren en heeft nog altijd 300.000 man onder de wapenen. De drie landen zouden het liefst zien dat de structuren van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa worden versterkt, zodat die de veiligheidsstructuur bieden ter ondersteuning van hun eigen defensie-inspanningen. Deze structuur is historisch niet belast en wordt door de Sovjet-Unie niet als bedreigend ervaren. Maar gezien de onmacht waarmee de overige Europese landen staan toe te kijken bij de etnische strijd in Joegoslavië bestaat er bepaald geen garantie dat die structuur in geval van nood effectieve bescherming biedt.