Nieuwe directeur Bozo moet Beaubourg "redden'

PARIJS, 30 AUG. Zal Bozo Beaubourg redden? Dat is de vraag die de culturele elite van Parijs op de lippen ligt. Dominique Bozo is deze week benoemd tot president-directeur van het Centre Pompidou, de 'ruimteschip van de moderne kunst' dat aan zijn spectaculaire succes ten onder dreigt te gaan. Bozo volgt Helene Ahrweiler op, de specialiste in de Byzantijnse beschaving, die het culturele 'vliegkampschip' (Le Monde) niet voor verder afdrijven heeft kunnen behoeden sinds zij in 1989 aan het roer kwam te staan.

Dominique Bozo (56) is een man uit het serail. Hij was al enige tijd directeur van het Nationale museum voor de moderne kunst en het Centrum voor industriële creatie, twee onderdelen van het fameuze kunstcentrum dat wijlen president Georges Pompidou als zijn belangrijkste erfenis aan de Fransen achterliet. Bozo moet het multiculturele gebeuren in het futuristische gebouw op het hoogste artistieke niveau terugbrengen en de "Beaubourg', zoals de Parijzenaars zeggen, weer zijn architecturele aura teruggeven.

Want het Centre Pompidou is veertien jaar nadat het geopend werd, aan hevige slijtage onderhevig. Het enorme gebouw, een schepping van het Italiaans-Engelse architectenduo Renzo Piano en Richard Rogers, is "berekend' op vijfduizend bezoekers per dag, maar er komen er 25.000. Ondanks een begroting van ruim honderd miljoen gulden (308 miljoen francs) lijdt het centrum, dat overeenkomstig de wens van Pompidou gratis toegankelijk is, elke dag een beetje meer aan zijn onderhoudsproblemen.

De 15.000 ton 'geioniseerd' staal dat Renzo en Rogers gebruikten voor de constructie van het 'ruimteschip a la Jules Verne' (Renzo) is zeer gevoelig voor weersinvloeden. Een enkel schrammetje leidt tot roestvorming en op den duur tot lekkages. De blauwe verf bladdert treurig van de grote buizen aan de "achterkant' van het gebouw aan de rue Beaubourg. Deze gevel is inmiddels ook het grootste urinoir van Parijs, want de Beaubourg is behalve kunstcentrum ook de verzamelplaats voor alcoholisten, junks en andere grootstedelijke daklozen. Met het schoonmaken van ramen en buizen is jaarlijks ruim drie miljoen gulden gemoeid.

Binnen zijn de problemen zo mogelijk nog groter. Tienduizend vierkante meter vaste vloerbedekking moet jaarlijks vervangen worden. Het Brancusi-atelier is een werkplaats voor grafitispuiters. De bibliotheek op de derde etage is altijd overvol, zo vol dat men er nauwelijks kan lezen. Veel bezoekers verdringen zich hier rond de achttien fotokopieerapparaten: een duur boek schaft men zich niet meer aan. Men kijkt het in of het wordt gekopieerd, als het al niet gestolen wordt. Bijzondere boeken blijven dan ook niet lang intact. De bibliotheek heeft jaarlijks 8,3 miljoen francs beschikbaar voor uitbreiding van de collectie, maar een derde van dit bedrag wordt uitgegeven om beschadigde of gestolen boeken te vervangen.

Pompidou's kunsthuis is, zoals het in het Frans heet, pluri-disciplinair. Behalve de bibliotheek en het museum voor de moderne kunst is er een cinematheek, een 'gewone' bioscoop, een centrum voor industriële creaties, een taallaboratorium waar gratis lessen in 95 talen kunnen worden gevolgd, een audi-visueel centrum, een atelier voor kinderen etc.

Al deze onderdelen hebben een klacht gemeen: een schrijnend gebrek aan ruimte. Van de ruim 15.000 kunstwerken waarover het beschikt, kan het Museum voor de moderne kunst er maar 850 ten toon stellen. De rest is in kelders opgeslagen of uitgeleend.

De "baronnen' van deze departementen zijn in een permanente staat van oorlog gewikkeld, over ruimte, begrotingen en personeel. Van pluri-disciplianire culturele samenwerking is de laatste jaren dan ook weinig terecht gekomen, erkent de vertrekkende directeur, Helene Ahrweiler, in een vraaggesprek in een krant. Ze meent dat 'dit niet bij de Franse esprit past', zoals bijvoorbeeld wel stakingen. Daarvan zijn er vele geweest, onder andere van personeel, dat jarenlang geen duidelijke rechtspositie had en onderhoudsfirma's die niet wilden afzien van vette contracten.

Hoe het succes van het Centre Pompidou nu verder beheerd moet worden, is de vraag waarop Dominique Bozo het antwoord moet geven. Bozo is weliswaar afkomstig uit de nomenklatura van de Beaubourg, wat betekent dat hij veel vijanden heeft, maar hij geldt ook als een van de bekwaamste conservatoren van Frankrijk. Van 1969 tot 1975 nam hij actief deel aan de opzet van het Museum voor de moderne kunst, waarvan hij later, van 1981 tot 1986 directeur zou worden. In 1986 nam hij ontslag na een geschil over de begroting. In september 1990 werd hij opnieuw in zijn oude functie benoemd. Hij had ook een groot aandeel in de oprichting van de Musées Picasso.

Bozo heeft wel eens laten doorschemeren dat het Museum voor de moderne kunst alleen toekomst heeft als een soort replica van het New Yorkse Metropolitan Museum of Art. Dat zou strijdig zijn met de oorspronkelijke opzet van het Centre dat tenslotte zijn naam dankt aan de president die de door hem bewonderde moderne kunst gratis onder de aandacht van het grote publiek wilde brengen. Bozo zou niet gelukkig zijn met de collecties moderne kunst die elders in Frankrijk, bijv. in Grenoble en Bordeaux, zijn bijeengebracht.

Hoe dit ook zij, de toekomst van het museum voor de moderne kunst is een van de grootste opgaven voor de nieuwe president-directeur van de Beaubourg, omdat zoals zijn voorgangster zei "men het grote moderne niet opslaat, maar moet consumeren, uitputten, verspillen en weggooien'. Tenslotte is het Centre Pompidou met ruim acht miljoen bezoekers in 1990 ver voor het Louvre of het Musee d'Orsay Frankrijks meest bezochte kunstinstelling, die als enige ook efemere kunst produceert.