Managers plegen roofbouw op Kenianen

Hun werk kan even verwoestend zijn als dat van houthakkers die het op de jonge aanplant voorzien hebben. Atletiekmanagers op strooptocht in Afrika. De Keniaanse atletiekfederatie wil er paal en perk aan stellen. Om te voorkomen dat hun jonge talenten wegwerpartikelen worden.

TOKIO, 30 AUG. Het succesvolste Afrikaanse land op de wereldkampioenschappen atletiek in Tokio heeft zorgen. Want met dezelfde snelheid waarmee Kenia talenten voortbrengt worden ze via lucratieve contracten weggegrist uit de invloedsfeer van de nationale trainers. “Er is”, zegt bondscoach Mike Kosgei, “geen enkele manager van wie ik kan zeggen dat hij goed is. Want hij is pas een goede manager als hij veel geld verdient en dat betekent dat hij een atleet zoveel mogelijk zal willen laten lopen.”

Er wordt roofbouw gepleegd op jong talent. Het meest schrijnende voorbeeld daarvan is Richard Chelimo, die zijn zaken laat behartigen door de Brit John Bicourt. Vanaf het moment dat Chelimo, pas 18 jaar, de tien kilometer in Hengelo met 27.11,18, de tweede beste tijd ooit gelopen, op zijn naam bracht, organiseerde Bicourt bijkans een pendeldienst tussen grote evenementen. Hij waagde het zelfs om zijn "ongeslepen diamant' aan te bieden aan de organisatoren van Malmö en Zürich. Het betekende twee maal een vijf kilometer binnen twee dagen. De Zwitserse organisator Res Brügger bedankte.

De Kenianen zien machteloos toe hoe een manager die de reputatie van geldwolf geniet bezig is de loopbaan van een wereldtopper te bekorten. Collega's van hem zoals z'n landgenoot Kim McDonald en de Nederlander Raymond de Vries hebben er andere opvattingen over en staan wat dat aangaat minder onder verdenking, maar in de harde concurrentiestrijd moeten ze er wel snel bij zijn om jeugdigen te contracteren. En omdat die jongeren er op uit zijn snel veel geld te verdienen staan de zaakwaarnemers ook onder druk van hun atleet.

“We moeten naar een situatie toe waarbij managers verplicht worden samen te werken met de nationale coaches”, vindt Ernest Kaitany, bondsdirecteur van de Keniaanse federatie. En Kosgei voegt er aan toe: “Want er is ook nog zoiets als traditie. Ik ken hun achtergronden, hun gevoelens. Ik weet precies wat ik een atleet moet vertellen. De opdracht hoe de tien kilometer hier in Tokio gelopen moest worden was mijn idee.” Het was gebaseerd op teamgeest, met een ploegentactiek die aan de wielersport ontleend leek. Geen manager die zijn atleet dat zou aanraden.

Kosgei meent maandag bewezen te hebben dat Kenianen zich als eenheid kunnen presenteren. Terwijl atletiek er van oorsprong een aangelegenheid was voor twee stammen: de Kisii en de Nandi. Nu Thomas Osano (een Kisii) op de achtergrond afstopwerk verrichtte voor Chelimo en de latere winnaar Moses Tanui (beiden van de Nandi-stam) durft Kosgei wel te zeggen dat “de concurrentiestrijd tussen verschillende stammen in de atletiek niet meer bestaat. Hier is iedereen die voor ons land loopt een Keniaan en voelt zich ook zo. Het enige verschil is misschien nog de taal.”

Wat begonnen is met de Ierse broeders van St. Patrick's College, de kraamkamer van veel internationaal talent, heeft zich volgens Koskei inmiddels over heel Kenia verspreid. John Ngugi, de meervoudige wereldkampioen veldlopen, en Olympisch kampioen 10.000 meter is van een andere stam, Billy Konchellah die in Tokio zijn 800 meter titel prolongeerde eveneens. En altijd winnen ze met speels gemak. Alsof ze alleen maar geschapen zijn om records en titels bij elkaar te lopen. In Tokio is de oogst al twee maal goud, een keer zilver en een maal brons. Met kansen op meer, zoals de marathon, de 1500 en 5000 meter en vooral de 3000 meter steeple chase: het onderdeel bij uitstek van dit uitzonderlijke atletiekvolk.

Een Zweeds medisch team bezocht vorig jaar St. Patrick's om te onderzoeken hoe het toch komt dat de Nandi zo'n ongelooflijk groot aantal kampioenen voortbrengt. Tot algemeen genoegen werden longinhoud en spieren gemeten en bloedmonsters genomen. Kosgei grijnst als hij zegt: “Ze hebben volgens mij nog steeds de onderzoeksresultaten niet gepubliceerd. Ze zullen wel niks bijzonders gevonden hebben.”

Voor Kissi en Nandi geldt dat de leefomstandigheden ideaal zijn voor hardlopers. Hun woongebieden liggen op hoogte, de lucht is er net als het water schoon, de voeding goed. Bovenal is het de strijd op jonge leeftijd, die de talenten schoolt. Van januari tot maart is er een veldloopcompetitie van scholen, districten en provincies. “De cross country is onze basis. Daar werken we het hele jaar op verder. Van januari tot januari op de baan lopen zou gaan vervelen. Met de afstanden van de cross in de benen hoeven we op de baan alleen nog aan snelheid en techniek te werken”, zegt Kosgei.

In Antwerpen won Kenia begin dit jaar in alle categoriën voor teams de wereldtitel veldlopen. De 14-jarige Lydia Chermoi was er de enige die individueel goud won: bij de juniores. Op de nationale baantitelstrijd liep ze gewoon mee bij de senioren. Ze won de 10.000 meter met 43 seconden voorsprong op Jane Ngotho en Delilah Asiago. De laatste twee zijn wel in Japan, Chermoi niet. Haar trainster, de Ierse zuster Christine Heverin, vond haar nog te jong.

“We hebben voor het eerst bij de vrouwen-senioren meegedaan op de cross country”, zegt Kosgei. “Je ziet dat het een goede basis is, want hier in Tokio won Susan Sirma brons op de 3000 meter.” Het traditionele patroon van de vrouw die er is om te trouwen, kinderen te krijgen, de boerderij te leiden en ondergeschikt is aan de man begint te verdwijnen. Het is gemakkelijker om meisjes voor sport te recruteren. Al leidt de deelneming van vrouwen soms tot problemen zoals vorig jaar bij de Gemenebest Spelen waar de Afrikaanse recordhoudster op de 3.000 en 1.500 meter Helen Kinayio (21) de strijd moest staken omdat ze in verwachting bleek van haar tweede kind.

“Het niveau van de sport in ons land neemt alleen nog maar toe. In 1987 hebben we de Afrikaanse Spelen georganiseerd en zijn er uitstekende faciliteiten bij gekomen in Nairobi. Elke sport is een stap vooruit gegaan”, zegt Kaitany. Probleem is nog het tekort aan gediplomeerde trainers. Vooral voor andere onderdelen dan hardlopen. Voor technische nummers bestaat trouwens zeer geringe belangstelling. In het arme Kenia heerst de mentaliteit van zaaien en oogsten en tussen die twee mag niet te veel tijd zitten. “We specialiseren ons op de midden en lange afstanden. De sprint is in opkomst. De training daarvoor vereist niet veel geld en tijd. Om internationaal aan de top te komen heb je voor discus- en speerwerpen zeker zeven jaar nodig, voor hardlopen hooguit drie”, weet Kosgei.

In zijn begeleiding wil hij gevoel de belangrijkste rol laten spelen. “Ik geloof niet in lactaattesten. Als ik zie dat een atleet moe is of hij geeft dat zelf aan, laat ik 'm wat minder trainen. Daarvoor hoef ik hem niet mee te nemen naar een laboratorium om 'm aan machines te leggen. We willen geen robots maken van onze atleten. Natuurlijk wordt er wetenschappelijker naar de trainingen gekeken, doen we aan periodisering, maar de beslissingen worden meer met het hart dan met het hoofd genomen.”

Toch reikt zijn arm niet ver. Veel topatleten verblijven in het buitenland. Thomas Wakiihuru, in de nacht van zaterdag op zondag titelverdediger op de marathon, woont al negen jaar in Japan het land waar ook Thomas Osano zijn thuisbasis heeft. De 800-meterloper Paul Ereng, Olympisch kampioen, verblijft al jaren in de Verenigde Staten. Maar een of twee maanden voor een groot toernooi zijn ze verplicht naar Kenia te komen voor een trainingskamp en selectiewedstrijden. Dan worden ze uit de klauwen van de managers gehaald.

Kosgei: “Met toplopers hebben we niet veel problemen. Laat Paul Ereng maar een contract tekenen bij Raymond de Vries. Hij kent De Vries, hij kent de deals die organisatoren maken. Maar de uitbuiting van jongeren die voor het eerst naar Europa gaan moet voorbij zijn. Onze federatie moet het recht hebben om "nee' te zeggen tegen hun managers. Zodat wij ons werk kunnen doen. Dan hebben we volgend jaar in Barcelona op alle loopnummers iemand in de finale.”