Kan Europa vorming van nieuw Groot-Servisch rijk voorkomen?

De gehele wereld heeft afgelopen week met ingehouden adem gekeken naar de gebeurtenissen in de Sovjet-Unie. De putsch is weliswaar mislukt, maar het interne veranderingsproces lijkt nu pas goed in gang gezet. Daardoor hebben de gebeurtenissen in Joegoslavië wat minder aandacht gekregen, terwijl zich ook daar interessante ontwikkelingen voordoen. Volgens sommigen is de republiek Servië zelfs druk doende met de wederoprichting van een Groot-Servisch rijk.

De al eerder geproclameerde onafhankelijkheid van Slovenië lijkt voor alle Joegoslavische deelrepublieken een geaccepteerd feit te zijn. Weliswaar zal nog nader overleg moeten worden gevoerd over de formele relatie met het "resterende Joegoslavië', (wat dat ook moge inhouden), maar officiële tegenwerpingen worden nauwelijks meer gehoord. Dat de federale strijdkrachten (JNA) opdracht hebben gekregen zich uit Slovenië terug te trekken, is wellicht het beste bewijs voor deze stelling. Afgezien van de precedentwerking en economische motieven, zijn er ook maar weinig bezwaren tegen deze stap aan te voeren. Slovenië is immers geen echt Slavische republiek. Als hertogdom Krain behoorde het al sinds 1525 tot het Habsburgse "Stammland' en is pas na 1918 deel gaan uitmaken van het koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen, het latere koninkrijk Joegoslavië. Het heeft nauwelijks nationale minderheden binnen haar grenzen en de relaties met de "buren' zijn goed. Kortom, a piece of cake.

Dit ligt heel anders bij Kroatië, de andere republiek die onafhankelijkheid nastreeft. Kroatië maakte - evenals Slovenië - eeuwenlang deel uit van het Habsburgse rijk; het had een zekere mate van autonomie verkregen en een redelijk welvaartsniveau weten op te bouwen.

Ten zuiden van Kroatië hield Europa op. De zogenoemde Militärgrenze (zie kaart) was immers de culturele waterscheiding tussen het Europese Habsburgse rijk en het Oriëntaalse Ottomaanse rijk. De huidige tegenstellingen tussen Servië en Kroatië zijn voor een belangrijk deel daarop terug te voeren.

Die grens betekende immers dat Servië in cultureel opzicht altijd georiënteerd is geweest in oostelijke richting. Servië was een van de voorvechters van het pan-slavisme, de bevolking was overwegend lid van de Grieks-orthodoxe kerk en het gebruikte het cyrillische alfabet.

Kroatië daarentegen was gericht op het Westen, was rooms-katholiek en gebruikte het Latijnse alfabet. Alleen de spreektaal kwam min of meer overeen met het Servisch.

De Serviërs voelden zich ook de rechtmatige erfgenamen van het Zuidslavische culturele erfgoed. Zij hadden zich immers in een aantal oorlogen vrijgevochten en bovendien zelfs kans gezien om het grondgebied van Servië te vergroten. Zij hadden ook tijdens vreemde overheersing hun eeuwenoude cultuur weten te bewaren. Kroatië daarentegen voelde zich nauwelijks een Slavische natie. Onmiddellijk na de gedwongen eenwording met het koninkrijk Servië in 1918, groeide in Kroatië dan ook de begrijpelijke angst voor Servische overheersing; toen reeds werd gepleit voor een federale structuur. Die cultuurverschillen en de Kroatische vrees voor Servische dominantie zijn thans nog even actueel als toen.

Bovendien zit Kroatië opgescheept met een omvangrijke Servische minderheid. In Kroatië woonden al sinds de zestiende eeuw ruim twee miljoen Serviërs (dat was in 1941 circa eenderde van de bevolking). Deze waren indertijd uit Servië gevlucht voor de Turkse overheersers en door de Oostenrijkers gebruikt om de toenmalige grenzen met het Ottomaanse rijk (Bosnië-Hercegovina was toen nog Turks) te beveiligen van uit een soort versterkte dorpen. Dat verklaart ook waarom in het huidige Kroatië nog steeds in datzelfde voormalige grensgebied, thans voornamelijk geconcentreerd in drie gebieden, Krajina, Banija en Slavonia, een zeshonderdduizend zielen tellende Servische minderheid woont.

Gedurende de Tweede Wereldoorlog is die Servische minderheid door de fascistische en met de Duitsers heulende Ustashi-regering, onder leiding van dr. Ante Pravelic, op beestachtige wijze vervolgd en uitgeroeid. Naar schatting werden toen bijna een miljoen Serviërs door Kroaten vermoord.

Tegen die achtergrond is het begrijpelijk dat die Servische minderheid zich thans hevig verzet tegen een onafhankelijk Kroatië; de vrees te worden behandeld als tweederangs burgers is levensgroot. Die minderheid zoekt thans een vorm van politieke autonomie of misschien zelfs wel aansluiting bij Servië. Dit streven is overigens niet iets van de laatste tijd; het militantisme van die Servische minderheid heeft altijd gespeeld, maar werd toen door "het systeem' onderdrukt.

Vanzelfsprekend wordt dit vuurtje niet alleen aangewakkerd door Servië, maar wordt dit streven ook op alle mogelijke manieren gesteund. Hierbij moet worden opgemerkt dat die drie Kroatische gebieden waarin die Servische minderheden wonen, nimmer deel hebben uitgemaakt van Servië. Daardoor missen eventuele Servische terroritale aanspraken daarop, elke formele grond.

De doelstellingen van Servië lijken duidelijk. Servië heeft uiteindelijk ingezien dat het uiteenvallen van de huidige federale staat Joegoslavië onafwendbaar is, zij het dat de uiteindelijke vorm van een "nieuw Joegoslavië' nog volslagen onduidelijk is. Het staat weliswaar vast dat Slovenië en Kroatië als onafhankelijke staten hun eigen weg zullen gaan, maar de toekomstplannen van de overige deelrepublieken zijn nog vaag. Vele opties staan nog open; zelfs een door Servië gedomineerd "mini-Joegoslavië' behoort tot de reële mogelijkheden.

Het is in elk geval in het belang van Servië om zo sterk mogelijk uit de huidige ondoorzichtige overgangsfase te komen. Machtsvergroting en gebiedsuitbreiding zullen dan ook de doelstellingen zijn. Om deze te bereiken wordt de nationalistische trom geroerd, waarbij het volgende scenario lijkt te zijn gekozen.

De eerste fase, intern "orde op zaken stellen' door het monddood maken van de zelfstandige provincies Vojvodina en Kosovo, is reeds achter de rug. In hoeverre dat geslaagd is moet de tijd leren, maar naar verwachting zal met name Kosovo zich niet zonder meer bij deze situatie neerleggen.

In een tweede fase zal worden geprobeerd de reeds genoemde Servische minderheden in Kroatië “Heim ins Reich” te brengen, waarbij waarschijnlijk zal worden begonnen met Slavonia. Dit gebied ligt immers militair-geografisch zeer gunstig in een enigszins geïsoleerde hoek van Kroatië en onder onmiddellijk steunbereik van Servië. Kortom, een soort herhaling van het Duitse optreden in het Sudetenland in oktober 1938.

Na een geslaagde "Anschluss' van Slavonia zou vervolgens een aansluiting tot stand kunnen worden gebracht met het gebied Banija en wellicht zelfs met Krajina. Uitvoering van dit deel van de operatie is niet eenvoudig, aangezien deze twee gebieden immers niet direct vanuit Servië kunnen worden ondersteund.

De Servische beheersing (wellicht zelfs gevolgd door "grenscorrecties') van die drie gebieden zou desastreuze gevolgen voor Kroatië hebben. Kroatië zou dan in het zuiden geheel worden begrensd door Servische gebied, langs een grens globaal lopend van Karlobag - Karlovac - Sisak - Pakrac - Nasice. Daardoor zou het zuidelijke (thans Kroatische) deel van de Adriatische kust feitelijk zijn afgesneden van Kroatië, waardoor Kroatië met circa vijftig procent zou worden gereduceerd.

Door deze operatie zou Bosnië-Hercegovina nagenoeg geheel omgeven zijn door Servië. Dat zou Servië de gelegenheid bieden om vervolgens - relatief ongehinderd door Kroatië - fase drie van het scenario uit te voeren. In die fase zou (tenminste een deel van) Bosnië-Hercegovina (met een bevolkingssamenstelling van plusminus dertig procent Kroaten, dertig procent Serviërs en dertig procent moslims) binnen de Servische invloedssfeer moeten worden gebracht, danwel ingelijfd.

Of een dergelijk Servisch "master-plan' in werkelijkheid ook bestaat, of dat door Servië slechts wordt gereageerd op zich toevallig voordoende mogelijkheden, is uiteraard onbekend. Toch lijkt achter de recente gebeurtenissen in Kroatië enige orkestratie te zitten.

Aangenomen dat een dergelijk scenario zou bestaan, blijft de vraag wat de kans van slagen zou zijn. De beantwoording daarvan brengt ons bij de krachtsverhoudingen tussen de “strijdende partijen”.

Aan Servische zijde kunnen globaal drie groeperingen worden onderkend. - Allereerst de Servische minderheid zelf, ongeveer zeshonderdduizend zielen tellend (ongeveer twaalf procent van de Kroatische bevolking). Deze minderheid is echter verdeeld over een relatief groot gebied en vormt nergens een (zelfs maar lokale) meerderheid. Slechts als door intimidatie en terreur de Kroatische bevolking uit deze gebieden zou kunnen worden verdreven, zou die meerderheid kunnen worden opgebouwd. Die situatie lijkt zich thans te gaan voordoen. De strijdgroepen van deze Servische minderheid beschikken in het algemeen over lichte, vaak verouderde bewapening, maar hebben een uitstekende kennis van het terrein. - De Servische minderheid wordt gesteund door een allegaartje van - uit Servië afkomstige - nationalistische bewegingen. Kleine legertjes, zoals bijvoorbeeld dat van "kapitan Dragan', de "Cetniki' van Vojislav Seselj of de strijders van de SPO onder leiding van Vuk Draskovic. Groeperingen met de meest uiteenlopende motieven, sommigen dragen zelfs de oude monarchistische adelaar op de muts; zij hebben echter één ding gemeen, het zijn allen vurige Servische nationalisten. Deze groeperingen zijn in het algemeen uitgerust met lichte, moderne handvuurwapens en lichte mortieren. Ze zijn fanatiek en sommige zijn zelfs goed geoefend. - Als derde groepering moeten de federale Joegoslavische strijdkrachten (JNA) worden genoemd. Deze lijken steeds meer de Servische kant te kiezen, wat overigens niet verwonderlijk is.

De Serviërs en Montenegrijnen waren traditioneel al oververtegenwoordigd in de JNA en naarmate steeds meer Slovenen en Kroaten zich onttrekken aan de dienstplicht, wordt dit effect alleen maar versterkt. De actuele sterkte van de JNA valt niet meer in te schatten. De aantallen die vermeld staan in de meest recente "Military Balance' zijn immers als gevolg van desertie, het zich onttrekken aan de dienstplicht en het sterk gekrompen budget volledig achterhaald. Desondanks moet het thans nog resterende deel van de JNA - in elk geval in een beperkt regionaal conflict - worden beschouwd als een goed geoefende, relatief modern uitgeruste krijgsmacht.

Aan Kroatische zijde wordt slechts beschikt over de Kroatische Nationale Garde, in feite het Kroatische leger in oprichting. De oorspronkelijke basisstructuur voor deze Nationale Garde werd gevormd door de Territoriale Organisatie (TO), die in het oude bestel een deel van de JNA was. Deze TO was een geheel mobilisabele organisatie die georganiseerd en uitgerust was volgens JNA-model. De (mobilisabele) militairen hadden allen hun dienstplicht bij de JNA vervuld en waren dus redelijk goed geoefend. De TO beschikte zelfs - zij het zeer beperkt - over zwaardere wapens zoals tanks, artillerie en dergelijke. Ongeveer acht maanden geleden werden - kennelijk uit voorzorg - deze zwaardere wapens door de JNA in beslag genomen.

De Nationale Garde bestaat thans uit ongeveer negen brigades, elk met een actieve en een mobilisabele component. De parate sterkte zou ongeveer tachtigduizend man bedragen. Ze zijn voornamelijk uitgerust met lichte handvuurwapens, lichte draagbare anti-tank wapens en lichte mortieren. Sommige wapens zijn sterk verouderd; op de tv werden recentelijk tenminste beelden getoond van een mitrailleurschutter die bewapend was met een BREN-mitrailleur, een typisch WO-II wapen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de pers steeds meer berichten opduiken van Kroaten die in het buitenland op zoek zijn naar moderne en zwaardere wapens.

Zelfs een oppervlakkige vergelijking van de krachtsverhoudingen toont aan dat de Kroaten geen schijn van kans hebben in een wat grootschaliger confrontatie met Servië.

Indien Servië de vrijheid neemt de interne grenzen ter discussie te stellen en - vooruitlopend daarop - thans alvast maar een voorschotje te nemen, is Kroatië niet bij machte dat op eigen kracht te voorkomen. Daartoe zal het steun van buiten moeten krijgen, in welke vorm dan ook.

Indien Europa de vorming van een nieuw Groot-Servisch rijk op de Balkan wil voorkomen, zal het dus maatregelen moeten nemen. En snel ook.