Ik wilde een leven snel en hijgend van denken; Het laatste vraaggesprek met Bep Vuyk

Vorige week overleed op 86-jarige leeftijd Beb Vuyk, schrijfster van de Indische romans Duizend eilanden en Het laatste huis van de wereld. Kort voor haar dood sprak ze uitvoerig over haar jaren in Indië en haar sympathie voor het Indonesische nationalisme. “Er is bij mij nooit iets zonder heibel gebeurd.”

“Weet je wat mij zo tegenstaat? Dat ik een vechter word genoemd, een strijder die opkomt voor de rechten van de mens. Dat is niet zo. Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat mijn werk voor een groot deel autobiografisch is. Ik ben een verteller en omdat ik zelf niks verzinnen kan beschrijf ik alles wat er om mij heen gebeurt. Dat ik altijd over Indo's schrijf, is omdat ik altijd over mijn man en mezelf schrijf. Wij zijn nu eenmaal Indo's. Zo eenvoudig zit dat. Maar die gekke Indo's met hun complexen kunnen mij geen pest schelen.”

Beb Vuyk heeft vanuit haar poppenhuisje in Loenen een magnifiek uitzicht over de Vecht. We praten over de tentoonstelling over Maria Dermoût, H.J. Friedericy en haar zelf die dit voorjaar in het Letterkundig museum werd gehouden. Ze heeft er gemengde gevoelens over: “Met de tentoonstelling zelf ben ik erg gelukkig, vooral omdat de Indische bellettrie in Nederland een vergeten groep dreigde te worden. Maria Dermoût bewonder ik zeer. Haar roman De Tienduizend Dingen beschouw ik als een van de beste boeken uit de Nederlandse literatuur. Maar ik ben boos over het boek dat naar aanleiding van de tentoonstelling is uitgekomen. Joop van den Berg heeft hierin mijn leven en werk beschreven.” Ze pakt het boek en leest met onvaste stem: “Beb Vuyk doet in 1942 als Indo-Europese een keuze voor de Europeanen en laat de poorten van het interneringskamp achter zich sluiten. Alsof ik vrijwillig het kamp ben ingegaan! Het is klets, hij weet niet waarover hij praat. Toen de oorlog in Azië uitbrak, moest iedereen met de Nederlandse nationaliteit zich bij de Japanners melden, ook de Indo's. Maar de Japanners wisten niet zo goed wat ze met hen aanmoesten. Zij waren gewend aan de Britse koloniën met drie strikt gescheiden bevolkingsgroepen: Engelsen, kleurlingen en inlanders. In Indië liep dat meer door elkaar heen. Dus wat gebeurde: de Japanse bepalingen gingen per streek verschillen. In de ene streek verdwenen de Indo's zonder pardon het kamp in, in de andere niet. Het is absolute onzin om te zeggen dat ik vrijwillig het kamp ben ingegaan. Mijn man was krijgsgevangene en daarom belandde ik samen met de kinderen in het kamp.”

Bij het grote publiek bent u vooral bekend geworden als kookboekenschrijfster, steekt dat?

“Ik zeg wel eens: ik leef vàn mijn kookboeken en vóór mijn literaire werk. Het irriteert me als ik mensen hoor zeggen: o ja, Vuyk van die kookboeken. Maar ik voel me niet miskend. Ik heb drie grote prijzen gehad waaronder de Constantijn Huygensprijs. En altijd goede kritieken. Ik heb mij alleen miskend gevoeld omdat ik voor de republiek Indonesië was. Dat werd in Nederland niet geaccepteerd.

“Du Perron heeft mij veranderd. Toen ik in Indië aankwam, was ik een gewone koloniale mevrouw. In 1938 bracht Du Perron mij in contact met Indonesische intellectuelen en nationalisten. Na de bezetting kwam die groep weer bijeen. Ik ging schrijven voor een felle anti-Soekarno-krant en geloofde zeer in de idealen van de republiek.”

Eind 1946 schreef haar zusje: als je pappie nog levend wil zien moet je nu naar Nederland komen, hij heeft een ernstige attaque gehad. “Toen ik in Nederland was, probeerde ik uit te leggen hoe de situatie in Indonesië in elkaar zat. Dat werd mij niet in dank afgenomen. Het rechtse Holland, het koloniale, het ambtelijke viel over mij heen. In Indië verschenen smerige stukken over mij in de koloniale kranten. Ik werd scherp veroordeeld, een landverrader genoemd.” Ze zwijgt. “Dat ik daardoor prijzen niet kreeg! In 1942 moest ik in de krant lezen dat mij de Van der Hoogt-prijs was toegekend voor mijn roman Het Laatste Huis van de Wereld. Maar toen ik na de oorlog in Holland kwam, hoorde ik niets meer van die prijs. Er was protest gekomen van Top Naeff en Pommetje Nijhoff: collaborateurs met de Duitsers kregen voorlopig geen prijzen meer en zij heeft gecollaboreerd met de republiek Djokja. De republiek Djokja!”

Heeft u de prijs nog gekregen?

“Ik kreeg een cheque thuisgestuurd, er was geen fuif of iets bij. Ach er is bij mij nooit iets zonder heibel gebeurd.”

Waarom kozen u en uw man in '49 na de soevereiniteitsverklaring voor de Indonesische nationaliteit?

“Tja luister eens, alle Hollanders moesten het land uit. Wij voelden ons zeer verbonden met het land, het volk en de cultuur. We waren Hollandse socialisten en we werden Indonesische socialisten. Het leek voor ons een normale manier van handelen.”

Waarom bent u in 1958 als opponent van het regime-Soekarno weggegaan?

“Ja maar... noteer: wij hebben het land vrijwillig verlaten. Wij zijn er niet uitgegooid zoals zo vaak wordt beweerd. Je moet goed begrijpen, ik was voor een vrij Indonesië en niet voor een communistisch Indonesië en in die tijd stonden er alleen nog maar communisten achter Soekarno. Bovendien werden de eerste tekenen van desintegratie duidelijk, financiële en politieke corruptie, rechtsonzekerheid. Mochtar Loebis, mijn hoofdredacteur, zat al een jaar gevangen. Vrienden werden gearresteerd, anderen gingen in vrijwillige ballingschap. Toen zijn wij ook weggegaan. Vrienden zeiden: "Beb, ga jij naar Holland, schrijf over ons, daar kun je meer doen dan hier.”'

Was u teleurgesteld?

“Ik was woedend. We kwamen hier trouwens het land niet meer in. We kregen geen visum. Indonesië had alle Nederlanders eruit gegooid, dus Indonesiërs kwamen hier niet meer binnen. We zijn eerst naar West-Duitsland gegaan en vandaar is het uiteindelijk geregeld.”

U heeft gezegd dat in Nederland niet gediscrimineerd werd en dat u pas echte rassendiscriminatie in de kolonie bent tegengekomen?

“Ik kan mij herinneren dat toen ik pas in Indië was iemand tegen mij zei: je spreekt als een totok (blanke) maar je ziet eruit als een Indisch meisje. Ja, antwoordde ik dan, dat komt omdat ik een Madoerese grootmoeder heb. Dan zwegen ze. Dat zei je niet. Je kon nog zeggen dat je ergens ver weg een beetje Indisch bloed had, maar meestal zei je dat het Spaans of Italiaans was. Of er was een prinses van koninklijke bloede. Dat kon ook nog.”

Was u trots op uw afkomst?

“Ja heel erg. Ik ben geboren en opgegroeid in Delfshaven. Mijn vader was een Indo-Europeaan. Hij had een drukke werkkring als scheepsbouwkundig ingenieur. Hij was geboren op Java, had een Madoerese moeder. Als jongetje van 5 jaar stuurde zijn vader hem samen met zijn broertje naar Nederland. Drie maanden hebben ze over die reis gedaan, zeilend rond de Kaap de Goede Hoop. Dat heeft altijd enorm tot mijn verbeelding gesproken.

“Van de drie kinderen was ik de donkerste, mijn broer Wilton had zelfs blond haar en blauwe ogen. Wij vonden die grootmoeder machtig interessant, er werd thuis vaak over gesproken. Ik werd ook wel eens gepest hoor, of nageroepen op straat. Maar daar trok ik mij weinig van aan. Ik was trots op die grootmoeder. Ik wilde helemaal niet zoals die andere kinderen zijn, het gaf mij een gevoel van vervreemding, het zette mij apart.

“Mijn moeder was erg vroom. Eigenlijk ben ik weggevlucht voor het ideaal van mijn moeder. Zij was een huisvrouw die zich al schuldig voelde als er stof op het tuinhekje lag. Mijn zusje is precies volgens dat ideaal opgegroeid, keurig en altijd netjes in de kleren. Wel een baantje hebben maar dan voor halve dagen en daarna gezellig thuis bij moeder een kopje thee drinken. Dat was ook mijn moeders bedoeling met mij maar dat wilde ik niet. Ik wilde een leven snel en hijgend van daden. Zo rond mijn tiende besloot ik om schrijfster te worden en om naar het land van mijn vader te gaan.”

Op haar drieëntwintigste vertrok ze. Tijdens de zeereis ontmoette ze Fernand de Willigen. Hij had een Nederlandse vader en een Ambonese moeder. “Ik werd enorm verliefd op hem.” Ze wijst op een portret. “Vind je het ook geen knappe man? Fernand is opgegroeid op het Molukse eiland Boeroe, een verre vreemde uithoek van de wereld. Zijn vader was een gepensioneerd officier, een Knil-militair. Hij had daar vijftig kajoepoetih-olie stokerijen gekocht, een soort eucalyptus die vluchtige olie oplevert. Voor kinderen was dit onontgonnen eiland een waar paradijs.” Ze leest voor: “"Een huis moest nog gebouwd worden. De weg erheen leidde door een moeras, gevaarlijk door de krokodillen. Er werden vruchtbomen geplant, een klappertuin aangelegd en groenten gezaaid. De kinderen zochten drijfhout langs het strand of bouwden forten en huisjes in de bossen.' Ik werd niet alleen verliefd op mijn man maar ook een klein beetje op dat verleden.”

Pioniers

Door de economische crisis verloor Fernand aan het begin van de jaren dertig zijn baan. “We besloten naar de Molukken te gaan om de inmiddels verlaten kajoepoetih-onderneming nieuw leven in te blazen. We gingen in het laatste huis van de wereld wonen, het huis dat nog gebouwd was door de oude heer De Willigen. We leefden daar als pioniers.” Ze leest voor uit Het laatste Huis van de Wereld: “We maakten tochten langs de hoge Molukse kapen en door gevaarlijke stromingen tussen de kleine eilanden door in een zeilprauw van nog geen acht meter. Het leven was een verrukkend avontuur.”

“Ik heb geschreven over de doodsangsten die ik heb uitgestaan toen mijn jongste zoon Ru werd geboren. Op het hele eiland was geen dokter of kraamhulp. Eens in de twee weken voer een boot door de Straat Boeroe naar Ambon, tachtig mijlen over water naar de dokter. Tachtig mijlen tussen leven en dood.

“In 1942, toen de oorlog in Zuidoost-Azië uitbrak, was ik op Java. Er bekroop mij een heel fysiek gevoel: Nu komt de grote ramp over ons. Maar in eerste instantie ging alles erg gemoedelijk. We moesten ons bij de Japanners melden en liepen vervolgens vrij naar de treinen samen met onze bediendes.

“De meeste Indo's wilden de kampen in. Dan was je erg Europees, ze vochten erom. Zo werden ze nog Nederlandser. Bovendien waren ze daar veilig voor de Japanners. In het kamp heb ik geen enkele keer meegemaakt dat een Japanner een vrouw aanraakte, buiten het kamp gebeurde dat wel. De Japanners waren bang voor hun eigen Kempitai, de Japanse gestapo. Er heerste een ijzeren discipline, het was wel eens zielig om te zien.”

Hoe was uw houding ten opzichte van de Japanners?

“Ik heb geen hekel aan Japanners, ik heb ze in het kamp nooit gehaat. Ik hield wel een gepaste afstand. Dat zei ik ook tegen mijn kinderen. Japanners zijn namelijk dol op kinderen. Ru was zeven toen we in het kamp kwamen en ik zei: "Ru je houdt afstand, je blijft beleefd maar je houdt afstand.' Sommige andere vrouwen waren ronduit racistisch. Die zeiden: hadden we maar onder de Duitsers gezeten en niet onder die gele apen, dan was het niet zo erg geweest. Die neerbuigende houding voelden de Japanners natuurlijk ook.

“Dat buigen vonden die vrouwen ook zo verschrikkelijk, ze begrepen gewoon niet dat het bij hun cultuur hoorde. Ik realiseerde mij in 1939 al dat er miljoenen mensen in die oorlog zouden sterven. Ik begreep dat als wij alleen ons naakte lijf konden redden, wij ons onder de bevoorrechten van onze generatie moesten rekenen.”

Waarom heeft u tot 1989 gewacht met het uitgeven van uw kampdagboeken?

“Als er zoveel jaren tussen zitten is het gemakkelijker afstand te nemen van de gebeurtenissen. Je staat er vrijer tegenover. Fernand werkte tijdens de oorlog aan de Birmaspoorlijn in Thailand. Toen ik die dagboeken schreef, waren we van elkaar gescheiden. In 1986 is hij gestorven. Toen waren we weer niet samen.”

Hoe was de situatie toen de oorlog afliep?

“Deze periode is schokkender geweest dan mijn kampjaren. Voor mij zijn de jaren in het kamp geen verloren jaren geweest. Ik heb er veel mensenkennis opgedaan, mensen leren kennen in hun naakte bestaan. Verwende koloniale vrouwtjes, jong getrouwd, heb ik zien ontpoppen tot sterke persoonlijkheden. Na de bezetting brak er een andere oorlog uit. Deze werd alleen door beide partijen geen oorlog genoemd maar "vrijheidsstrijd' en "politionele acties'. Gruwelijke dingen zijn er gebeurd. Gruwelijk want gepleegd door Indonesiërs en Nederlanders. Niet door vreemdelingen en vijanden, Duitsers of Japanners maar door eigen mensen, verwanten, je neven bij wijze van spreken. De Nederlanders waren ook vreselijk, die hebben ook kampongs uitgeroeid en mensen in een wagon van een trein opgesloten waardoor de helft later bleek te zijn gestikt. Ja zulke dingen gebeuren bij ons.”

Bent u nog terug geweest op Boeroe?

“In 1970 heb ik voor de Volkskrant over de politieke gevangenen in Indonesië geschreven. Ik heb daar veel kritiek op gekregen. Boeroe was een soort verbanningsoord geworden, ik schreef daar heel genuanceerde stukjes over. Ik constateerde dat de mensen op Java, opgesloten in stikvolle gevangenissen, de hele dag niks te doen, er veel beroerder aan toe waren dan de gevangenen op Boeroe. Die hadden een stukje grond en genoeg te eten. In Holland waren ze daar enorm boos over. Ditmaal was het de linkse pers die over mij heen viel. Maar het kan me allemaal geen pest meer schelen.”

Had u niet oud willen worden in Indonesië?

“De politiek hè. Toen generaal Soeharto in 1965 aan de macht kwam, hoopten we dat hij de democratie zou herstellen maar dat is niet gebeurd, in 1970 was mij dat wel duidelijk.

“De dood van mijn jongste zoon Ru heeft veel in ons leven veranderd. Ru was nationalist. Hij is diergeneeskunde gaan studeren omdat Indonesië een tekort aan dierenartsen had. Tot aan zijn kandidaats heeft hij in Indonesië gestudeerd. Daarna is hij naar Nederland gekomen omdat het peil van het onderwijs enorm kelderde. De Nederlandse professoren vlogen eruit en Duitsers uit de DDR, soms met een nepdiploma die bovendien plat Duits spraken, namen hun plaats in. In 1961 vlak na zijn afstuderen is hij verongelukt. Tegen een boom aangereden bij Bergen op Zoom. Dat was een keerpunt.

“In 1981 ben ik met mijn man voor het laatst teruggegaan naar Indonesië. Ik heb een boek over die reis geschreven, Reis naar het vaderland in de verte. Niet uit nostalgie maar om onze oude en pijnlijke botten aan de zon te verwarmen. Twee oude mensen die reizen met staar en stokken. Het laatste huis van de wereld stond er niet meer. In de oorlog hadden de Japanners er een benzineopslagplaats van gemaakt en in '45 is het door de Amerikanen gebombardeerd.

“Bij de notaris in Nederland hadden wij ons testament laten opmaken. We spraken af in het geval één van ons zou komen te overlijden, we begraven wilden worden op Boeroe of anders gecremeerd.

“Zo hebben we vijf maanden rondgereisd met dat contract op zak. Maar het is niet nodig geweest. Toen Boet stierf, hebben wij zijn as uitgestrooid over het graf van Ru hier in Loenen.

“Als je oud wordt, gaan andere dingen tellen. Bijvoorbeeld dat ik bezig ben blind te worden. Ik heb enorm veel moeite met lezen. Ik gebruik vaak dit vergrootglas. En ik luister naar boeken, gesproken boeken.”

Kapmessen

Beb Vuijk wilde nog een boek schrijven samen met haar oudste zoon Hans. “Na de oorlog ben ik Hans op gaan halen uit het jongenskamp in Bandung, hij was een jaar of twaalf. In eerste instantie wilde hij helemaal niet met mij mee. Hij had een baan gevonden als bandenplakker bij een fietsenmaker en hij mocht zoveel eten als hij wilde, iedere dag. Tijdens die treinreis hebben we een stukje revolutie meegemaakt. Ik heb dat zijdelings in "Het verhaal van de toeschouwer' verwerkt maar nooit duidelijk opgeschreven. In de trein waarschuwde een oude Chinees mij: Ik mocht Hans niet de trein uit laten gaan, er dreigde gevaar. We rolden een stationnetje binnen. Ik zag dat ze uit de eerste en tweede klas een groep Hollanders haalden, de derde klas sloegen ze over. We stoomden langzaam door en aan het einde van het perron stond een groep mannen met een rode lendedoek om, grote kapmessen in hun handen en een wilde blik in hun ogen. Ik weet niet precies wat er gebeurd is maar de verhalen gingen dat die Hollanders zijn afgeslacht. Hans kan zich dat niet meer herinneren. Hij was boos omdat hij de trein niet uit mocht om wat te eten. Hij wist nog wel dat ik in Jakarta heb gezegd: "Ren voor je leven'.

“Laat in de avond kwamen we in Jakarta aan. De stationschef zei: het is hier onveilig, gaat u maar naar de Engelsen aan de overkant. Maar de Engelsen wilden niets met ons te maken hebben: Uw eigen marine zit hier op de hoek. Bij de overweg werd geschoten. De trein moest nog doorstomen, het was een lange trein die tussen ons en die plek waar geschoten werd doorschoof. Toen heb ik Hans bij zijn hand genomen en gezegd: "Ren voor je leven'.

“Ik zou hem uit willen laten vertellen, hoe hij de dingen heeft gezien. Hans heeft de gave voor taal. Hij heeft mij eens geschreven: "Mammie ik ben geen idealist zoals mijn broertje maar Indonesië is een land dat vasthoudt wat het eenmaal bezat'.

“Ik heb geleefd zoals ik dat als klein meisje voor me zag, ik wilde veel beleven, ik las Marsman en ik koos niet voor een groots en meeslepend, maar voor een bewogen leven. Huisvrouw in Holland, met kinderen, vuile luiers en misschien een dienstmeisje. Ik moet er niet aan denken. Waar had ik dan over moeten schrijven?”