Honderd jaar opvang Leger des Heils; Mensen komen voor hulp, niet om te horen hoe lief de Heer is

AMSTERDAM, 30 AUG. De argwaan was groot. Toen eind vorige eeuw duidelijk werd dat de stichter van het Leger des Heils, William Booth, zijn activiteiten wilde uitstrekken tot buiten Engeland viel bijkans de hele Nederlandse pers over hem en zijn volgelingen heen.

Lezers van het katholieke dagblad De Tijd bijvoorbeeld werden in mei 1887, aan de vooravond van de eerste openbare bijeenkomst van het Leger in Amsterdam, gemaand zich verre te houden van de “ongeoorloofde optochten en godsdienstopschroeving”. Kerken laakten het feit dat het Leger niet veel ophad met geloofsartikelen en met “de genoegzaamheid der Heilige Schrift.” Zij moesten weinig hebben van de heilssoldaten die niet alleen in theorie maar ook in de praktijk tekeer gingen tegen de maatschappelijke ellende onder grote delen van de bevolking.

De kritiek is allang verstomd en de afdeling welzijns- en gezondheidszorg van het Leger des Heils heeft een plaats veroverd binnen de reguliere hulpverlening. Vandaag wordt herdacht dat honderd jaar geleden de Legerreclassering begon. En morgen wordt in de Nieuw Kerk in Amsterdam het feit herdacht dat op 1 september 1891 het eerste opvanghuis van het Leger des Heils voor thuislozen werd geopend. Op dit moment telt Nederland zeven opvanghuizen van het Leger des Heils.

“Nee zeg! Mensen komen in eerste instantie om geholpen te worden, niet om te horen hoe lief de Heer is.” De direkteur van het Amsterdamse opvanghuis van het Leger des Heils, H. Dijkstra, weet dat het geen zin heeft het evangelie te prediken aan mensen voor wie de strijd om het bestaan op de eerste plaats komt. “Allereerst zal men die mens vaste grond onder de voeten en levensruimte moeten bieden”, zoals William Booth vorige eeuw schreef.

Dat wisten ook de vrijwilligers van het Leger die rond de eeuwwisselling gevangenen bezochten en hulp boden aan ex-gedetineerden, toen nog onder regie van het Nederlands Genootschap tot Zedelijke Verbetering van Gevangenen. Dit Genootschap streefde vooral naar (religieuze) verheffing van de gedetineerde en had minder oog voor praktische zaken zoals het zorgen voor huisvesting en werk na het uitzitten van de straf.

Daar hadden de heilssoldaten nu juist wel oog voor. Er kwamen barmhartigheidstehuizen, reddingshuizen voor vrouwen en meisjes, toevluchtsoorden voor vrouwen, mannen en kinderen, industriële inrichtingen voor mannen en een landkolonie. “Het hebben van deze voorzieningen maakte het Leger tot een waardevolle partner bij het bedrijven van hulp aan ontslagen gevangenen. Immers, het beschikte over de mogelijkheid tot opvang”, aldus de auteurs van het boek "Tussen roeping en beroep', waarin een beeld wordt geschetst van 100 jaar reclasseringswerk door het Leger des Heils, dat in 1914 officieel werd erkend als reclasseringsinstelling. Van het totale reclasseringswerk neemt het Leger tegenwoordig negen procent voor zijn rekening.

De opvang voor dak- en thuislozen was al even praktisch. Met drie maaltijden, kleding en een bed werd destijds de nood gelenigd. Door de jaren heen is de hulpverlening uitgebreid. Het besef drong door dat een thuisloze niet per definitie ongeschikt is voor een baan en onder begeleiding ook elders zou kunnen wonen dan in het opvanghuis.

Dagelijks kloppen thuislozen bij directeur Dijkstra aan voor hulp. De KLM-piloot die de stress van zijn werk niet meer aan kon, ging drinken en steeds verder het moeras inzakte. De distributeur van een internationaal tijdschrift die op straat en in het café een oplossing dacht te vinden voor zijn problemen. De twee 20-jarige jongens die nog onlangs bij Dijkstra kwamen: gek van eenzaamheid waren ze.

Bij de oppervlakkige waarnemer bestaat volgens hem nog altijd de indruk dat een thuisloze “wel aan de fles zal zijn”. Maar het merendeel van de 65 mannelijke bewoners van het opvanghuis heeft geen problemen met alcohol. Dijkstra: “Ze zijn in de problemen gekomen omdat ze de sociale vaardigheden missen die nodig zijn om dingen op te lossen. Ze hebben bijvoorbeeld moeite met het onderhouden van relaties, het lukt hen niet op tijd op hun werk te verschijnen, ze kunnen geen spanningen hanteren. Gaan de straat op. Drank is dan wel een uitlaatklep, maar het is niet zo dat een thuisloze per definitie ook een alcoholist is.”

De grootste groep bewoners is tussen de dertig en vijftig jaar oud. De laatste jaren melden zich echter steeds meer jongeren die een dak boven hun hoofd zoeken. Ook het aantal psychisch gestoorden is toegenomen. “Zij doen een groot beroep op de capaciteit van de thuislozenzorg. Ik vraag mij weleens af of die daarvoor is opgezet. Maar we wijzen niemand de deur”, aldus Dijkstra.

Dat betekent niet dat het opvanghuis kan worden beschouwd als eindstation. Integendeel, is een bewoner eenmaal tot rust gekomen, dan wordt gekeken waar hij te werk kan worden gesteld. In de eigen drukkerij, op de schilder- en timmerwerkplaats of bij de poetslappensnijderij, waar balen kleding tot poetslappen worden verwerkt die over de hele wereld worden gedistribueerd. Vooral Koeweit is na de Golfoorlog een grote afnemer van poetslappen.

Dijkstra: “Herintreden op de reguliere arbeidsmarkt gaat heel moeilijk. Zegt iemand bij een sollicitatie: ik heb bij het Leger des Heils gezeten, dan is hij al verloren. Dus hebben we zelf hier werkplaatsen geschapen. De lappensnijderij is sinds 1 mei van dit jaar een WSW-project geworden met voor een aantal bewoners een vaste baan en een vast salaris. Hoeven ze niet meer naar de sociale dienst.”