Het recht op woede; De terreur van het slachtofferschap

Het recente bezoek van premier Kaifu en zijn kranslegging riepen stormen van verontwaardiging op onder oud-geïnterneerden van kampen in Nederlands-Indië. De slachtofferstatus leidt bij sommigen zelfs tot racistische uitspraken over Japanners. Die nadruk op het leed is volgens Rudy Kousbroek een gecultiveerd verschijnsel. “Olie op het vuur door het aanmoedigen van verongelijktheid en onlust, het mobiliseren van onvrede, het koesteren van zelfbeklag.”

Slachtofferschap is in. Het verovert de wereld. Slachtoffers hebben altijd gelijk. En slachtofferschap kan geclaimd worden om vele redenen: onderdrukking en vervolging om ras, geslacht, seksuele geaardheid, geloof, politieke overtuiging, de loop der geschiedenis en nog veel meer.

Uit Amerika komen berichten over een nieuwe vorm van intolerantie, die daarginds vooral aan de universiteiten om zich heen grijpt: het begrip "PC', "politically correct'. "The canons of PC require suppression of anything that might give offense on the grounds of gender, sexual preference, race or ethnicity', schreef Flora Lewis in de International Herald Tribune. “Beroepen op de waarheid zijn geen geldig argument. Alles waar degenen die aanspraak maken op een erkende slachtofferstatus bezwaar tegen hebben wordt gedefinieerd als kwetsend.”

De bronnen waaruit deze intolerantie is gegroeid zijn de radicale vormen van feminisme en antiracisme, die iedere vorm van tegenspraak of kritiek brandmerken als discriminatie, met consequenties die nu bezig zijn bekend te worden (zie o.a. het artikel van Maarten Huygen in het Z-bijvoegsel van 27 april 1991). Volgens een door Flora Lewis geciteerd rapport hebben al 350 Amerikaanse universiteiten hun curriculum aangepast, door het verwijderen van wat in PC jargon de "dead white male' standaard heet - d.w.z. overleden blanke mannelijke beroemdheden als Dante, Shakespeare, Molière, Goethe, Cervantes, etc. die niet langer voorgesteld mogen worden als superieur aan zwarte, vrouwelijke, levende auteurs uit andere werelddelen, want dat kwetst hen in hun diepste gevoelens. “Ogenschijnlijk heeft PC het doel minderheden te beschermen”, schrijft Lewis, “en het bewustzijn van hun waarde en menselijke waardigheid er in te hameren. Maar in de praktijk vernietigt het 't vrije woord, de intellectuele maatstaven en ethische uitgangspunten waarop de Westerse democratie (een andere is er tot dusver niet) is gebaseerd.”

Een wat minder gearticuleerde vorm van deze terreur bestaat overigens al veel langer, en niet in de laatste plaats in het zichzelf als zo verdraagzaam beschouwende Nederland. Nog onlangs klaagde een lid van de projectgroep Sociale Vernieuwing, die het gewaagd had te waarschuwen dat de groep die in Amsterdam voor de grootste overlast zorgt uit Marokkanen en Antillianen bestaat, dat een dergelijke feitelijke constatering niet bespreekbaar is: “Het Nederlands Centrum Buitenlanders heeft jarenlang het grootste gruis van de wereld over me uitgestort toen ik waarschuwde: mensen, dit gaat fout! Op het moment dat je kritische vragen ging stellen kreeg je de Anne Frankstichting en het Landelijk Bureau Racisme Bestrijding achter je aan. Alles werd met een sausje van liefde, aandacht en afhankelijkheid van de hulpverlening bedekt. (-) Er is geen land ter wereld waar tolerantie zo'n dwingend opgelegde sociale norm is.” (J. Beerenhout, Volkskrant 24 juni).

Kwetsend

Het aspect dat mij persoonlijk al jaren bezighoudt is uiteraard de rol van de Indische ex-geïnterneerden (waartoe ik behoor) en hun aanspraken op slachtofferschap, dat dezelfde trekken vertoont: “alles waar degenen die aanspraak maken op een erkende slachtofferstatus bezwaar tegen hebben wordt gedefinieerd als kwetsend”; bepaalde onderwerpen, zoals dat slachtofferschap zelf, en hun totaal negatieve voorstelling van de Japanners, zijn onbespreekbaar. De recente gebeurtenissen rond het bezoek van premier Kaifu en diens kranslegging bij het Indische Monument hebben daarvan weer nieuwe voorbeelden opgeleverd; wat mij ook weer opviel is dat in de aandacht die in de media aan dit onderwerp besteed wordt geen dissidente opinies worden geduld. Noch op de televisie, noch in de dag- en weekbladen is bij mijn weten iemand aan het woord gekomen die een afwijkende opinie had over het bezoek van Kaifu (dat in verschillende kranten zonder tegenspraak "een weergaloos hypocriet gebaar' is genoemd). Geen Japanner is naar zijn mening gevraagd; mijn artikel op de opiniepagina van deze krant was mijn eigen initiatief en voor de column van Michel Korzec in de Volkskrant van 27 Juli geldt naar alle waarschijnlijkheid hetzelfde. De enige mij bekende poging tot een wat objectievere berichtgeving was een kort artikel in de Volkskrant van 17 augustus, waarin heel beknopt (een paar zinnen) twee Japanologen (Rogier Busser en Thomas Cremp) werden geciteerd. Geen opinieblad dat hen of een andere Japanoloog om uitgebreider commentaar heeft gevraagd, en zelf hebben zij daartoe blijkbaar ook niet het initiatief genomen.

Waarom niet? Omdat iedereen zo langzamerhand benauwd is de Indische gemeenschap te "kwetsen'. "Lubbers betreurt leed bezoek Kaifu', zo luidde de kop boven een artikel in Het Parool van 10 augustus. Waar bestaat dat leed dan eigenlijk uit? Er is een klimaat ontstaan waarin het lijkt alsof alleen al het stellen van die vraag kwetsend is, terwijl het toch niet meer dan normaal en redelijk is om dat te willen weten. Maar niemand die verder vraagt; niemand die zegt: jarenlang heeft de Indische gemeenschap aangedrongen op een officiële Japanse spijtbetuiging (waarvan er overigens al eerdere geweest zijn, maar het wordt blijkbaar ook als kwetsend ervaren om daaraan te herinneren); nu een Japanse premier officieel in naam van zijn regering "oprecht berouw' betuigt en een krans deponeert bij Indische monument blijkt dat ook weer "schrijnend menselijk leed' te veroorzaken.

Onoprecht

Waarom moest die krans in het water? Waarom eigenlijk? Het specifieke van de situatie schuilt in het feit dat geen Japanner ooit iets zou kunnen zeggen, doen of nalaten dat niet onmiddellijk als onoprecht van de hand zou worden gewezen. Zoals de Secretaris van de Stichting Japanse Ereschulden F.D. Scheepers het uitdrukte: “Je moet de Jappen kennen om te weten wat er achter hun glimlach zit die er zo vriendelijk uitziet” (NRC H., 23 juli). Je kunt je daarbij al verbazen over het kinderlijke onvermogen om onderscheid te maken tussen (geprojecteerde) persoonlijke gevoelens en officiële functie, een infantiele wereld waarin iets moet of niet mag omdat "de keizer' of "de politie' het niet wil hebben. Het is mij straal onverschillig of Kaifu misschien in zijn hart denkt dat Nederlanders alleen maar goed zijn om sushi van te maken, waar het om gaat is dat hij iets doet in zijn officiële functie van premier en een verklaring uitspreekt die het standpunt van zijn regering weergeeft.

Maar het karakteristieke van zo'n uitspraak als “Je moet de Jappen kennen” is dat het in feite het omgekeerde betekent. Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat Scheepers over de cultuur en de geschiedenis van Japan nooit een letter heeft gelezen, laat staan over hoe de Japanners van hun kant de oorlog hebben beleefd. Dat zijn dingen waar zulke mensen zich niet in verdiepen, het interesseert ze niet, ze willen het niet weten. Japanners zijn voor hen "Jappen', glimlachende Aziaten, beantwoordend aan de stereotyperingen die gangbaar waren tijdens de oorlog. Zoals de weduwe Spoor-Dijkema, die vijftig jaar na dato nog de mening verkondigt dat er geen goede Japanners bestaan. Ze is “nog nooit een verhaal tegengekomen over een goede Japanner” (Vrij Nederland, 17 juli). Als je het letterlijk zou nemen zou het niet meer dan een belijdenis van analfabetisme zijn, maar in feite is het veel bedroevender. Om te zien wat het wel is hoef je het woord Japanner maar te vervangen door kleurling, jood of indo.

Dergelijke manifestaties van racisme zijn niet zeldzaam in de uitspraken van woordvoerders van de Indische gemeenschap (er zijn nog wel ergere staaltjes van te geven) en zoals ik al vaak betoogd heb is het de werkelijke maar altijd buiten beschouwing blijvende sleutel tot de manier waarop een groot deel van die gemeenschap op de oorlogsgebeurtenissen in Indië heeft gereageerd. Veel van die reacties zijn onbegrijpelijk wanneer het element van raciale vernedering er uit wordt weggelaten: de voormalige toeans die voor een in de koloniale hiërarchie inferieur volk in het stof moesten kruipen. Het is deze traumatische ervaring die systematisch uit het beeld wordt weggelaten. Het maakt duidelijk waar de gedisproportioneerde rancune jegens de Japanners vandaan komt en het geeft ook een begrijpelijke verklaring voor die claim van ongespecificeerd "diep schrijnend leed'.

Kinine

In de nu ontstane situatie wordt het zoals gezegd op zichzelf al als kwetsend gezien om naar de aard van dat leed te vragen. Het vreemde is dat ik wel een paar dingen zou weten - bijvoorbeeld het feit dat de mensen om mij heen doodgingen aan malaria omdat er bijna geen kinine werd verstrekt, terwijl later bleek dat het Japanse leger hele goedangs vol kinine had - maar in de Nederlandse tijd hebben wij zelf talloze Indonesiërs dood laten gaan doordat de prijs (de kinine was een Nederlands monopolie) door ons kunstmatig hoog werd gehouden; daar is Nederland zelfs nog officieel voor berispt door de Volkerenbond. Zo is er altijd wel iets dat maakt dat ik liever mijn mond houd. We kregen bitter weinig te eten; maar zoals ik al vaak heb geschreven kregen de Nederlanders in de Japanse kampen aan voeding ongeveer wat de Indonesische bevolking gemiddeld tijdens ons zegenrijke bewind in vredestijd kreeg; de sterfte was ook van dezelfde orde.

Ook het uitspreken van deze dingen vinden de meeste ex-geïnterneerden kennelijk even kwetsend als de spijtbetuigingen van Kaifu. Het enige dat door hen in dat verband altijd wordt genoemd is het “moeten buigen voor de Jap”. Daarvan zijn uit voorraad intrigerende voorbeelden te geven, zoals een reportage in deze krant van 29 september 1988 over de gekwetste gevoelens van kampslachtoffers, naar aanleiding van het feit dat minister Van den Broek voornemens was de begrafenis van Hirohito bij te wonen. Alleen al dat voornemen riep bij velen schrijnende herinneringen op: “Nog levendig staat mij die tijd voor de ogen: het altijd en eeuwig moeten buigen voor keizer Hirohito.” Indische hulpverleenster Marjoke Schepel: “Bij zo'n uitspraak van Van den Broek klap ik helemaal dicht en vervolgens word ik heel boos en verdrietig. Al mijn nachtmerries komen weer boven. Ik zag in een krant een foto van een officier die voor de keizer boog. Als ik dat zie begint mijn rug weer pijn te doen. Ik voel het puur lichamelijk en sta weer te buigen.” In de praatgroepen van voormalige geïnterneerden merkt zij dat door de discussies over Hirohito “het hele arsenaal aan nachtmerries weer opengaat”: “Het is heel pijnlijk, juist ook voor de kampkinderen. Wij hebben als kind moeten buigen in naam van de keizer.”

Rugpijn van het buigen! En dan klagen de gerepatrieerden dat zij hun verhaal niet kwijt konden (“er werd niet naar ons geluisterd”). Wat al deze dingen zo tragisch maakt en over de tijd heeft doen uitkristalliseren in een patroon waaruit het wel nooit meer los zal komen, is de aantrekkelijkheid van het slachtofferschap. Niet alleen omdat er materiële claims aan kunnen worden ontleend, maar vooral omdat het zoveel psychologische voordelen oplevert. De meeste mensen hebben nu eenmaal de neiging hun successen toe te schrijven aan eigen verdienste, maar hun mislukkingen aan uitwendige omstandigheden. Van alle alibi's voor eigen fouten en tekortkomingen is het slachtofferschap onovertroffen in effectiviteit. Huwelijk mislukt? Voor examen gezakt? Slecht gebit? Rugpijn? Slapeloos? Gedeprimeerd? Weinig ex-geïnterneerden weerstaan de verleiding het aan hun kampervaringen te wijten, met als gratis toegift dat het hen bovendien vrijwaart van kritiek en tegenspraak, net als een religieuze overtuiging. “Vrijheid van meningsuiting mag niet ontaarden in een vrijbrief om anderen in hun diepste gevoelens te kwetsen”, luidt de geijkte formule in protesten en ingezonden brieven.

Erfelijk

Er is nu niet alleen een tweede, maar zelfs een derde generatie van Indische oorlogsslachtoffers ontstaan; het Indische oorlogsslachtofferschap is blijkbaar erfelijk. Eerst waren er kinderen van ex-geïnterneerden met kampklachten; nu laten ook de kleinkinderen zich al horen. “Met zijn artikel van zaterdag 27 juli weet Michel Korzec een diepe woede in mij op te wekken”, aldus de schrijfster van een ingezonden brief in de Volkskrant (31 juli 1991). “Vreemd. Ik ben de kleindochter van een vrouw die toen en haar hele verdere leven gevochten heeft om haar kinderen het Jappenkamp te laten overleven. Ik ben de dochter van een vrouw van wie haar zes eerste levensjaren door de Jappen zijn weggenomen, met alle gevolgen van dien. Ik heb geen beelden van de ondervoeding, moorden en mishandelingen die volgens Korzec minder erg waren dan de ondervoeding, moorden en mishandelingen van de joden in de Duitse kampen. (-) Ik zal hier volstaan met de opmerking dat ik de indruk heb dat het geloof van de heer Korzec hem blijkbaar niet meer openstelt voor het leed van anderen.”

Wat dit wonderbaarlijke document toont is hoe in de hoofden van nieuwe generaties alle mythes en fabels van het Indische oorlogsverleden onontwarbaar verstrengeld zijn geraakt: de behoefte aan slachtofferschap; het recht op verongelijktheid, ja zelfs "diepe woede'; de gedachte dat de Indische en de joodse kampen wel ongeveer hetzelfde waren; en de vrijheid iemand die waagt te zeggen dat dat niet de waarheid is er in koelen bloede van te beschuldigen dat zijn "geloof' (het is maar al te duidelijk wat daarmee bedoeld wordt) hem onverschillig maakt jegens het lot van anderen.

Hoe heeft deze schandelijke situatie kunnen ontstaan? En hoe komt het dat niemand zich er tegen verzet?

De reden is volgens mij dat de voortdurende intimidatie van de Indische oorlogsslachtoffers, dat zij in hun leed worden gekwetst, iedere redelijke discussie onmogelijk heeft gemaakt, zodat de werkelijke proporties nu volkomen zoek zijn. De grote doorbraak op dit gebied was Bezonken rood van Jeroen Brouwers, waarin een Indisch kamp bewust werd beschreven of het een Duits kamp was, met parafernalia en onmenselijkheden ontleend aan de Duitse vernietigingskampen.

Je zou mogen verwachten dat mensen die alleen al bij het zien van een kransleggende Japanner “op ondraaglijke wijze met hun oorlogsherinneringen worden geconfronteerd”, bij het lezen van de gruwelen in dit boek een acute apoplexie zouden krijgen. Maar nee, daar genoten ze nou juist van; het is immers koren op de molen van hun slachtofferschap; de Indische gemeenschap heeft het zich met welbehagen laten aanleunen, zonder eerlijk genoeg te zijn om tegen deze voorstelling van zaken te protesteren (zoals in Engeland in een vergelijkbaar geval wel is gebeurd). Het heeft niet ontbroken aan pogingen dit vervalste beeld te bevestigen en te annexeren; Zo wil de zich als "Haagse dame' beschrijvende kip zonder kop Margaretha Ferguson graag vertellen dat ook de Japanse kampen vernietigingskampen waren; 't ging alleen wat langzamer.

- Hoeveel langzamer, Greet?

- Gut, dat weet ik niet hoor, maar 't was evengoed vernietiging.

Nu, dan zal ik het nog eens proberen uit te leggen: als het met de snelheid van de Indische kampen was gebeurd, dan zouden de nazi's voor de vernietiging van de joden meer dan zeshonderd jaar nodig hebben gehad.

Meisje

Een verdere factor (naast ongecijferdheid) die deze beschamende dingen mogelijk maakt is wat Jaap van Heerden de banalisering van de Holocaust heeft genoemd. Al in het CS van 20 november 1987 schreef hij over een televisieprogramma waarin een meisje werd geïnterviewd dat zich kon herinneren hoe zij in een vorig leven in een Duits vernietigingskamp had gezeten en daar was omgekomen. “Het meisje”, schreef van Heerden, “was in haar vorige leven joods maar thans om ondoorgrondelijke redenen van het lot niet. (-) Zij versomberde bij de herinnering en werd met zachtmoedigheid behandeld.”

In zijn commentaar (herdrukt in Gelukkig dat het leven geen zin heeft, Prometheus 1990) schreef Van Heerden dat men er in de toekomst rekening mee zal moeten houden dat mensen aanspraak gaan maken op erkenning van leed dat hun in een vorig leven is aangedaan en dat zij zich daarmee gerechtigd voelen de aandacht op zich te vestigen. “Dat is des te klemmender wanneer de herinnering aan dat leed ook bij anderen nog leeft, omdat zij dat in dit leven hebben meegemaakt en niet in een vorig.”

Van Heerden wijst er terecht op dat de overtuiging van dat meisje in een concentratiekamp te zijn omgekomen, in tegenstelling tot wat men zou kunnen denken, juist wijst op de afwezigheid van enige identificatie met de slachtoffers, “een ordinair gebrek aan gepast respect voor het leed van de overlevenden en een hebzuchtige aanmelding bij de groep van getroffenen.”

Datzelfde is vrees ik van toepassing op al die generaties van Indische oorlogsslachtoffers, die het verschil tussen de Duitse en Japanse kampen eerst hebben verdoezeld, om het maken van onderscheid daarna voor te stellen als subjectief, ongepast en kwetsend, “leed mag je niet vergelijken”, etc. Maar zoveel is zeker: de huidige neiging de ervaringen van de Indische geïnterneerden op een lijn te stellen met de holocaust bewijst maar een ding: dat de mensen geen flauwe notie meer hebben van wat de holocaust inhield.

Tot slot de voordehandliggende opmerking dat dit alles niet betekent dat er geen echte Indische oorlogsslachtoffers bestaan; maar het tragische is dat de mensen op allerlei manieren aangemoedigd worden zich die rol te kiezen.

“Hulpverlenende instellingen voor oorlogsgetroffenen hebben een aanzienlijke toename van de vraag naar hulp van Indische oorlogsslachtoffers geconstateerd na het bezoek van de Japanse premier Kaifu aan ons land in juli”, aldus een berichtje in deze krant van 24 augustus.

Dat is tragisch, maar het tragische ervan is vooral dat het niet noodzakelijk en onvermijdelijk is. Het is, houd ik vol, een gecultiveerd verschijnsel, in de betekenis van iets dat wordt aangekweekt; olie op het vuur door het aanmoedigen van verongelijktheid en onlust, het mobiliseren van onvrede, het koesteren van zelfbeklag. Het voert te ver om de rol aan te snijden die bepaalde psychiaters hierbij hebben gespeeld, maar daar is veel over te zeggen. Hoe dan ook: zodra woorden als "kwetsend', "diepste gevoelens', "schrijnend leed' en dergelijke worden gebruikt om kritiek of tegenspraak te smoren kan men er zeker van zijn dat er geknoeid wordt: met gevoelens, met de geschiedenis, met de waarheid, met het lot van anderen.

Dat herinnert me nog aan iets: in niet een van de vele boze brieven die ik heb gekregen naar aanleiding van mijn artikel op de Opiniepagina van 15 augustus een woord van begaanheid met Chalid Salim, die zonder vorm van proces door ons 15 jaar lang geïnterneerd is en op wiens verzoek om compensatie “afwijzend werd beschikt”.