Fietsen

Ongeveer tien jaar was ik toen de Ronde van Nederland door onze straat kwam. Het was allemaal veel minder bont dan nu. Wat mij steeds meer opvalt, en ook een beetje tegenstaat, is de enorme kleurigheid van het moderne wielrennen - trouwens, van alle sport. Als kind was ik een supporter van een Eindhovense renner die, geloof ik, Harry Schoenmakers heette. In mijn herinnering droeg hij een zwart shirt en een zwarte broek, in ieder geval iets donkers. De mannen droegen in die dagen ook geen zomerkleren. Net als nu in Rusland bestonden die nog niet. Nederland was nog niet welvarend genoeg. Er was geen overschot en ook geen overdaad - en daardoor maakte ook het wielrennen een degelijker en ernstiger indruk. De dramatische zwart-wit foto's van de oude Tour de France, met slijk besmeurde renners in dorre landschappen, vind ik nog steeds indrukwekkender dan de tv-reportage in kleur. Ze gaan meer over het fietsen dan over het spektakel.

Maar afgelopen zondag was ik lijfelijk aanwezig bij het wereldkampioenschap op de weg in Stuttgart - op de tribune tegenover de aankomst. Ook mocht ik een ronde mee in de volgauto. Het was een prachtige middag. Om het halfuur kwamen er renners langs, te snel bijna om ze te herkennen maar de spanning steeg met de minuut. Er was een grote wolk van opwinding - het eigenlijke fietsen was bijna een detail. Ik had me voorgenomen niet te lang te blijven om daarna de wedstrijd in detail op de televisie te gaan volgen. Dat lukte dus niet. En toen Bugno gewonnen had, met Rooks tweede, wist ik dat ik niet voor niets gebleven was. Het is als met kunst: je moet de schilderijen ook in het echt zien.

Door het park teruglopend naar mijn hotel zag ik dat jongens van nu net zo zijn als wij vroeger. Op kleurige racefietsen en mountain-bikes raasden ze tussen de bomen door om de helden na te doen. Ik was Wim van Est en mijn vriendje was Woutje Wagtmans. Wij hadden alleen geen strakzittende, glimmende sportkleding. Gewoon in onze korte broek en op een zwarte Fongers met terugtraprem.