Elke zaterdag klimt Arie in de toren

De Domtoren is door de week geopend van 10-17 uur, op zaterdag van 11-17 uur en op zondag van 12-17 uur.

Arie Abbenes is muzikant, maar een beetje een merkwaardige. Zijn instrument is wel twaalf meter hoog, weegt ongeveer 50.000 kilo en zweeft tachtig meter boven de grond. Als Arie er even op wil spelen, moet hij eerst een trap beklimmen van 260 treden. Nooit kan hij eens stiekem een riedeltje maken, want ieder liedje dat hij speelt, wordt door zeker 100.000 mensen gehoord.

Arie Abbenes is de beiaardier van Utrecht en het carillon boven in de toren van de Dom is zijn instrument. Een beiaard of carillon is een soort piano, met klokken in plaats van snaren. De toetsen van een carillon zien er uit als houten stokken waar je met de vuist op moet slaan. Als je dat doet, knalt een klepel (een zware hamer) aan de binnenkant tegen een van de klokken.

Het carillon van de Dom heeft vijftig klokken. De zwaarste klok weegt zevenduizend kilo en is zo groot als een vierpersoonstent. De klepel weegt al meer dan honderd kilo, dus een beiaardier moet behoorlijk sterk zijn om die in beweging te krijgen. Het kleinste klokje is zo groot als een omgekeerde braadpan.

Het carillon van de Dom is meer dan driehonderd jaar oud. Later zijn er klokken bijgemaakt, en niet zo lang geleden heeft het hele instrument een opknapbeurt gekregen. Want de klokken hebben zo hoog in de toren veel last van het weer. Toen er nog geen bliksemafleiders bestonden is de bliksem wel eens ingeslagen, en een deel van het topje van de toren is een keer ingestort. Toen vielen er brokken steen op een paar klokken, die daardoor gebarsten zijn. Maar nu is het instrument weer goed en Arie Abbenes vindt het heerlijk om op zaterdag zijn klokgerinkel uit te strooien over de winkelende mensen beneden.

Iedere zaterdag en als er bijzondere feesten zijn beklimt Arie de toren om een concert te geven. Hij doet dat heel rustig, want anders is hij al moe voordat hij boven aankomt. “Er zijn weinig mensen die er echt voor gaan zitten om te luisteren als ik een concert geef,” vertelt Arie Abbenes. “Maar dat is niet zo erg, want ik kan boven op de toren toch niet merken of ze het mooi vinden. Alleen als de wind precies goed staat, vang ik wat op van de geluiden beneden. Heel soms heb ik wel eens gehoord dat er mensen voor mij klapten.

“Maar niet altijd vinden mensen de dingen die ik speel mooi. Toen ik een keer een heel apart muziekstuk speelde, gingen mensen opbellen naar de gidsen die je rondleiden in de toren. Ze vroegen of er soms kwajongens bezig waren het carillon af te breken. Misschien waren er ook wel mensen die dachten dat ik aan het oefenen was voor een concert. Maar dat doe ik gewoon thuis, op een soort mini-carillon met kleine staafjes in plaats van klokken.”

Als je een keer op een zaterdag in Utrecht komt, is de kans groot dat je Arie hoort spelen. Nog leuker is het om die 260 treden naar boven te klimmen en het carillon van dichtbij te bekijken. Als Arie toevallig een concert geeft, kun je hem zien zitten in een klein huisje midden tussen de klokken. Misschien moet je watjes meenemen voor in de oren, want op straat klinkt een carillon heel mooi, maar van zo dichtbij maakt het een hels lawaai.