Een konijn moet zijn instinct volgen; Gemoedelijke verhalen van Huub Beurskens

Huub Beurskens: Sensibilimente. Uitg. Meulenhoff, 142 blz. Prijs ƒ 29,50.

Over sommige zinnen is het moeilijk heenlezen. W.F. Hermans maakte dat in het geval van Nooit meer slapen helemaal onmogelijk door op de sinistere openingsmededeling ”De portier is een invalide' een witregel te laten volgen. Het sinistere van deze zin, die weinig goeds voorspelt voor het vervolg, schuilt in het lidwoord. De portier is niet ”gewoon' iemand met een of meer lichaamsgebreken, hij is een invalide, een oorlogsslachtoffer. Hij heeft, om zo te zeggen, een dubbelfunctie: hij is portier en hij is een invalide en dat blijken in zijn geval functies of hoedanigheden te zijn die elkaar zoniet uitsluiten dan toch wel ernstig in de weg staan. De portier van Hermans is blind en heeft maar één vinger, een duim.

Aan deze zin moest ik denken toen ik in een van de zes verhalen uit de nieuwe bundel van Huub Beurskens, Sensibilimente, deze zin tegenkwam: ”Tony was een dode'. Net als de portier heeft Tony een onverenigbare dubbelfunctie. Hij is badmeester en hij is een dode, met permissie van de medebewoners uit het dodenrijk opgestaan om zich weer eens tussen de levenden te begeven. Zoals de portier van Hermans niet ”gewoon' invalide is, zo is Beurskens' Tony niet dood in de gebruikelijke zin van het woord. Maar het meest opmerkelijk aan deze levende dode is nog wel dat hij helemaal geen griezel is, of een onberekenbare zombie. Hij is wellevend en hoffelijk, en van een Christus-achtige goedaardigheid doortrokken.

Er heerst een gemoedelijke stemming in deze verhalenbundel. Dat ligt niet erg voor de hand, want alle verhalen hebben wel op een of andere manier de dood tot thema. Prijkte er op zijn vorige dichtbundel, Hollandse wei, al een door Holbein geschilderd lijk, op het omslag van Sensibilimente is een fragment te zien van het vroeg-zestiende-eeuwse schilderij ”Opstanding van het vlees' van Luca Signorelli. Een levende man, een man althans bekleed met spieren, vlees en huid, onderhoudt zich geanimeerd met vijf of zes geraamten, die hun hoofden olijk schuin houden en duidelijk lol hebben in de conversatie.

Je zou kunnen zeggen dat in deze bundel met mensenlevens wordt gespot, zij het ook op betrekkelijk milde wijze. Afwezig is hier de gebruikelijke hiërarchie, waarin een mens vanzelfsprekend hoger staat dan een dier, de dood het moet afleggen tegen het leven, en het lichaam tegen de geest. Een scheet, mits melodieus gebracht, hoeft niet onder te doen voor een capriccio van Paganini, voor het miezerigste hondje wordt een mensenleven geofferd, een poes wordt met meer egards behandeld dan een vrouw, een professor moet zijn meerdere erkennen in een badmeester en sperma wordt, in het malste verhaal uit de bundel, gelijkgesteld met intelligentie. Na jarenlange trouwe dienst wordt een bejaarde zaaddonor in een geblindeerde auto naar de plaats gebracht waar hij ”de hoogste onderscheiding' in ontvangst hoopt te gaan nemen. Maar het heeft er meer van weg dat deze menselijke fokstier naar een abottoir wordt gebracht om daar tot consumptievlees te worden verwerkt.

Beurskens heeft de eigenaardige gave om verhalen te schrijven die simpel en gecompliceerd zijn tegelijk. De eenvoud schuilt vooral in zijn heldere en effectieve taalgebruik en in zijn broodnuchtere, niet zelden ook droogkomische toon. Het raadselachtige van zijn verhalen ligt in de grensoverschrijdingen die Beurskens zich veroorlooft. Het liefst voert hij zijn lezers op kousevoeten uit de vertrouwde wereld weg naar een fictief oord waar heel andere wetten en regels gelden; waar mensen dierlijke trekken krijgen en dieren menselijke, waar doden en levenden niet van elkaar te onderscheiden zijn, en waar begrippenparen als goed en kwaad, mooi en lelijk, hoog en laag geen betekenis meer hebben.

De combinatie van gewoon en ongewoon maakt zijn verhalen aantrekkelijk, al lukt het hem niet altijd om tussen die twee een goed evenwicht te vinden. Soms slaat hij te ver door naar één kant. In ”De uitreis van Darius Mosselkalk', over een zelfmoordenaar die maar niet van zichzelf af weet te komen, verstrikt hij zich net te veel in die andere, vermoede wereld. Het verhaal ”A posteriori', over een windenlaatster die haar anus als zangstem gebruikt, is weer wat aan de banale kant. Met deze winderige geschiedenis leunt Beurskens stevig aan tegen een verhaal van Stefan Hertmans, ”Nachtengel en Maria'. Het ene verhaal valt met enige goede wil te lezen als een complement van het andere. Hertmans' verhaal gaat ook over een vrouw met een bijzondere zangstem, die zich in haar geval niet manifesteert via de anus, maar via haar vagina. Dat ik dit verhaal helemaal begrijp zou ik niet durven beweren, maar het heeft een intrigerende, mysterieuze kant die bij Beurskens ontbreekt.

Plomp

In psychologische opzicht is Sensibilimente wat aan de plompe kant. Naar de motieven van zijn verhaalfiguren, of zij nu vertegenwoordiger zijn in stofzuigers, professor in de filosofie of zelfmoordenaar, valt slechts te gissen. Hij heeft zich ten koste van karaktertekening en inleving in zijn schepsels toegelegd op het blootleggen van de keerzijde van de zichtbare en vertrouwde werkelijkheid. Het is hem begonnen om de botsing tussen twee werelden en om de schok die deze botsing bij de lezer teweeg brengt. Maar hoe sensibel Beurskens' verhalen ook mogen zijn, ze lenen zich eerder tot gepaste vrolijkheid en matige schrik, dan tot een innige omhelzing.

Zijn verhaalfiguren fungeren als proefpersonen, die met gevaar voor eigen leven de grenzen van hun fysieke en geestelijke mogelijkheden aftasten. In alle gevallen moeten zijn hun experiment duur bekopen. De professor eindigt op de bodem van het zwembad, de zaaddonor vermoedelijk in het slachthuis, de windenlaatster neemt een overdosis pillen en aan de zelfmoordenaar blijft de welverdiende rust van de dood jammerlijk onthouden.

Het best uit de verf komen nog een paar echte proefkonijnen in het verhaal dat melodramatisch ”Vader!' is getiteld. Vader en zoon konijn - en dat is weer een fraaie illustratie van Beurskens wereldbeeld waarin de menselijke superioriteit het zwaar te verduren heeft - zijn de enige figuren in deze bundel die een gesprek op niveau mogen voeren. Onderwerp is de rol die de dood zou moeten spelen in het leven. De idealistisch gestemde zoon pleit ervoor de dood zoveel mogelijk uit te bannen en de natuurlijk vijanden van het konijn, zoals buizerd, vos en wezel, preventief te bestrijden. Vader schudt zijn hoofd over deze onbezonnen denkbeelden, waarin het op deemoed en vlucht ingestelde wezen van het konijn zo beledigend wordt ontkend. Hij weet dat de dood thuishoort in het leven en dat er voor een konijn niets anders op zit dan te vluchten, of als het niet anders kan het hoofd te buigen. Maar de zoon, geïnfecteerd door Beurskens, wenst zich niet bij de beperkingen van het konijnenbestaan neer te leggen. Met hem zal het dus ook wel slecht aflopen.