Een kieskeurig volkje; Schelpenboeken en -beelden in het Teylers Museum

“Als het zeeschelpen ergens niet bevalt, verhuizen ze gewoon”, zegt conservator Bert Sliggers van het Teylers Museum in Haarlem. Vanaf morgen liggen in het museum onder de titel "Hoorens en schulpen' zo'n veertig schelpenboeken opengeslagen. Ook zijn een aantal afgebeelde composities nagebouwd. “Telde een werkdag toen nog honderd uren? Of was het de liefde voor "Gods diepzeewonderen' die deze prachtige boeken heeft opgeleverd?”

Expositie: Hoorens en schulpen. Vanaf 31 aug. in het Teylers Museum, Haarlem. Inl. 023-319010

Albertus Seba had het niet gemakkelijk. Hij kwam altijd tijd tekort met "het zich verzadigen in ieder schepsel'. Een heerlijk tijdverdrijf, daar niet van, maar zo langzamerhand voelde hij zich de enige in het land die zich er nog mee bezighield. Dat was onbegonnen werk, hij kon het toch allemaal niet in zijn eentje doen? Hoe was het mogelijk dat zich niet meer mensen om "Gods wonderen' bekommerden? Kortom, geachte heer Sloane, want bij deze Britse verzamelaar stortte Seba destijds in een brief zijn hart uit, u begrijpt wel dat ik ondanks mijn grenzeloze nieuwsgierigheid niet naar Londen kan afreizen. “Maar ik houd moed. Wie zoekt zal vinden!”

Apotheker Seba was een van die achttiende-eeuwse Amsterdammers die “de wereld in huis haalden”. Onder de "wonderen Gods' rangschikte hij de onbekende of zeldzame planten, dieren en dingen, die de andere, nog duistere helft van de wereld bevolkten. Gifslangen en schelpen hadden zijn voorliefde. Ze werden thuis in zijn rariteiten- of naturaliën-kabinet uitgestald. Het was de begeerte naar "het nieuwe, het vreemde, het bizarre' dat voorgangers van Seba, zestiende-eeuwse regenten, geleerden en kunstenaars, al deed uitkijken naar elk schip dat van verre de Hollandse havens binnenliep.

Op de kades van Amsterdam stonden ze ongeduldig te wachten. Wat hadden die schepelingen nu weer in Japan, in Oost- of West-Indië ontdekt? Papegaaien, vlinders, gedroogde vissen, dolken, kano's, harsen, spelletjes, ivoor, aapjes, munten? Alle curiositeiten waren welkom en daar speelden handelaren slim op in. Met een beetje handigheid kon je de huid van een zeerog omvouwen en samenbinden tot een ècht "draakje'. Welke verzamelaar wilde geen draakje in zijn kabinet. Allemaal toch!

Buitenlandse vorsten, geleerden en andere weetgierigen maakten hun opwachting op de Amsterdamse grachten, waar de gegoede burgerij haar exotica “uit alle gewesten der werelt byeen bragt”. Tsaar Peter de Grote was een van Seba's gasten. De vorst keek zijn ogen uit toen de apotheker een van zijn 72 schelpen-laden opentrok. Hij moest en zou de hele collectie van die Amsterdammer in één klap hebben.

Gelukkig is Seba na deze verkoop opnieuw gaan verzamelen - nog veel meer, nog veel grootser dan voorheen. Hij klom als eerste aan boord van de boten met zijn middeltjes tegen scheurbuik. De bemanning zorgde dat ze bij wijze van betaling wat schelpen voorradig had. Later liet Seba zijn bezit inventariseren in schitterende boekwerken. De gravures moesten exact weerspiegelen hoe de schelpen in zijn kabinet te kijk lagen. Niet keurig op saaie rijtjes, vastgeplakt op de bodem van de lade. O nee, zijn zeevondsten vormden complete "Gesamtkunstwerke'. Collages, waarin "hersenbotjes' van de kabeljauw en zeebaars-vinnen werden gebruikt om de schelpen-guirlandes met kaketoe's en satyrs tot in de finesses af te werken.

Conchyologie

Nederlands oudste museum, het Teylers Museum in Haarlem, beschikt niet alleen over Seba's "schelpenboekhouding', het heeft alle historische standaardwerken in huis op het gebied van de conchyologie, de schelpenkunde; niet te verwarren met de malacologie, de wetenschap der weekdieren. Vanaf 1780 tekende het Teylers Museum zich in op de mooiste conchyologische uitgaven, eerste drukken met ingekleurde illustraties. Vroegere exemplaren konden op veilingen worden bemachtigd.

De Haarlemse koopman Pieter Teyler van der Hulst, de testamentair oprichter van het museum, verzamelde weliswaar net zoals Seba "de wereld' thuis, maar bij zijn dood hadden legers van motten zich een weg gevreten door het tropische gevogelte. Zijn dode aapjes zaten ineengedoken in lege potten; de alcohol was verdampt. Daarom moest het Teylers Museum, een instelling "ten nutte van het algemeen', in 1784 zonder collectie, van de grond af aan beginnen.

Vanaf morgen liggen in dit Haarlemse museum onder de titel "Hoorens en schulpen' zo'n veertig schelpenboeken opengeslagen. Naast de gravures van Seba's laatjes en de ingekleurde litho's van octopussen en koralen, heeft conservator Bert Sliggers enkele schelpencomposities in werkelijkheid "nagebouwd'. Hij vertelt dat de meeste zoutwater-schelpen eeuwenlang de toenemende vervuiling van zeeën en oceanen aardig hebben doorstaan. De zoetwater- en landslakken brachten het er minder goed van af, want die kunnen niet uit poeltjes en plassen vertrekken om elders hun heil te zoeken. Zeeschelpen kunnen dat wél. “Een heel kieskeurig volkje”, zegt Sliggers, “als het ze ergens niet bevalt, verhuizen ze gewoon”. Sommige soorten emigreren door zich aan scheepsrompen vast te klemmen. En als ze het in hun nieuwe territorium naar hun zin krijgen, dan merkt de strandjutter dat onmiddellijk. “In de jaren zeventig heeft in Nederland een enorme infiltratie van Amerikaanse messen plaatsgevonden”, zegt Sliggers, alsof we voor deze coup op onze hoede hadden moeten zijn.

Pompeï

De populariteit van dat "kieskeurig volkje' is zo oud als de mensheid. Dertigduizend jaar geleden droegen grotbewoners in de Dordogne al schelpensnoeren. De Romeinse keizer Caligula pronkte in het begin van onze jaartelling met schelpen die de manschappen op zijn bevel langs de Franse kusten hadden vergaard. En bij de opgravingen in Pompeï bleek, dat onder de as van de Vesuvius in het jaar 79 een zonderlinge verzamelaar was omgekomen, die zowel zout- als zoetwater-exemplaren in huis had.

In vele culturen hebben schelpen een rituele, symbolische of esthetische waarde gekend. De oude Egyptenaren legden een schelpje op de ogen van hun mummies en op het aardewerk van de Grieken, Romeinen en Inca's kom je gestileerde schelpjes tegen. Nog steeds versieren Afrikaanse stammen met caurie's hun maskers en voorouderbeelden.

Ontdekkingsreizigers brachten vanaf de zestiende eeuw de voor die tijd bizarre, zonderlinge formaten mee naar huis. De Nautilus, het onderkomen van de inktvis dat na zijn overlijden op drift raakt en leeg aanspoelt, kon je dankzij de V.O.C. kopen in Amsterdam, ooit het schelpencentrum van de wereld. De familie Bellekin, vader en twee zonen, polijstten ze tot paarlemoer en graveerden ze met jacht- of bijbeltaferelen, met bloemenranken en insekten; "alles op het alderkonstigste gesneden', zoals een catalogus aanprees.

In die zelfde tijd lieten schelpenverzamelaars zich graag portretteren met een pronkstuk uit hun collectie. Meestal kregen ze daar later spijt van, want een bezoek aan andere "kabinetten' leerde dat de zeldzaamheid van die ene schelp zwaar was overschat. Maar dan was het al te laat. De Europese hebzucht was zo groot, dat er vervalsingen van rijstpapier op de markt kwamen. Eenmaal tewatergelaten veranderde het tropisch wonder, zo hard als koper, in een kwallerig goedje.

Kunstenaars als Leonardo da Vinci, Bernini en Botticelli lieten zich door schelpvormen inspireren. De Romeinse fonteinen van Bernini zijn er een voorbeeld van. Rembrandt heeft maar één enkele schelp geëtst, de "Conus marmoreus' uit 1650; een bruin hoorntje met een wit, boomblaadjesachtig patroon. Daarbij maakte hij een domme fout, zeggen de kenners. Bijna alle schelpen groeien, dankzij de kalk afscheidende klieren van het weekdier, in een rechtsdraaiende spiraal. Voor een correcte afbeelding moet de etser de schelp dus spiegelbeeldig graveren. En dat heeft Rembrandt nagelaten.

Potten

De zeldzame, linksgedraaide "spiralen' behoren tot de collectie van het Instituut voor Taxonomische Zoölogie van de Universiteit van Amsterdam. Ergens achter een school, in een niemendallerig gebouw, is dr H.E. Coomans de baas over drie miljoen schelpen en 20.000 potten met alcohol. Kleine potten met zoet- en zoutslakjes van een halve centimeter, en reusachtige glazen "buizen' met ingesnoerde inktvissen. Gelukkig kan je door het schemerlicht hun oogjes niet zien.

Coomans begeleidt jaarlijks een of twee studenten in de malacologie. Samen met één medewerker en tien vrijwilligers bewaakt en vervolmaakt hij de wereldorde der schelpdieren in honderden kasten en duizenden laden. Je waant je in het archief van de belastingdienst. Pragmatisme heeft de pronkzucht van weleer verdrongen. Alle schippertjes, argusogen, zeeoren, venuskammen en olifantstandjes liggen verscholen in grijs-metalen kasten, achter slot en grendel. Serieuze schelpenverzamelaars moeten hier voor hun eigen bestwil in de boeien worden geslagen.

Kostbare soorten, waarvoor Zeeuwse handelaren honderden dollars vragen, presenteren zich bij tientallen, keurig verpakt in een plastic zakje. De gespikkelde schelp van Rembrandt is op deze afdeling net zo uniek als een haring in zee. En dat geldt ook voor de Nautilus, waarvoor de zestiende-eeuwse collectioneur een moord zou doen. Er komen notenbalk-schelpen te voorschijn (inderdaad, met notenbalkjes op hun wand), felgroene boomslakken, nu een beschermde soort, hoorntjes met tien tot vijftien centimeter lange, gave spiezen, schelpen met vierkantjes, streepjes en tanden.

Het instituut koopt niets, het ruilt met buitenlandse instellingen, en het probeert particuliere collecties in de wacht te slepen. Franse vrienden van Coomans, die jaren achtereen bij de Philippijnen, rondom het eiland Cebu, op de zeebodem dregden, schonken Coomans onlangs hun levenswerk: tien kubieke meter gedetermineerde exotische schelpen, veertien ladenkasten vol met het mooiste van het zeldzaamste. Helaas gaan na de dood van een verzamelaar nog veel collecties verloren. Daarom meent Coomans “moeten verzamelaars zich op de dood bezinnen. Ze hebben veel tijd, geld en know-how in hun collecties geïnvesteerd. Dat alles hoeft niet verloren te gaan. Hier leeft op elke schelp hun naam voort.”

Vervuiling

Al vijfentwintig jaar onderzoekt hij de veranderingen in de schelpen-evolutie, de vele leefmilieus en leefwijzen van het weekdier, de invloed van de vervuiling, de eiwitten en enzymen, de genen en chromosomen. Denk niet, dat drie eeuwen na de dood van apotheker Seba het terrein der malacologen is afgegraasd. Omdat de mens steeds dieper in oceanen kan afdalen met steeds vernuftiger instrumenten, zoals radiografische bestuurde onderzeebootjes, komen er vele nieuwe soorten boven water. Juist daar, in de diepe duisternis, waar stromingen en brandingen hen ongemoeid laten, dáár wonen de schelpesoorten die in ongewijzigde vorm al miljoenen jaren voortbestaan.

Vroeger meldden zich op dit instituut nog wel eens docenten van academies voor beeldende kunsten, waar schelpen werden nagetekend. De laatste jaren ziet Coomans ze niet meer. Kunsthistorici laten hier de schelpen determineren die zeventiende-eeuwse schilders als W. Kalff en Jan Davidsz. de Heem opvoerden tussen hun bloemstillevens van violen en anjelieren. Het instituut is nu al nauw betrokken bij de voorbereidingen voor de tentoonstelling "De Wereld binnen Handbereik'. Volgend jaar zomer zal het Amsterdams Historisch Museum alles uit de doeken doen over de "kunstkamers en rariteitenkabinetten' van de zeventiende-eeuwse Nederlanders. Dan liggen daar ook de drie authentieke schelpenlaatjes die Nederland nog rijk is.

Die laatjes staan op de tafel van Coomans klaar voor een bezichtiging: ivoorwitte, zilverachtige en pastelgetinte mozaïeken. Ooit wierp een zeventiende-eeuwse Amsterdamse regent voor het naar bed gaan, nog even bij kaarslicht een voldane blik op de inhoud van zo'n laatje. Op een ondergrond van wit satijn zag hij een stervormig doolhof van rechtopstaande, blauw geschilderde houten randjes. In elk vakje lagen hoopjes gele en witte en roze tweekleppigen. Voor de "topstukken', de langgerekte spoelschelpen, waren aparte vakjes op maat gereserveerd. Ze fonkelden als "stralen' om de ster heen. Tussenruimten werden opgevuld met cylindrische zeetrofeeën, vol grafische "tekeningen', of met de piepkleine "deurtjes' waarmee de weekdieren hun huis afsluiten.

Aristoteles

Terug in het Teylers Museum bladert conservator Sliggers met zijn witte handschoenen door het boek waarin diezelfde sierlaatjes weer staan afgebeeld. In de vroege schelpenboeken ontbreekt nog elke systematiek. Uit 1558 dateren de houtsneden van de Historia Animalium, vervaardigd door de Zwitserse professor Conrad Gessner.

Met de opkomst van de "naturaliën-kabinetten' en de enorme hoeveelheid "nieuwe' schelpen gingen verzamelaars en onderzoekers steeds vaker hun eigen collecties beschrijven. Een van hen was Martin Lister (1639-1712), lijfarts van de Britse vorstin. Zijn Historia Conchyliorum omvat vijfhonderd pagina's en duizend etsen, die elk door Listers vrouw en dochter voorbeeldig zijn ingekleurd. De bruine ruggetjes van de schelpen glimmen, alsof de verf nog moet drogen. Ook de teksten, onderdeel van de afbeeldingen, werden spiegelbeeldig gegraveerd.

De Duitse schilder Franz Michael Regenfuss (1713-1780) schakelde eveneens zijn vrouw in voor het inkleuren van zijn schelpentekeningen. Verschillende auteurs werkten mee aan zijn in het Frans en Duits geschreven uitgave. Dankzij het formaat en de mooie illustraties werd het een enorm succes. Maar van systematiek had Regenfuss evenmin kaas gegeten. Het ging hem om de schoonheid, en daarmee basta.

De Duitser Georg Everhard Rumphius (1627-1702), in dienst van de V.O.C. op Ambon, dacht daar anders over in zijn "beschryvinge van allerhande zoo weke als harde schaalvisschen'. Hij noteerde keurig de vindplaatsen, keek als pionier al naar ecologie van het dier en deelde mooie namen uit als hoogruggen, roode mazelen en klipkousen. Carl Linnaeus ging natuurlijk nog veel verder. In zijn Systema Naturae (1758) somde hij alle bekende dieren op, beschreef ze en verdeelde ze onder in geslachtsnamen en soortsnamen. Verzamelaars en natuurkundigen konden er na Linnaeus niet langer een rommeltje van maken.

De pagina's van de schelpenboeken raakten almaar voller. Een klipkous verscheen als ets of gravure niet meer geïsoleerd op het vel, hij kreeg gezelschap van soortgenoten met minimale afwijkingen. Schelpen lieten niet zich langer gebruiken als materiaal voor grillige collages. Ze rukten zelfstandig op, er kwamen complete, handgekleurde bataljons op een enkel blad terecht. Af en toe kwam het weekdier om de hoek kijken. Het ligt nu op de illustraties als een verkreukeld manteltje naast zijn schelp, zijn eigenlijke skelet.

Sliggers' witte handschoen tovert juwelen te voorschijn. Elke tekening en elke litho van elke kammossel is een elegant kunstwerkje. Telde een werkdag toen nog honderd uren? Of was het de liefde voor "Gods diepzeewonderen' die deze onwaarschijnlijk mooie boeken heeft opgeleverd? Af en toe liet een kunstenaar zich meeslepen. Aan het waarheidsgehalte van zijn geaquarelleerde venuskam moet een beetje getwijfeld worden. Ach, wat doet het ertoe. Kom die passie nog maar eens tegen in een twintigste-eeuwse schelpengids met wezenloze twintigste-eeuwse foto's.