Een bondgenoot door dik en dun; Willem Frederik Hermans en de teddybeer

Temidden van bedriegers en bedrogenen loopt in de boeken van Willem Frederik Hermans een onschuldige boezemvriend rond: de teddybeer. “Bombazijn, dat brave beertje, die at 's zondags graag een peertje. 's Zaterdags een stukje worst. Met een biertje voor de dorst.” Een beschouwing over teddyberen, een troost voor Hermans' eenzame, onbegrepen personages.

In Fotobiografie (1969), een becommentarieerd foto-album over zijn familie en zijn jeugd, staat het gezinnetje Hermans afgebeeld. Een streng ogende vader, een degelijke moeder, een zusje dat trots een porseleinen pop omhoog houdt en de kleuter Willem Frederik in matrozenpakje met een donkerbruine teddybeer in zijn armen. "Eigenlijk was mijn teddybeer mijn enige ware vriend', luidt het summiere maar veelzeggende bijschrift.

Onophoudelijk keert dit speelgoeddier in Hermans' werk terug. In romans en verhalen, van De tranen der acacia's tot Uit talloos veel miljoenen, maar ook in de essaybundels en in z'n fotoboeken. Eenmaal schreef hij zelf een verhaal dat "De Teddybeer' tot titel kreeg; over de verwikkelingen rondom een tot enorme proporties uitgegroeid knuffeldier dat pijp rookt en versjes van Vader Cats declameert. Een paar jaar later kreeg Hermans, wandelend door Parijs, de kans van zijn leven: er liep een jongetje met een gigantische teddybeer in zijn armen. Hermans maakte ten minste drie foto's van dat tafereeltje, ze zijn te vinden in zijn fotoboek Koningin Eenoog. Verder bracht hij zelfs een bibliofiel prentenboekje over het Beertje Bombazijn uit. Toen ik hem twee jaar geleden schriftelijk vroeg of hij zich bijzonder interesseerde voor de teddybeer kreeg ik een zelfontwikkelde foto van een haveloze teddybeer teruggestuurd. Op de achterkant staat geschreven: "Neen, Jolanda, voor teddyberen interesseer ik me al 60 jaar niet meer, al bestaat het dier dat mij troostte in mijn prilste jeugd nog altijd, zie ommezijde.'

De teddybeer kan natuurlijk niet los gezien worden van de echte beer. Dat ook de echte beer opvallend vaak opduikt in Hermans' werk kan, geloof ik, dan ook geen toeval zijn. Niets is immers toevallig in zijn werk, in maar liefst zeventien boeken trof ik de teddybeer en de beer aan.

De meeste van die beren hebben net als de menselijke personages invloed op de loop van het verhaal. Maar belangrijker is dat ze een overwegend positief karakter hebben. Ja, temidden van al die bedriegers en bedrogenen loopt de beer rond als de incarnatie van Hermans' enige vriend. Ze lopen rond en soms praten ze. 't Is Hermans' alter ego Age Bijkaart die het volgende schreef over de ontroering die van sprekende dieren uitgaat: "Ik denk dat deze ontroering gebaseerd is op de geheime hoop dat de dieren, als ze konden praten, minder leugenachtig en gemeen zouden zijn dan de mensen.' Maar waarom kiest Hermans juist de teddybeer? Wat maakt dit knuffelbeest zo bijzonder? Niet alleen bij Hermans, ook in Gerard Reve's laatste roman Bezorgde Ouders speelt een reusachtige teddybeer een prominente rol. Er is geen pop of pluche beest te bedenken dat zoveel bekendheid geniet als de teddybeer.

Uit de geschiedenis van de teddybeer blijkt dat dit knuffeldier in nog geen eeuw tijd een vaste plaats in onze cultuur veroverd heeft. Zo publiceerde de National Geographical Society in 1974 een rapport waarin zij de teddybeer het meest populaire speelgoed voor de jeugd noemt. En je hoeft maar een kijkje te nemen bij de Bijenkorf om vast te stellen dat daar waarschijnlijk geen verandering in is gekomen.

De echte beer heeft al eeuwenlang een speciale plaats in onze mythen, sagen en folklore. Mogelijk vanwege zijn gedrag en voorkomen die nogal menselijk aandoen. Hij is weliswaar een gevaarlijk en vechtlustig roofdier, maar eveneens zeer goed tembaar. Hij kan zelfs leren dansen en jongleren. Vastgehouden aan de leiband door zijn zigeunerbaas vertoonde de dansende beer op kermissen zijn kunstjes. Maar, zoals Hermans ergens schreef, het was een truc: de beer stond eenvoudigweg te trappelen op een verhitte ijzeren plaat. Baloo de beer uit Kiplings Jungle Books, Bruintje Beer, Winnie-the-Pooh, Paddington en Ollie B. Bommel: niemand kijkt er meer van op dat beren zich als menselijke types gedragen. Ze beleven avonturen, zijn wat sullig en braaf, en hebben over het algemeen een goedmoedig karakter. Het is dus niet zo verwonderlijk dat kinderen fantaseren over levende teddyberen. Hun eerste speelkameraad is de eeuwige luisteraar en zal dat jaren blijven. Bondgenoot door dik en dun, bereidwillige plaatsvervanger van de altijd bezige moeder, kortom de allertrouwste boezemvriend.

In zo'n hoedanigheid heeft Hermans de teddybeer tot leven gewekt in het gelijknamige verhaal uit 1955. Preker, een oude man met een kunstbeen, heeft voor een zielig weesjongetje een kameraad gezocht: een enorme teddybeer (1.56 meter), "de grootst mogelijke vriend die ik voor hem kan vinden'. Het is een fantastisch verhaal, vol irrationele gebeurtenissen en groteske effecten, een droomvertelling. Zo fronst de beer zijn voorhoofd en wrijft zich in de ogen alsof hij leeft. En de geile Preker vindt het heerlijk om hem op z'n schoot te nemen en het wolharige dier te knuffelen.

Ook de God Denkbaar, hoofdpersoon van de roman die een jaar later verschijnt, vindt het fijn om zijn neus in zulke zachte haren te drukken - al zijn die dan van een echte beer. (Het verhaal "De Teddybeer' wordt wel als een voorstudie van deze merkwaardige roman gezien.) Denkbaar treedt op als bereleider met goddelijke eigenschappen, af en toe slaat hij z'n arm om de geketende bruine beer om van de warme vacht te genieten. Hetzelfde aanhalige gedrag vertoont deze grappige godheid jegens een vrouw in bontjas.

Parel

De teddybeer, de beer en de bontjas; 25 jaar later zouden zij bijeengebracht worden in de magistrale roman Uit talloos veel miljoenen. De personages zijn, net als de schrijver, ouder geworden. De roman gaat over het ongelukkige, 23 jaar oude huwelijk tussen Sita en Clemens van de Wissel. De oorzaak is hun beider onvruchtbaarheid. Clemens kan geen wetenschappelijk artikel produceren en Sita geen kind baren ten gevolge van een clandestiene abortus. Haar dochter Parel, voortgekomen uit een kortstondige relatie van voor haar huwelijk, bezorgt het echtpaar door haar hoerige gedrag geen gelukkig ouderschap.

De naar kinderen verlangende Sita besluit versjes te gaan schrijven over een beertje. Ze noemt het Beertje Bombazijn. Toen ze klein was bezat ze zelf een donkerbruin beertje met roze voetzolen waar op een dag de houtwol uitpuilde. Haar oma lapte het op met zwart bombazijn en daar was Sita erg blij om. Want de beren in Artis hadden ook zwarte handpalmen en voetzolen. Hij was nu dus veel echter. (Autobiografisch? De teddybeer op de foto die Hermans mij zond is op dezelfde plekken versteld.) De naam Beertje Bombazijn wijst ook ergens anders op. Sita is verslaafd aan de sherry die ze verstopt in de azijnfles. "Verdient (uitgever) Hosselaar een bom duiten aan Beertje Bombazijn. En drinkt Sita nog meer sherry uit een fles waarop staat Azijn', hoopt de schrijfster. Maar helaas, Hosselaar blijkt een grote oplichter en wordt ongelukkigerwijs ook nog Beertje Brandewijn genoemd.

De aandoenlijke Sita voelt zich schuldig over haar losbandige jeugd en de dito dochter die daaruit voortkwam. Parel werd verwekt in het wolwinkeltje van haar ouders en de gedachten aan die vrijpartij vervullen Sita met ontroering. De paradijselijke geur van schuldeloze wol had haar bedwelmd en zorgeloos gemaakt. Als zij op een dag een echte beer ziet denkt ze aan het wolwinkelje: "Die beer heeft ronde oortjes, dacht Sita, ronde oortjes van wol. Een vreselijke fantasie drong zich aan haar op: dat zij er niet in geslaagd was een gelukkig kind ter wereld te brengen, omdat zij geen mensenkind maar een beer had moeten baren, want uit een wolwinkeltje konden alleen maar welgeschapen beren voortkomen.' Even later stapt de "welgeschapen' Parel met een bontstola om uit een taxi.

Sita kent de stripfiguren Bruintje Beer, Olie B. Bommel en Paddington. Maar haar versjes lijken in geen enkel opzicht op hun verhalen: "Bombazijn, dat brave beertje- Die at 's zondags graag een peertje.- 's Zaterdags een stukje worst- Met een biertje voor de dorst', schrijft ze bij voorbeeld. Hermans in de persoon van Richard Simmillion schreef al eerder dat zijn eerste held en zedelijk voorbeeld Bruintje Beer was. (Van 1929 tot 1950 stonden diens avonturen in het Algemeen Handelsblad). Toen Aart van Zoest voor een artikel over Hermans de Bruintje Beer-vertaalster Tineke Woltz opbelde om te vragen of er overeenkomsten waren tussen Bruintje Beer en Beertje Bombazijn, reageerde zij verontwaardigd: Bruintje Beer die een biertje drinkt? Dat nooit! Overigens verscheen Beertje Bombazijn in oktober 1981 als een bibliofiel kinderboekje in een oplage van vijftig exemplaren. Van een inleiding voorzien door Sita's uitgever Hosselaar. Een practical joke van Hermans.

Ketting

Op een dag verschijnen twee zigeuners met een beer aan de ketting voor Sita's deur. Ze vindt het zielig dat de beer een ketting door de neus heeft, aait zijn oortjes en vergelijkt hem met een teddybeer. Maar zij is ook bang en denkt dat de eigenlijk gevaarlijke beer haar een gruwelijke waarheid komt openbaren. En ze raakt helemaal overstuur als ze later een teddybeer aan een tak van een boom ziet hangen. "Zijn poten hield hij gestrekt, of hij bezig was te stikken.' Het voert te ver om hier de hele scène die zich afspeelt bij de schroothandelaar De Zwarte Dwerg te beschrijven, maar de verleiding is groot. Het is kostelijk en dramatisch tegelijk, met al de verwijzingen naar hun onvruchtbaarheid (een ijskast, een potentiometer waarover Sita opmerkt: "Ach zo, om de potentie te meten, zeker. Alsof daar nog wat aan te meten valt.') Hermans op z'n best. In ieder geval, aan het eind van de roman worden haar manuscripten gestolen en krijgt ze te horen dat ze baarmoederkanker heeft. Op een schitterende manier heeft Hermans in deze roman de beer met het thema, onvruchtbaarheid, verbonden. De versjes over Beertje Bombazijn, die Sita doen terugdenken aan haar kindertijd en het warme wolwinkeltje, worden een grote mislukking. En de echte beer wijst alleen maar op haar schuldige verleden en haar noodlottige toekomst: dat zij toen, nu en nooit van haar leven een kind van Clemens zal kunnen baren.

Niet altijd is de teddybeer even opvallend aanwezig. Zo zegt bij voorbeeld het hoertje Maritza, een wees, tijdens een bedscène met de hoofdpersoon uit De tranen der acacia's: "Je bent een lieverd, je bent mijn grote teddybeer.' En in het minder bekende werk De woeste wandeling (1962) zien we de teddybeer als onafscheidelijke kindervriend van een driejarig meisje, Teddie genaamd. In dit nooit uitgevoerde filmscenario laat de auteur zelfs een paar keer de camera op het speelgoedbeest inzoomen.

De teddybeer als enige vriend; het lijkt me duidelijk dat Hermans dit sentiment in verschillende verhalen en romans heeft verwerkt. Opvallend is echter dat het knuffelen van een teddybeer en het aaien van een echte beer vaak een seksuele betekenis hebben. Denkbaar omhelst de beer als een geliefde, Preker projecteert zijn seksuele verlangens op de teddybeer en Sita denkt dat ze een welgeschapen beer heeft gebaard. Het zijn de zachte haren die erotische gevoelens opwekken. Niet toevallig wordt de berehuid als kleedje in slaapkamers gebruikt (Conserve, Nooit meer slapen) en dragen opvallend veel verleidelijke vrouwen in Hermans' werk een bontjas. Nòg opvallender is dat Hermans in Conserve een vrouw in bontjas met een bruine beer vergelijkt, een vergelijking die hij overigens pas in de herziene uitgave aanbracht.

Hermans' personages hebben een voorliefde voor harige stoffen als bont, fluweel en wol. En de bontjas vormt mijns inziens een belangrijke schakel tussen de teddybeer en de moederfiguur. Beide symboliseren veiligheid, geborgenheid en bescherming. De bontjas roept, net als de berevacht, zowel moederlijke als seksuele gevoelens op. Vooral veel hoeren dragen een bontjas: Parel, Maritza en Marie uit het oude verhaal "Hermans is hier geweest'. Het duidelijkst komt de moederlijke en seksuele functie van de bontjas tot uiting in De tranen der acacia's. Arthurs stiefmoeder draagt een manteltje van wit bont, het glijdt van haar schouders. Een andere moederfiguur, Andrea, laat ook haar bontjas openhangen. Als Arthur met haar vrijt in een op-en-neer gaande lift komt het hem voor dat de liftkabels zachtjes "mamma' roepen. Denkbaar bevredigt zijn lusten bij een courtisane, wier bontmantel is opengeslagen en almaar toeneemt. Het lijkt alsof de (dikwijls hoerige) vrouw in bontjas als een soort veredelde teddybeer kan worden gezien: het knuffelen van het zachtharige speelgoeddier door jeugdige personages is uitgegroeid tot het vrijen met een vrouw in bontjas door volwassenen. Want, zoals de ik-figuur in het gedicht "Horror Coeli' uit de gelijknamige bundel uit 1946 het al verwoordt: "Er is geen vrouw die warm genoeg van haren- is om mijn schrijnend lichaam te verwarmen.'

Lichtpuntje

Moedwil en misverstand, paranoia, bedriegers en bedrogenen, chaos en total loss. Wat doet de zachtharige teddybeer in de ideeënwereld van Willem Frederik Hermans? Wat is zijn plaats in het sadistische universum? Is de beer een van die wilde jungledieren die onder de dubbele bodem van de menselijke ziel huizen? Een antipathiek romanpersonage? Integendeel!

"Wie goed om zich heen ziet,' schrijft Hermans in Het sadistische universum, "ontwaart geen eenheid van handeling, maar veelheid en zinneloosheid van handeling, verwarring, chaos en verveling.' Ieder mens probeert een bepaalde orde in de hem omringende chaos te leggen, een orde die niet bestaat. Zo schept ieder individu een eigen, mythische realiteit en is zinvolle communicatie tussen mensen uitgesloten. Men kan de werkelijkheid niet kennen, interpretatie van elkaars woorden en daden leidt tot verwarring, bedrog en misverstand. Vriendschap en liefde bestaan enkel in ieders persoonlijke mythe en berusten in feite alleen op eigenbelang en machtsdrift. Zo schetst Hermans zijn sombere wereldbeeld in het voornoemde boek. Maar er is een lichtpuntje.

In het prachtige interview met Ischa Meijer uit 1970 (zie Scheppend nihilisme) zegt Hermans dat vriendschap altijd op een bepaalde belangengemeenschap gebaseerd is. Toch geeft hij toe dat het wel fijn is om lief te zijn voor iemand zonder bijbedoeling: “Maar dikwijls breekt je dat zuur op, naderhand.” En even later zegt hij: “Genegenheid om niet is eigenlijk alleen iets wat je aan dieren kunt bewijzen. Of dode dingen... zoals tikmachines.” Of teddyberen...

De teddybeer spreekt noch handelt, zijn gedrag kan nooit tot misverstand en verwarring leiden. De eenzijdige relatie van de mens tot dit speelgoeddier ontneemt hem de angst om bedrogen te worden in zijn vriendschap. In de mythische realiteit van het individu kan de teddybeer dus wel als goede vriend beschouwd worden. De mens wordt in zijn vertrouwen nooit beschaamd omdat de beer niets terug kan doen. De teddybeer is in het door Hermans voorgestelde universum een van de dieren die, anders dan de mensen, in staat zijn gevoelens van liefde op te wekken. Noodzakelijkerwijs is deze liefde een illusie. Als in een droom wordt in sommige verhalen en romans de beer tot leven gewekt om als kameraad dienst te doen voor de eenzame, onbegrepen personages.

Hermans' liefde tot de kat is eigenlijk op dezelfde illusie gebaseerd als de liefde tot de teddybeer. In De liefde tussen mens en kat (1985) schrijft Hermans: "Wie een kat liefheeft, voelt zich, op ogenblikken waarop hij zijn liefde sterk beseft, "bedroefd en goed'.' Maar hij moet wel beseffen dat het een ongelukkige liefde is; de kat bemint hèm namelijk niet. Eerder onderkende Hermans de voordelen van deze eenzijdige relatie in een interview met Marja Roscam Abbing uit 1971: “aan poezen hoef je geen eisen te stellen en geen concessie te doen, ze kunnen je dus niet teleurstellen.” Hermans wijst in dit gesprek op zijn in 1949 geschreven verhaal "De kat Kilo'. Net als de beer in het verhaal "De Teddybeer' is deze kat van enorme grootte. En ook de liefde tot Kilo en het knuffeldier wordt op dezelfde manier beschreven: de ik-persoon in "De kat Kilo' drukt graag zijn neus in het nekvel van de kat, Preker "drukte zijn neus in de zachte wol en snoof'. In beide verhalen wordt een genegen (knuffel)dier op groteske wijze ten tonele gevoerd. Zoals ik al eerder zei: als in een droom.

Maar als om ons uit de droom te helpen laat Hermans letterlijk een belletje rinkelen als de beer in zijn werk verschijnt. Rinkelende kettingen, tamboerijngeroffel en applaus, steevast wordt daarmee de raadselachtige rol van de kermisbeer ingeluid. In de novelle Homme's hoest en in de roman Uit talloos veel miljoenen danst de beer aan de ketting op de maat van een tamboerijn. Sita droomt dat de losgebroken beer voor haar in de handen (niet poten!) klapt, "waarbij het stuk ketting dat aan zijn neus hing rinkelde als een bel'. En in De God Denkbaar is er op een gegeven moment niets meer te horen dan het gerinkel van het stuk ketting dat aan de hals van de beer hing. Ook Denkbaar krijgt, als hij de beer bij de ketting neemt, applaus. Wat heeft dit met de teddybeer te maken? Welnu, Hermans' eigen, nog steeds bestaande teddybeer blijkt ook een belletje aan een ketting om zijn hals te hebben.

Het ondermaanse is een verschrikkelijk oord, maar toch, ergens, goed verscholen, is er een "vaag ravijn van bont'.