Dwergencircus in de kindercircus

De trein uit Frankrijk kwam aan het eind van de dag in Amsterdam aan. Ik stapte uit en belde vanaf het station mijn vriend Jan op. “Ben je in Frankrijk naar het nieuwe Dwergen-Circus geweest?” vroeg Jan. “Ik heb een verrassing voor je,” antwoordde ik. “Ik heb het Dwergen-Circus mee naar Holland genomen. Weet je wat zo leuk is? Het Dwergen-Circus past precies in een kinderwagen.” “Daar geloof ik niets van,” riep Jan door de telefoon. “Een kinderwagen is veel te klein om een circustent en al die circusartiesten en dieren in te vervoeren.”

Ik vertelde Jan dat er maar drie mensen in het nieuwe circus werkten, de dwerg Stompie en de lilliputters Dinkie en Muk. En dat er maar één dier werkte, de Braziliaanse wesp Rosita. En dat Rosita in de trein uit het raam was gevlogen.

“Als ik het goed begrijp, sta je dus met een kampeercircustentje en een kinderwagen vol dwergen op het station. Dan lijkt het me maar het beste dat ik jullie met de auto kom ophalen,” zei Jan. Toen ik uit de telefooncel kwam zag ik Stompie, Dinkie en Muk rechtop in de kinderwagen zitten, die op het perron was achtergebleven. Ze lieten hun korte beentjes over de rand bungelen en ze zongen het hoogste lied:

Een circusartiest voelt zich overal

thuis

De zee is zijn badkuip, de zon zijn

fornuis

Hij leeft van de wind maar dat deert

hem niet

Als de mensen lachen, verdwijnt zijn

verdriet

Joechei! Wat is ons leven mooi

Wij hebben niets te klagen

Al slapen we soms in het hooi

Of in een kinderwagen.

Ik duwde de kinderwagen met de zingende dwergen naar de uitgang van het station. Toen Jan de kinderwagen met de dwergen in de auto had geladen, zei Stompie: “Jan, weet jij een klompenwinkel? Nu we in Holland zijn, willen we op klompen lopen.” Jan stopte bij een winkel waar ze poppen in Volendamse klederdracht, kleine stenen molentjes en beschilderde klompen verkochten. De dwergen zochten alledrie rode klompjes uit, trokken vervolgens hun schoenen uit en liepen op hun klompen de winkel uit.

“Hebben jullie geen honger na zo'n lange treinreis?” vroeg Jan.

“Hoor je onze magen niet rommelen?” riepen de dwergen in koor terwijl ze met hun klompen op het trottoir begonnen te stampen. “Ja, nu je het zegt, hoor ik het ook,” zei Jan.

“Ons jonge hart gaat uit naar een echte Hollandse maaltijd: gevulde doperwten met appelstroop, patat, appelmoes en een gehaktbal,” zei Dinkie.

“Ik heb eigenlijk geen zin om doperwten te gaan vullen. Laten we maar in de stad gaan eten,” zei Jan. Toen we in een restaurant aan tafel zaten, zei de ober: “Er staan geen Gevulde Doperwten op de kaart maar wel Lege Groene Erwten, wij noemen dat Erwtensoep. Maar in de zomer is daar geen vraag naar. We hebben dus ook geen Erwtensoep. Maar wat ik kan aanraden zijn Pannekoeken. Onze Pannekoeken zijn super, al zeg ik het zelf.”

De dwergen wilden elk vijf pannekoeken met extra stroop. “Laten wij dan ook maar pannekoek eten,” zei Jan tegen mij. Toen de ober zeventien pannekoeken op tafel had gezet, zei Muk: “Ik kan geen hap door mijn keel krijgen. Ik moet steeds aan Rosita denken, aan die lieve, verlegen wesp die nu moederziel alleen ergens in Nederland vliegt. Dat is toch zielig voor een Braziliaanse wesp.”

“In Nederland is het wespentijd. Overal vliegen er wespen rond. Rosita vindt vast wel een Nederlands wespenvriendje,” zei Jan om Muk te troosten. “Maar ik ben nu ook brodeloos. Ik ben een wespentemmer en een wespentemmer zonder wesp is net een leeuwentemmer zonder leeuw,” klaagde Muk. “Bij ons op het balkon kan je een nieuwe wesp vangen,” zei Jan. “Gelukkig maar,” zei Muk en daarna begon hij meteen aan zijn eerste pannekoek.

De eerstvolgende dagen waren de dwergen steeds op het balkon in de weer. Overal hadden ze glazen met restjes limonade neergezet waaruit ze met een theezeefje halfverdronken wespen opvisten. “Ik geef het op,” zei Muk na drie dagen. “De Nederlandse wesp is niet geschikt voor wespendressuur. Het zijn rotbeesten. Ze steken meteen.”

“Willen jullie Borus, mijn Russische dwerghamster zien?” vroeg ik aan de dwergen. “Oh ja, dat moet ik je nog vertellen,” zei Jan. “Toen je in Frankrijk was, verveelde Borus zich zo. Daarom heb ik een vriendje voor hem gekocht.”

“Wat een leuk diertje,” zei Stompie toen hij Borus zag. “En wat kan hij hard in zijn molen lopen. Borus is een geboren circusartiest. Als dwerghamster is hij helemaal op zijn plaats in het Dwergen-Circus. Weet je wat? Jij komt als hamstertemster in ons circus werken en Jan wordt chauffeur. Dan trekken we met zijn allen met het Dwergen-Circus de wereld rond.”

“Laten we morgenochtend dan maar meteen vertrekken want volgende week moet ik weer aan het werk,” zei Jan. De volgende ochtend laadden we de circuskampeertent en de kinderwagen in de auto. “Jan, wil je ons naar de auto dragen? Onze voeten doen pijn. Van die klompen krijg je blaren op je voeten,” riepen de dwergen waarna ze met zijn drieën tegelijk op zijn rug sprongen. Toen Jan met een toren van dwergjes op zijn rug bij de deur stond, pakte ik de hamsterkooi. Tot mijn verwondering hoorde ik zachte, hoge piepgeluidjes uit het slaaphuisje van Borus komen. Om Borus niet wakker te maken, tilde ik voorzichtig het dak van zijn slaaphuisje op. Behalve Borus lagen er drie kale, roze wezentjes in die op miniatuurvarkentjes leken. “Donders,” riep ik. “Borus is helemaal geen mannetjeshamster. Onze wereldreis met het Dwergen-Circus kan niet doorgaan want Borus kan niet optreden. Borus is zojuist moeder geworden.”