De partijveteranen voelen zich verraden

MOSKOU, 30 AUG. “Jij bent jong, jij kunt dat nooit begrijpen. Er zijn in mijn leven twee rampen gebeurd. Mijn dochter is gestorven en nu ben ik mijn geloof kwijt. De rest is kinderspel geweest.” Maria, die haar achternaam niet zeggen wil, is in 1900 in Smolensk geboren. Op haar 23ste werd ze lid van de communistische partij, uit volle overtuiging en zelfs nu, nu alle idealen in duigen zijn gevallen, kan ze het niet over haar hart verkrijgen haar partijlidmaatschap op te zeggen.

Maria is 90 en als haar wereld niet was ingestort zou ze bonter zijn dan een jong ding. “Je bent op het verkeerde moment gekomen. Een week eerder hadden we nog plezier. Je komt op een moment dat ons een ramp is overkomen”. Ivan Mitrofanovitsj Moroes (89) knikt instemmend. Hij is zo kaal als een knikker en draagt een strooien hoedje op zijn Kojak-schedel. Hij heeft een “plankje” op zijn borst. Zo noemt men hier de verzameling lintjes, die gedragen worden in plaats van de zware metalen oorlogsmedailles. Ivan Mitrofanovitsj heeft gevochten, en hoe! Met de achtste tankdivisie heeft hij Lvov en omstreken onveilig gemaakt.

Maria en Moroes zijn twee van de driehonderd inwoners van het Huis van de Veteranen van de partij, dat twee maanden geleden met vooruitziende blik is omgedoopt in het Huis voor Oorlogs- en Arbeidsveteranen. Het rustoord ligt in de bossen van het schrijversdorp Peredelkino, op een steenworp afstand van het huis van Pasternak. Het is in 1922 door Lenin gesticht en heette toen het “Huis van de Politieke Dwangarbeiders”. Het was een rustoord voor hen die onder de tsaren gevangen hadden gezeten. Een in gepeins verzonken bronzen Lenin wandelt voor de deur, een vogel heeft een grote witte spetter op zijn voorhoofd achtergelaten.

Directeur Dmitri Doembrov wil me eigenlijk liever niet toelaten. “U moet goed begrijpen”, zegt hij, “dat de mensen hier blootgesteld zijn aan morele executie. Ze komen huilend bij me, mensen die zeventig jaar lid zijn geweest van de partij, nooit een rooie duit hebben gehad en hier aangekomen zijn met een koffertje met niks. Ze voelen zich belazerd door de partijtop, ze gaan liggen, eten niet meer en willen dood. De putsch heeft ze in een shocktoestand doen belanden”.

Ivan Mitrofanovitsj is in 1902 in Krasnodar geboren in een gezin van spoorwegarbeiders. Hij is partijlid sinds 1921. De revolutionaire geest werd ook over hem vaardig en zijn blauwe ogen gaan weer glimmen als hij terugdenkt aan die tijd van hoge idealen en jeugdige overmoed. In 1924 werd hij beroepsmilitair, hij belandde bij de Rode Ruiterij, waar Isaak Babel zo mooi over heeft geschreven. In 1931 werd hij overgeplaatst naar de tanktroepen. 31 jaar trouwe dienst heeft hij opgeknapt.

Over Stalin was Mitrofanovitsj eerst, met vele anderen, enthousiast, maar de arrestaties maakten hem wantrouwig. “Maar ik hield als iedereen mijn tong achter mijn kiezen en ik ben die tijd doorgekomen met niet meer dan een partijberisping.” In de oorlog vocht hij in de West-Oekraïne en tot zijn verbazing zagen zijn kameraden en hij dat de mensen daar veel beter gekleed waren. “Ze hadden ons altijd verteld dat we beter leefden dan de rest van de wereld”.

Pag. 5:

"Ik schaam me voor de partijleiding, ze hebben ons verraden'; "Ik dacht dat we gelukkig zouden worden'

Ivan Mitrofanovitsj verwelkomde de perestrojka. De Brezjnev-tijd was iets vreselijks, het was hoog tijd dat er iets veranderde. Toen hij op 19 augustus van de coup hoorde dacht hij eerst: eindelijk orde! Maar toen de tanks in de straten verschenen begreep hij dat hier iets niet klopte. Ivan Mitrofanovitsj was secretaris van de partij-organisatie in het rustoord, dus de mensen kwamen bij hem om te vragen hoe het zat. “Maar ik begreep er zelf geen snars van!” Hij verwijt zichzelf nu dat de partij-organisatie niet meteen een afwijzend standpunt heeft ingenomen, maar de discipline zit er bij de oude partijkaders zo stevig in, dat ze alleen maar met stomheid geslagen voor de televisie zaten.

We staan op het bordes en het miezert zachtjes op Lenin. Een vrouw komt met een dikke wollen maillot en pantoffels aan aansloffen en roept al van verre: “Ze hebben alles alweer beslist zonder de arbeidersklasse! Waar zijn de arbeiders van de Poetilov-fabrieken en van de Lenin-werf? De arbeidersklasse moet bij de besluitvorming worden betrokken! Er zitten alleen maar intellectuelen in het parlement, zet u dat maar in de krant!” Voor het eerst zie ik dat er ook zoiets bestaat als marxistisch-leninistische sclerose. Met zachte hand duwt Maria haar weg. “Ze is een beetje van lotje getikt, zo zijn er hier veel”, zegt ze vergoelijkend. “We zijn allemaal niet helemaal goed meer bij ons hoofd.”

Gisteravond was er een emotionele bijeenkomst in het Veteranenhuis. De bewoners besloten tot ontbinding van de partij-organisatie. Sommigen huilden. Tien mensen stemden tegen, een van hen een seniele generaal die de militaire staatsgreep steunde, omdat hij geheel is afgedaald in zijn verleden als frontsoldaat. We hadden geen keus, zegt secretaris Ivan Mitrofanovitsj en hij draait de sleutel om in het slot van zijn vroegere kantoortje. Aan de muur hangt Lenin, op tafel ligt de laatste Pravda, van 22 augustus. Nu is zijn krant verboden.

“Ik ben ernstig teleurgesteld in de partijtop. Terwijl wij gewone communisten vochten, hebben zij uit onze naam zulke wandaden gepleegd. Maar ik laat me niets toeschrijven. Ik heb mijn hele leven eerlijk gesappeld, ik heb nooit op de zak van het volk geleefd.” Ivan Mitrofanovitsj blijft Gorbatsjov steunen. Er moet een nieuwe communistische partij worden opgericht. Maandag gaat de kluis in het kantoor van de voormalige partij-organisatie open. Dan krijgen alle bewoners hun partijlidmaatschapsboekje terug. Maar niemand denkt erover uit de partij te stappen. “Ik ben niet in staat mijn hele leven op te geven”, zegt Maria. “Wij dachten dat ze iedereen gelukkig zouden maken. In 1937 begon ik te begrijpen dat er iets mis was met de partij, maar toen was de partij al een deel van mijn genetische wezen gaan uitmaken. Je kunt niet anders meer. Ook gisteren heb ik de stap niet kunnen zetten.”

Nikolaj Isachanov (85), voorzitter van de Veteranenraad, is woedend. Zijn Armeense ogen spuwen vuur en hij duwt zijn vrouw hardhandig de kamer in. “Mij moeten ze onderschoffelen met mijn partijlidmaatschapskaart”, zegt hij kwaad. Isachanov, die in Nagorno Karabach is geboren, werd in 1928 uit volle overtuiging partijlid. Een andere partij hoeft hij niet, maar hij is tegen de staatsgreep, die de partij te schande heeft gemaakt. “Wij zijn oud, ik heb niks gezegd, ik was bang als iedereen. We waren in verwarring gebracht en als partij-organisatie hebben we gefaald”, zegt hij. “Maar wie niet werkt maakt geen fouten. Het is vernederend voor ons oude communisten dat de partij getoond heeft geen ruggegraat te hebben.”

Toch houdt Isachanov onverkort aan Lenins partijlijn vast. Het zijn de gewone communisten die het vaderland van het racisme hebben gered. Isachanov protesteert heftig tegen de ontbinding van de partij. Niet de communisten moeten worden vervolgd, maar de partijleiding, het politburo. “Zij moeten worden vernietigd”, verduidelijkt hij, maar of ze de doodstraf verdienen durft hij niet te zeggen. “Ze zijn de naam communist niet waard gebleken, maar het socialisme blijft een goed idee. Dat mag niet op de vuilnishoop van de geschiedenis belanden. Daar krijgen jullie nog spijt van”, dreigt hij.

Isachanovs pijn vertaalt zich in woede. Wanneer ik hem vraag welke partijleiding in de geschiedenis volgens hem eigenlijk goed werk heeft afgeleverd, reageert hij geprikkeld. “Ik kan niet veel woorden uitbrengen. Ik heb het zwaar, laat me met rust”, zegt hij. “Een handjevol zogenaamde leiders heeft er een puinhoop van gemaakt, maar voor Jeltsin heb ik grote achting. Hij heeft het vaderland gered. Ik buig het hoofd voor hem, al is hij uit de partij gestapt.” Isachanov is een beetje opvliegend van aard, zegt Ivan Mitrofanovitsj vergoelijkend als de boze Armeniër zijn vrouw weer heeft opgezocht. Als secretaris van de partij-organisatie moet je met iedereen goed kunnen opschieten.

“Ik zou liever uit het leven stappen dan deze schande voor de partij te moeten verdragen”, zegt Georgi Ljamlin (86), die in een dorp in het gouvernement Vladimir werd geboren in een glasblazersgezin met acht kinderen. “Ik schaam me voor de partijleiding, ze hebben ons verraden.” Ljamlin heeft voor ontbinding van de partij-organisatie gestemd. “Wat bleef ons anders over? Moeten we soms weer ondergronds gaan? Maar ik heb mijn overtuigingen nooit geweld aangedaan, zelf niet toen ze me in 1935 in de gevangenis sloegen. Ik voel me gekwetst. Als je naar de tv kijkt, krijg je de indruk dat de partij dezer dagen veel openbare aanklagers heeft en maar weinig advocaten.”

Maria leest dagelijks de kranten, en niet de eerste de beste. Op haar kleine kamertje liggen de Izvestia, de Moskovskije Novosti en de Ogonjok, het weekblad waar ze bij zweert. Ze is zelf haar halve leven journalist geweest. “Ik was bereid voor de partij door het vuur te gaan. Wij dachten dat we allemaal gelukkig zouden worden. Met Gorbatsjov heb ik enorm te doen. Ik hem in hem geloofd, hij heeft veel goed gedaan, maar zijn krachten waren beperkt. Jeltsins grote kwaliteit is dat hij zich omringt met goede mensen.”

Veel van de bewoners van het huis, zegt directeur Doembrov, hadden een hekel aan Jeltsin. Een aantal van hen schreef Gorbatsjov vorig jaar zelfs een brief om hem te feliciteren met zijn ruk naar rechts. “Dit is een nest van orthodoxen. We hebben hier een staliniste van 92, wier man in de jaren dertig geëxecuteerd is. Zelf heeft ze 22 jaar als dwangarbeidster in de houtkap gewerkt. Haar dochter is in de oorlog door de Duitsers opgehangen. Zij zal de partij tot haar dood toe trouw blijven. Ze maakte laatst ernstig bezwaar tegen toelating van niet-partijleden tot het rusthuis.”

Doembrov oefent af en toe zachte druk uit op zijn ouden van dagen. Zo placht de vroegere partijsecretaris zijn huisgenoten te agiteren en op te stoken. “Hij gaf de arme oudjes allerlei vermoeiende opdrachten. Hij dwong ze tot ontmoetingen met scholieren en ander politiek werk. Ik heb ze geadviseerd hem te vervangen en dat hebben ze gedaan. Als gerontoloog moet ik op de gezondheid van mijn bewoners letten.”

Maria toont me haar lievelingsboeken en de foto's in haar boekenkast. “Je bent op een verkeerd moment gekomen”, herhaalt ze treurig. “Voor ons is dit een catastrofe.” Een heksenjacht op communisten vreest Maria niet. “Wij hebben ons hele leven in angsten en in leugens geleefd, maar die tijd is voorbij. En dat is de verdienste van Michail Gorbatsjov.”