De onweerstaanbare verbreiding van de drieklapper; Waarom zoenen moet

Vroeger gaven we elkaar een hand. Tegenwoordig bieden we onze vrienden en kennissen de linker-, de rechter- en weer de linkerwang aan. Wij zoenen hun wang en zij de onze.

Schoolmeisjes zoenen elkaar na het weekend, Terry Wogan zoent Cher in zijn talkshow, de jarige schooljuf wisselt zoenen met de ouders van haar leerlingen uit, en op een verjaardag zoent de moderne mens behalve zijn vrienden en kennissen ook de ouders van die vrienden en kennissen.

Niet altijd doet de moderne mens dat met volle overtuiging. Zoenen kan prettig zijn, maar op de drempel van een kamer met taart etende verjaarsvisite wil de lust een nieuwe gast wel eens vergaan. Hij besluit het deze keer te laten bij een serie hartelijke handdrukken. Dat moet dan wel met gestrekte arm gebeuren, bemerkt hij, want anders beschouwt de tegenpartij die hand als houvast bij weer zo'n vochtige omhelzing.

Die zoendwang is het voorlopige eindpunt van een historische ontwikkeling waarin de mensheid iets tot stand heeft gebracht dat we nu met gemengde gevoelens waarnemen. Toch begon het zo sympathiek. Ethologen menen (zie bijvoorbeeld Wickler, 1969) dat de zoen zijn oorsprong vindt in de broedverzorging. Bij dieren, en ook in primitieve menselijke samenlevingen, is te zien hoe ouders hun kinderen voeren met voorgekauwd voedsel dat ze van mond tot mond doorgeven. Die handeling is een eigen leven gaan leiden en een teken geworden van vertrouwen en liefde. De zoen raakte los van zijn oorspronkelijke functie, verkreeg een erotische en een rituele betekenis, maar bleef beperkt tot welomschreven situaties en kringen: aan de ene kant de tedere aanraking tussen ouders en kinderen, en tussen geliefden, aan de andere kant de liturgische vredeskus en de demonstratieve omhelzingen van Oosteuropese regeringsleiders.

Maar een jaar of vijftien geleden veranderde er iets. De zoen overschreed de gezinsgrens, deed zijn intrede in kennissen- en vriendenkring en maakte daar stormachtig carrière.

Kwestie van een veranderende samenleving, concludeert de socioloog en hij bladert in zijn collegedictaat tot hij op het begrip informalisering stuit. Sinds de jaren zestig, zegt onder meer Wouters in zijn vorig jaar verschenen dissertatie, is er in het intermenselijk verkeer meer ruimte gekomen voor het tonen van emoties. Wouters brengt deze verandering in verband met het afnemen van machtsverschillen. We zijn elkaar gaan tutoyeren, "hoogachtend' maakte plaats voor "met vriendelijke groeten' en in onze kleding en ons gedrag konden we meer van onszelf laten zien. De oude voorschriften en vormelijkheden werden het slachtoffer van de emancipatie van onze gevoelens.

In de begroeting van onze vrienden en bekenden, zo zouden we door kunnen redeneren, is de stijve handdruk, de hoofdknik en het lichten van de hoed verdrongen door de zoen, die zoveel warmer is en zoveel beter laat zien hoezeer we op elkaar gesteld zijn. Toneelspelers en artiesten deden het voor en dankzij de televisie, de Story en de Privé namen gewone mensen het over. De zoen werd het affectieve teken, de tie sign van de jaren tachtig.

Die informaliseringsthese zou een verklaring voor de opkomst van het zoenen kunnen zijn, maar voor de onweerstaanbare verbreiding ervan schiet zij toch te kort. Het begroetingszoenen is immers al net zo vormelijk als de handdruk. Ruimte voor individuele expressie biedt de zoen allang niet meer en menigmaal heeft de deelnemer geen keus: hij móet zoenen, of hij het nu leuk vindt of niet.

Waar komt die zoendwang dan vandaan? Nauwgezette analyse onthult het bestaan van een aantal zichzelf versterkende tendensen die als zoenwetten geformuleerd kunnen worden.

Zo is er het aantal. De begroetingszoen nam al gauw de gedaante van een serie zoenen aan. De vluchtigheid die de herhaling met zich meebrengt en de afwisseling van linker- en rechterwang hebben een ritualiserend en de-erotiserend effect en dat was voor de succesvolle introductie in het sociale verkeer een belangrijke voorwaarde. Het waren er eerst twee, maar het werden er snel drie. De introductie van de drieklapper - volgens de meeste bronnen uit het zuiden afkomstig - leidde aanvankelijk tot veel verwarring bij degenen die net aan de tweeklapper gewend waren. De opmars van de drieklapper was echter onstuitbaar. Wie de ontmoeting van een tweezoener met een driezoener observeert weet meteen waarom: de luchtzoen die van deze ontmoeting het resultaat is levert een pijnlijk moment op waaraan de tweezoener zich schuldig voelt. Schiet hij tekort in hartelijkheid? Dat zal hem niet nog een keer overkomen en weer is er een driezoener bij. De recente opkomst van zoeners die drie te veel vinden en verkondigen dat ze "afbouwen naar twee' moet daarom met scepsis bekeken worden. Je moet wel heel sterk in je schoenen staan om het voortdurende luchtzoenen te trotseren. Onderhandelen over de vraag hoe vaak er gezoend gaat worden, voordat het ritueel voltrokken wordt, is effectief, maar weinig elegant. De eerste zoenwet luidt dus: meerklapper gaat voor.

De consequentie van deze wet is dat de vierklapper op de loer ligt. Hij hoeft alleen maar op een aantal strategische plaatsen te worden uitgezet om zich daarna als een besmettelijke ziekte te verspreiden.

Een belangrijke zoenwet is: eens gezoend blijft gezoend. Mensen die on kissing terms zijn, blijven dat. Al zouden ze er vanaf willen, de weg terug is onbegaanbaar - zoals het ook onmogelijk is van tutoyeren weer naar vousvoyeren te gaan. Deze zoenwet is zo noodlottig omdat je on kissing terms bent voor je het weet. Wat ligt er meer voor de hand dan een paar hartelijke afscheidszoenen aan het slot van dat gezellige avondje met de collega's van de zaak? En voortaan ben je met zoenbanden aan ze geketend.

Voor de verklaring van de zoenverbreiding is ook de reciprociteit van het zoenen van groot belang. Het begroetingszoenen is een symmetrische handeling: de een zoent de ander en daarna de ander de een, enzovoorts. Hoewel sommige vrouwen de indruk weten te wekken dat ze eigenlijk alleen maar gezoend worden, is de overwegende tendens toch die van de wederkerigheid. De asymmetrie die de drieklapper oplevert wordt door sommigen effectief bestreden. Er zijn betrouwbare verklaringen van getuigen die melden dat ze tot hun verbijstering de derde zoen op de mond ontvingen.

Symmetrie en reciprociteit houden verband met een fundamenteel kenmerk van het begroetingszoenen: de deelnemers beschouwen elkaar als hun gelijken. Met zoenen demonstreert men niet zozeer affectie, maar steeds meer stijl- en klasseverwantschap. We komen hier op een van de belangrijkste verklaringen voor de stormachtige verbreiding van het zoenen. Temidden van een zoenend gezelschap zijn niet-zoenen en niet gezoend worden de tekens van de outsider geworden en die rol ligt maar weinigen.

De tendens naar reciprociteit en symmetrie brengt mannen overigens in een ongemakkelijke positie. Mannen zoenen elkaar gewoonlijk niet, maar onder vrienden wordt het gebrek aan een geloofwaardig alternatief zo langzamerhand pijnlijk voelbaar. De handdruk is te vormelijk, de schouderklop geforceerd, de speelse stomp in de maag alleen voor de jeugd. Wat dan? Mannelijke homoseksuelen geven het voorbeeld: zoenen. Met de voortschrijdende acceptatie van homoseksualiteit heeft ook hun zoengedrag aan vanzelfsprekendheid gewonnen. Homo's zoenen hun heterovrienden al. Waarom ook niet, denkt de hetero, en gedachteloos zoent hij zijn zwager.

En zo gaat het verder. De zoen verovert de samenleving en niemand kan er iets aan doen.