De Nederlandse taal gaat naar de bliksem

Willem Frederik Hermans wordt zondag zeventig jaar. Onlangs verschenen zijn nieuwe verhalenbundel De laatste roker en een jubileumuitgave van de 25 jaar geleden verschenen roman Nooit meer slapen. In dit CS een gesprek met de schrijver in Parijs en, op pagina 2, een beschouwing over de teddybeer, in Hermans' boeken een trouwe kameraad te midden van bedriegers en bedrogenen. “Ik had liever de stelling van Pythagoras ontdekt dan dat ik de moeite heb moeten doen om al die dikke romans te schrijven.”

De Raad van State heeft onlangs bepaald dat de universiteit van Groningen een betere motivering moet geven om archiefstukken over uw vertrek als lector geheim te houden. Wat zou er uit die documenten kunnen blijken?

“Ik weet het niet. Die herrie rond mijn vertrek in Groningen is nu twintig jaar geleden en ik heb nog nooit iemand gesproken die bezwaar had tegen het openbaar maken van die stukken. Bovendien zijn de betrokkenen die bezwaar zouden kunnen hebben, dood of gepensioneerd. Toch wil de universiteit de stukken aan meneer Delvigne, die al drie jaar bezig is met deze kwestie, niet vrijgeven. Ik heb er maar één verklaring voor: bij de universiteit zit een ambtenaar die al twintig jaar niets anders te doen heeft dan zich bezighouden met het bedenken van smoezen om dat archief gesloten te houden. En die ambtenaar gaat nu weer een nieuwe smoes bedenken want anders is hij zijn baantje kwijt.”

Waarom schrijft u zelf niet op wat er precies is gebeurd?

“Daar denk ik niet over. Dat acht ik beneden mijn waardigheid en bovendien zouden een heleboel mensen zeggen: nou ja, hij veegt zijn eigen straatje.”

Gaat u nog wel eens naar Groningen?

“Zo nu en dan wordt me gevraagd een lezing te komen geven in die leuke stad Groningen. Ja zeg! Ik heb in Groningen twintig jaar lezingen gegeven, ik heb er Wittgenstein geïntroduceerd, ik heb er reusachtig mijn best gedaan, en het is met schandaal geëindigd. Vier, vijf keer per week heb ik er college gegeven en daarna gingen een paar gereformeerde doctorandussen, partijgenoten van Aantjes, die leugenaar, in de Tweede Kamer vragen of Hermans al die jaren wel wat had uitgevoerd. Je zou denken dat ik op zijn minst de rector-magnificus had vermoord. De vragensteller, die lastertong De Koning, heeft het later nog tot minister gebracht en een paar maanden geleden hebben ze hem tot professor in Groningen gemaakt. Hij is niet eens gepromoveerd en heeft nog nooit iets van wetenschappelijke betekenis voortgebracht.”

In uw nieuwe boek staan veel autobiografische verhalen. Hoe komt dat?

“Mijn autobiografische verhalen moesten ook eens worden gebundeld. Maar ik ril bij de gedachte dat mijn autobiografie als mijn hoofdwerk zou worden beschouwd; zoiets als Het land van herkomst van Du Perron zou ik nooit schrijven. Enfin, soms herinner ik mij een episode uit mijn leven en schrijf die op.”

De verhalen over uw jeugd maken een sombere indruk. Heeft u zo'n ongelukkige jeugd gehad?

“Sommige oudere mensen schijnen met genoegen aan hun jeugd terug te denken, de tijd waarin ze nog gezond, vrolijk en levenslustig waren. Ik niet. Mijn jeugd is iets waaraan ik gelukkig steeds minder terugdenk. Je zou zeggen dat ik toch wel eens plezier moet hebben gehad, maar dat wil mij nooit te binnen schieten. Als ik uitgelaten was kreeg ik al gauw een klets om mijn oren. Ik wil niet zeggen dat mijn ouders zonder meer slechter waren dan andere ouders. Maar ze waren niet erg soepel.”

Als uw ouders wat beweeglijker waren geweest, schrijft u, dan zou u de vaderlandse eigenaardigheden niet zo hebben gehaat.

“Dat geldt waarschijnlijk voor iedereen. Het vaderland wordt in de allereerste plaats door je ouders vertegenwoordigd. Ouders zijn de eerste mede-vaderlanders met wie je kennis maakt. Ach, ik ken weinig schrijvers die tevreden zijn over hun jeugd. Stendhal haatte zijn vader en was het liefst in Italië. Joyce is na zijn 25ste jaar nooit meer teruggeweest in Ierland. Byron moest niets van Engeland weten en is in het buitenland gestorven. Iedere Rus die een beetje kan schrijven, probeert zijn land te verlaten, dat is al tweehonderd jaar zo. En als Vincent van Gogh in Nederland was gebleven, zou hij in een gekkenhuis zijn geeindigd en zijn schilderijen zouden in de kachel zijn verdwenen.”

Heeft u wel eens overwogen in een andere taal te gaan schrijven?

“Dat ligt niet op mijn pad. Ik ben niet erg begaafd voor talen. Maar zelfs als ik meer aanleg zou hebben gehad, zou ik met echte Franse schrijvers toch niet kunnen concurreren. Je zou te veel energie moeten steken in dingen die in je eigen taal geen enkele moeilijkheid opleveren.”

Drie jaar geleden voorspelde u dat na uw dood de Nederlandse literatuur een ongehoorde opleving zou doormaken. Hoe denkt u daar nu over?

“Dat zie ik nu veel somberder in. Ik zie de Nederlandse letteren nog voor mijn dood uitsterven. Welke originele schrijvers zijn er nog? Er is haast geen animo meer. Veel mensen schijnen te geloven dat minister Ritzen gelijk heeft gehad. Ze willen in het Engels aan de universiteit studeren om in Amerika de blits te maken, niet beseffend dat de wereld niet zit te wachten op Nederlanders die gebrekkig Engels schrijven. De Nederlandse taal gaat naar de bliksem. En het nare is dat het gewone mensen niets kan schelen. De gewone mensen in Nederland zijn erg blij als ze een paar Engelse woorden kennen. Onlangs kreeg ik van een blad met de naam Hollands Maandblad een in het Engels gestelde abonnementsrekening! Ik had mij juist op dat Hollands Maandblad geabonneerd omdat ik bijna geen Engels ken. En dan krijg ik zulke rekeningen! "Invoice' stond erboven. Hoe kan ik zulke rekeningen betalen?”

Uw eerste verhalenbundel Moedwil en misverstand heeft als motto, van Schopenhauer: Das Leben und die Träume sind Blätter eines und des nämlichen Buches. Behoort de literatuur tot de dromen?

“Ik geloof niet dat het voor romanschrijvers van groot belang is onderscheid te maken tussen droom en werkelijkheid. Ik houd van verhalen over dingen die niet kunnen gebeuren, maar die met gebruikmaking van de wetten van de werkelijkheid zo in elkaar zijn gezet dat het lijkt of ze wel hadden kunnen gebeuren. In "Die Verwandlung' van Kafka bij voorbeeld ontdekt de hoofdpersoon bij het opstaan dat hij een soort duizendpoot is geworden. Dat kan niet. Toch zijn de reacties van zijn omgeving heel realistisch. Je zou dat verhaal dus gemakkelijk kunnen transponeren naar de geschiedenis van een gezin: zoon is kostwinner en wordt op een dag ernstig ziek, vader is een ouwe sukkel, moeder doet het huishouden, en zuster zit op een man te wachten.”

Herinnert u zich wanneer u dat verhaal voor het eerst las?

“Ik moet achttien jaar oud zijn geweest. Wij lazen thuis het Handelsblad, en ik kwam daarin een bespreking tegen van Bordewijk's verhalen. Er werd beweerd dat ze veel op die van Kafka leken. Ik had nog nooit van Kafka gehoord maar vond het een fascinerende naam, wat nogal merkwaardig is als je bedenkt dat het gewoon kraai betekent. Ik haalde uit de Openbare Leeszaal zijn verzamelde werk, begon bij deel één en las "Kinder auf der Landstrasse'. Dat vond ik niet bijzonder. Maar toen kwam ik bij "Die Verwandlung' en later bij "In der Strafkolonie' en "Erstes Leid', over een jonge acrobaat die zozeer acrobaat is dat hij niet anders kan dan op zijn trapeze wonen. Als hij met de trein reist, hangt hij in het bagagenet omdat hij niet in een stoel kan zitten. Schitterende verhalen, heel consequent bedacht.”

Heeft u op school niet ook een lezing gehouden over Der Prozess?

“Ja, maar mijn lerares Duits was daar niet tevreden over. Ze hield niet van Kafka. Ze was een geboren Duitse en later bleek ze nationaal-socialist te zijn. Juffrouw Deuschle heette ze. Het was een oude vrijster die de pest aan mij had. Er waren op die school meer oude vrijsters die de pest aan mij hadden. Maar ik moet zeggen dat ik uitstekend Duits van haar heb geleerd. Die spreekbeurten moest je in het Duits houden. Ik was op school niet altijd braaf, en op een keer betrapte ze me inderdaad op spieken. Ik moest voortaan bij ieder proefwerk aan een apart tafeltje voor de klas zitten. Het gevolg was dat ik erg mijn best moest doen en zo heb ik de eerste grote literatuur ontdekt. Heinrich von Kleist en Theodor Storm, dat was andere koek dan Nicolaas Beets. Het jaar vóór ik die spreekbeurt over Der Prozess hield, heb ik er een gehouden over Buddenbrooks.”

Een schrijver moet, schrijft u in uw nieuwe boek, de lezer ontmaskeren en tuchtigen.

“Tuchtigen? Natuurlijk. Maar soms nemen de lezers wraak. Dan gaan ze vragen stellen in de Tweede Kamer en zeggen: die man mag niet langer lector wezen. U ziet dat het schrijven dus niet altijd in mijn voordeel werkt.”

Men krijgt soms de indruk dat u geen hoge dunk heeft van het schrijven. U schreef bij voorbeeld: Voor zover ik ben geslaagd, ben ik dat door het uitbeelden van fiasco's.

“Je moet de strijdbijl nooit begraven, maar het is altijd pijnlijk om over jezelf te beslissen of je wel of niet bent geslaagd.”

Maar stelt u de literatuur niet lager dan bij voorbeeld de wiskunde? U heeft wel eens geschreven dat de filosofie van Nietzsche zonder lezers niet bestaat en de stelling van Pythagoras wel.

“Zo is het. Breng honderd Nietzsche-lezers op een congres bij elkaar en ze gaan lezingen houden over aspecten van Nietzsche; Nietzsche en de oudheid; Nietzsche en de vrouw; Nietzsche en de wil tot macht en tot weet ik wat allemaal. Maar wat valt er over de stelling van Pythagoras te praten? Niet veel. Die staat vast. De stelling van Pythagoras heeft een dwingende samenhang. In het werk van een filosoof of een romanschrijver ligt nooit meer samenhang besloten dan de auteur heeft willen suggereren. In mijn roman Au pair laat ik een meisje naar Parijs gaan en avonturen beleven. Als ik de energie ervoor had gehad, zou ik datzelfde meisje in twintig andere parallelboeken heel andere avonturen hebben kunnen laten beleven. Maar iets als de stelling van Pythagoras kun je niet zomaar veranderen. Nou ja, je kunt haar wel op tientallen verschillende manieren bewijzen.”

Bestaat ook de stelling van Pythagoras niet alleen voor zover wij er ons iets van aantrekken?

“Het is iets anders. Zo'n stelling is onomstotelijk, onbetwistbaar. Het is iets wat niemand kan verwijderen uit het heelal. Ik vind het erg aardig als mensen geloven dat mijn verhalen iets anders zijn dan suggestie. Maar ik had liever de stelling van Pythagoras ontdekt dan dat ik de moeite heb moeten doen om al die dikke romans te schrijven.”

Waarom? Zou u daar beroemder door zijn geworden?

“Nee, juist niet. Het merkwaardige van deze tijd is namelijk dat je met flauwekul beroemder wordt dan met dingen die werkelijk houvast geven. Onlangs is de schrijver Isaac Bashevis Singer overleden. Die man had de Nobelprijs voor literatuur gewonnen, waarschijnlijk volkomen verdiend omdat honderdduizenden mensen die boeken met plezier lezen. Ze lachen erom, ze huilen erom. Maar professoren die moeilijke dingen uitdenken blijven onbekend. Van alle Nobelprijswinnaars natuurkunde en chemie van de laatste dertig, veertig jaar zou ik er niet één weten te noemen. Neem de hoofdpersoon uit mijn boek Onder professoren, Dingelam. Die heeft een verbinding gevonden, de derde witmaker, als gevolg waarvan uw overhemden en mijn onderbroeken allemaal mooi wit zijn. Dat is concreet. Toch neemt niemand notitie van die man. Men zegt hooguit: ja, het zal wel een knappe man wezen, en haalt er vervolgens zijn schouders over op.”

Stelt u het lichaam misschien boven de geest?

“Ja, natuurlijk. De rest is toch allemaal kletskoek. Iedereen die een huis of zelfs maar een kippenhok bouwt heeft met de stelling van Pythagoras of een andere wiskundige stelling te maken. In elk geval zou het zonder wiskunde veel omslachtiger zijn. Zo zijn ook alle mensen die autorijden en in een vliegtuig stappen dank verschuldigd aan de duizenden geleerden die dat mogelijk hebben gemaakt. Als die geleerden er niet waren geweest, hadden ze moeten lopen van Amsterdam naar Parijs. Zonder die geleerden was u een week onderweg geweest om mij te kunnen spreken!”

Moeten de geleerden ons niet dankbaar zijn dat wij in auto's willen rijden?

“De auto is ontstaan in een tijd dat misschien niemand een auto wou. De eerste automobilisten werden ontzettend tegengewerkt. Er werd met stenen naar ze gegooid, de mensen strooiden kopspijkers op de weg zodat de banden kapot gingen. Er is zelfs een tijd geweest waarin de auto's zich moesten laten vooraf gaan door een knecht met een rooie vlag. Ook de trein is verschrikkelijk tegengewerkt. Er is dat beruchte proces uit het begin van de vorige eeuw van een boer die wilde dat de trein om zijn wei heen ging omdat de koeien dol werden, de melk zuur werd en de paarden op hol sloegen. Pure kwaadaardigheid! Maar die boer won dat proces! En die trein moest om dat akkertje heen!”

Maar veel andere mensen wilden toch graag in een auto rijden?

“Ja, degenen die in de eerste auto's zaten waren ontzettend rijke mensen die zich van verveling geen raad wisten. Die vonden dat wel leuk. Maar de andere mensen waren er bang van. En terecht. Wij vinden het nu leuk om naar oude plaatjes te kijken met een locomotiefje en een rookpluimpje daarboven. Maar het was het begin van alle ellende. De trein is het begin geweest van de verpesting van het landschap.”

Uit uw boeken spreekt een hang naar zuiverheid, onschuld. Wat verstaat u daar onder?

“Het is in de mode geraakt om te doen alsof de illusie van de onschuld geen betekenis meer heeft. Iedere schoftenstreek is geoorloofd; die kant gaat het op met de westerse beschaving. Ik las laatst in de krant dat een kwart van alle Amerikaanse huisgezinnen jaarlijks met misdaad te maken krijgt. Onder zuiverheid versta ik dat je niet uit inbreken gaat, dat je zelf je brood wil verdienen, dat je niet al dan niet met bronvermelding iets uit een buitenlands tijdschrift vertaalt, dat je zelf de stelling van Pythagoras wil ontdekken.”

Verstaat u onder zuiverheid oorspronkelijkheid?

“Voilà. Wat oorspronkelijk is, is zuiver. Zuiverheid bestaat uit de hoop dat iets volstrekt nieuw is.”

Zonder vader geboren worden, is dat zuiverheid?

“Dat zou een idee zijn; de generatio spontanea. Ach, misschien had ik wel op die manier ter wereld willen komen. Ik weet het niet. Een tweede keer op de wereld komen hoeft in elk geval niet.”

In de verhalen in uw nieuwe boek gebeuren soms onverklaarbare dingen. Begrijpt u ze zelf?

“Niet altijd. Maar het is de vraag of het nut heeft verhalen uit te leggen. Als kind accepteerde je toch ook dat Roodkapje werd opgegeten door de wolf en er daarna weer uitkwam? Misschien moet de lezer het allemaal voor kennisgeving aannemen.”

Het lijkt of u zulke verhalen niet zelf verzint, alsof ze u zijn overkomen.

“Dat komt doordat sommige verhalen zijn gebaseerd op dromen. Het verhaal "Naar Magnitogorsk' bij voorbeeld heb ik gedroomd, en daarna heb ik het in vier dagen geschreven.”

U heeft ook wel eens geschreven over duivelse toevalligheden. Wat zijn dat?

“Die bestaan. Ik zal u een voorval vertellen dat mij tot het schrijven van het verhaal "Levitatie' heeft aangezet. Ik liep op een markt in Brussel en zag op een tafeltje een oude lorgnet, zo'n stalen knijpbrilletje liggen. Op datzelfde tafeltje lag ook een exemplaar van Racine's Athalie. Ik zet voor de grap die lorgnet op. Ik sla Athalie open, lees de eerste zin die mij onder ogen komt en die luidt: Je commence à voir clair. Ik zweer dat dit echt is gebeurd. Dat is een duivelse toevalligheid.”

Waarom noemt u dat duivels?

“Hoe zou God zoiets kunnen bedenken? God heeft de natuurwetten bedacht dus als iets gebeurt dat het gevolg is van geen enkele wetmatigheid, is dat het werk van de duivel. De God van de christenen kan de natuurwetten helaas niet veranderen. Wat voor geweldige ongelukken gebeuren er niet allemaal. Als zich in Bangladesj een overstroming voordoet verdrinken er weer enkele duizenden mensen. Maar God kan daar niets aan doen.”

Het eerste verhaal van uw nieuwe boek heeft als motto, van Jean Giraudoux: "Hier komt alle kwaad vandaan: God is een mens.' Komt daar niet ook het goede vandaan?

“Nee, want in dit verhaal wordt een aap doodgeslagen. En zoals de hoofdpersoon zijn arme beest niet kan redden omdat wanneer hij een raam zou opendoen de klimaatbeheersing in zijn woning kapot zou gaan, zo kan ook God de mens niet helpen omdat Hij de natuurwetten niet kan veranderen.”

Maar die aap uit uw verhaal heeft toch ook plezier gehad? Het leven bestaat toch niet alleen uit de dood?

“Dat is een interessante vraag. Wat is het leven? Het leven bestaat uit een geweldige hoeveelheid generaties die elkaar opvolgen, en de ene generatie moet dood om plaats te maken voor de volgende. Dat is misschien niet goed of kwaad, maar individueel ervaren de mensen dat als een kwaad. Wij gaan nu eenmaal niet graag te gronde. Daar komt toch al het godsdienstige besef vandaan? Mensen hopen dat ze na hun dood nog zullen leven.”

Hoe denkt u daar zelf over?

“Wat de godsdienstige mensen zich bij een leven na de dood voorstellen is iets waar ik niets van begrijp. De spiritisten denken dat je na je dood als spook nog een beetje rondzwerft. Stel je dat eens voor; niets zou meer gaan zoals jij graag zou willen. De gruwelijkste dingen zouden zich voordoen zonder dat je kon ingrijpen. Zo'n leven na de dood zou nog erger wezen dan helemaal dood, en zelfs nog erger dan het leven vóór de dood. Tijdens het leven kun je in elk geval nog proberen de wereld naar je hand te zetten. Maar na je dood? Een beetje met een ketting rammelen en 's nachts de mensen bang maken? Alleen Engelsen schrikken daarvan. Normale mensen horen dat gerammel niet eens, en dus bestaat het niet.”