De behoedzame tred van de vijftiende-eeuwse hofdansen

Het Festival Oude Muziek in Utrecht besteedt dit jaar voor het eerst aandacht aan de historische dans. Il Ballarino is één van de zes groepen, waarvan het werk te zien zal zijn. Vanavond gaat hun voorstelling Hespèrion XX in première. Andrea Francalanci is de leider en vaste choreograaf van het gezelschap.

Uiterst moeizaam maakt de koningin haar entrée. Haar voeten steken in huizenhoge koturnen, de oorzaak van haar wankele gang. “Zestig centimeter hoog zijn ze”, zegt Andrea Francalanci na de repetitie trots. Hij vertelt dat het getrouwe kopieën zijn van de exemplaren die de zestiende- en zeventiende-eeuwse hoeren in Venetië plachten te dragen. “De straten waren zo vies, dat iedere vrouw om haar rokken te beschermen op enigszins verhoogde houten overschoenen liep. Om op te vallen torenden de hoeren op hun excessief hoge exemplaren boven iedereen uit. Zo waren ze onmiddellijk herkenbaar - zonder gêne, want hoeren waren niet te veronachtzamen belastingbetalers en werden dus geaccepteerd.”

Het is niet om anti-monarchistische motieven dat Francalanci de dans De entrée van de koningin laat uitvoeren op het hoereschoeisel. “De behoedzame tred waartoe de koturnen de danseres veroordelen, is typerend voor dit soort dans. De choreografie is een voorbeeld van bassadanza, de vijftiende-eeuwse hofdans. De stijl is hoofs en ingetogen, men beweegt zo weinig en zo traag mogelijk. De dans komt eigenlijk neer op voornaam en verfijnd schrijden, zonder te springen: vandaar de naam van de dans. Het "lage' dansen was voorbehouden aan het hoge volk, het lage volk gaf zich juist over aan het "hoge' dansen. De altadanza is veel vitaler en dynamischer en de beoefenaars deinsden niet terug voor hoge sprongen. Het was het volk trouwens verboden de bassadanza uit te voeren.”

Andrea Francalanci en zijn groep Il Ballarino behoren tot de zes dansgroepen die te zien zijn op het Festival Oude Muziek in Utrecht, dat dit jaar voor het eerst aandacht besteedt aan de historische dans. Muziek was in de Middeleeuwen over het algemeen verbonden met dans, al weet men niet precies hoe. Pas vanaf de eerste helft van de vijftiende eeuw wordt de dans vastgelegd, voornamelijk in Bourgondië en Noord-Italië, de belangrijkste ontstaansgebieden.

Andrea Francalanci (43) ontdekte de dans pas aan het eind van zijn studie filosofie, toen hij als amateur-blokfluitspeler meedeed aan een workshop historische dans. Het bracht hem ertoe een proefschrift te schrijven over de neo-platoonse invloeden in de symboliek van de historische dans. Na zijn studie maakte hij acht jaar lang deel uit van een renaissance-dansgroep in Rome. In 1984 richtte hij zijn groep Il Ballarino op en sinds die tijd geeft hij overal in de wereld colleges over historische dans.

Francalanci: “Ik dans zelf nog steeds mee, al sta ik in technisch opzicht in de schaduw van mijn eigen dansers. Die zijn allemaal klassiek geschoold, ik niet. Maar voor de historische dans is het een voordeel niet klassiek geschoold te zijn: de bassadanza is gebaseerd op het natuurlijke bewegen. Het buitenwaarts draaien van handen en voeten, het belangrijkste vormprincipe van de academische techniek, komt weliswaar voort uit de oorspronkelijke hofdansen, maar maakte daar geen onderdeel van uit. Het strekken van de voet evenmin. Alle variaties die tot doel hebben het etherische van de danser te benadrukken - wat wij nu klassiek ballet noemen dus - zijn in wezen onnatuurlijk en van later datum. In het streven naar natuurlijkheid staat de historische dans in zekere zin dichter bij de moderne dans dan het klassieke ballet.

“De Italiaanse hoven konden tijdens de Renaissance putten uit een groot reservoir balletmeesters, meest van joodse afkomst, omdat de christelijke geloofsleer het dansen verwierp. Zij hebben waardevolle geschriften nagelaten, die overigens vrij moeilijk toegankelijk zijn omdat de belangstellende er zelf kostbare microfilms van moet laten maken. De manuscripten bestaan steevast uit een algemeen gedeelte over etiquette, stijl, passen en filosofie en een gedeelte waarin de dans uiputtend beschreven wordt. Alleen al de beschrijving van het afnemen van een hoed beslaat soms al vier pagina's. In Frankrijk hanteerde Raoul Feuillet zijn eigen notatiesysteem onder de muzieknoten, maar daaruit vallen alleen de passen af te leiden. De Italiaanse geschriften zijn veel nauwkeuriger.”

Eén van de dansen die Il Ballarino uitvoert, is van Lorenzo de' Medici, Il Magnifico. De muziek die erbij hoorde, is verloren gegaan. Omgekeerd komt ook voor en zelfs vaker. Zo zijn de dansen die bij de muziek van William Brade (1560-1630) hoorden, nooit genoteerd. Beide hiaten vult Francalanci op met historiserend eigen materiaal. “Ik hou mij strikt aan de stijl, en die houding geeft mij nog veel creatieve speelruimte. En soms smokkel ik. Als volgens de beschrijvingen een sprongetje slechts twee vingers mag zijn, dan wil ik er nog weleens het dubbele aantal van maken.”