Bijbaantje

HET EUROPESE voorzitterschap van Nederland is twee maanden oud. Te jong voor een tussenbalans, want de rekening kan pas worden opgemaakt na de Euro-top van Maastricht die de opmaat moet worden tot een nieuw hoofdstuk in de Europese integratie. Maar vast staat na twee maanden dat het geen gemakkelijke klus is. Minister Van den Broek was er enthousiast en met ambitie aan begonnen en hij had het onlangs - een illusie armer? - al over “dapper verder gaan”.

In deze twee maanden kreeg de Europese Gemeenschap twee formidabele crises op haar bord: Joegoslavië en de Sovjet-Unie. Bij de kwestie Joegoslavië is het de vraag of de trojka-leider zich misschien niet al te gretig in het crisisgewoel heeft laten storten. Zijn ambtelijk apparaat had hem, mits uitgerust met kennis over de psychologie en de historie van die regio, kunnen behoeden voor die frisse aanpak van crisis-management in een voor Nederland zo onbekende regio.

DE LADING van het Joegoslavische conflict is wat anders dan wanneer het weer eens spant tussen kroonleden, werkgevers en werknemers in de SER. Er lag weliswaar een EG-verzoek aan de trojka om te bemiddelen, maar EG-communiqués moeten soms, zoals zovele diplomatieke communiqués, met enige argwaan worden bekeken. Achter een gordijn van vastberadenheid laten zij een wei vol heilige koeien verder grazen. De trojka-voorzitter had in dit geval beter naar Bonn en Parijs kunnen reizen dan naar Brioni, want als die twee hoofdsteden niet op één lijn waren te brengen viel er op dat eilandje weinig eer te behalen. Joegoslavië is nu eenmaal een regio waar geen Britse, wel Duitse en Franse zenuwen worden geraakt. Zonder helderheid in Bonn en Parijs reisde Van den Broek slechts met goede bedoelingen, niet met macht naar Joegoslavië als ware hij een VN-secretaris-generaal.

Vervolgens gaf Van den Broek wat al te luid ruchtbaarheid aan zijn teleurstelling, toen de Serviërs zich niets meer aan hem en zijn trojka gelegen lieten liggen. De frustratie was maar al te begrijpelijk - een minister is ook maar een mens - maar de uiting ervan op Schiphol niet verstandig.

TOEN KWAM de augustus-revolutie in de Sovjet-Unie. Aan beraad onder Nederlands voorzitterschap ontbrak het niet, maar de meeste landen deden onderwijl wat ze zelf nodig vonden. Van den Broek moest zelfs even ruziën met Commissievoorzitter Delors over de voorrang in het buitenlandse EG-beleid. Denemarken en Duitsland kwamen met een gezamenlijke verklaring over de onmiddellijke erkenning van de Baltische staten, Nederland aarzelde in het spoor van Washington en ten slotte nam Van den Broeks Britse politieke vriend, Douglas Hurd, niet eens meer de moeite om egards in acht te nemen. Een paar uur voor het EG-beraad onder Van den Broeks voorzitterschap in Brussel over de Baltische staten verklaarde Londen al dat het tot erkenning zou overgaan.

Het is gemakkelijk om te schamperen over het gemak waarmee de Nederlandse voorzitter wordt gepasseerd en hoe het klein-maar-dapper-syndroom iemand op de been houdt. Dat is niet alleen unfair maar gaat ook voorbij aan de realiteit dat er geen Europees buitenlands beleid bestaat en aan het feit dat de huidige crises voor een trojka van kleine landen te groot zijn. Tegelijk is het natuurlijk wel de vraag wat Nederland op deze manier van zo'n voorzitterschap wijzer wordt, als dat keer op keer leidt tot een etaleren van eigen irrelevantie. Want bij al dat vergaderen in Europa onder leiding van Van den Broek is het goed te bedenken dat dit voorzitterschap een bijbaantje is en dat een minister van buitenlandse zaken op de loonlijst staat van het land waarvoor hij de belangen in het buitenland behartigt.