Voor- en tegenstanders van internationalisering van hogescholen; "Een lamp brandt of brandt niet. Daarvoor hoef je niet naar het buitenland'

Steeds meer hogescholen storten zich op de internationalisering van hun onderwijs. De afgestudeerde manager anno 1992 moet de cultuur van het buitenlandse bedrijfsleven kennen.

"Waarom ik in Nederland een internationale opleiding volg? Dat spreekt toch vanzelf! Na 1992 zullen de contacten tussen Europese bedrijven veel intensiever worden, en als er één land is dat zich onderscheidt door een dynamische economie, dan is het wel de Nederlandse. Als ik in een winkel om een krop sla vraag en ik kom niet meteen op het juiste woord, schakelt het personeel automatisch over op het Engels!''

Aan het accent is te merken dat Frédéric Fauchié (20) uit Frankrijk komt, maar overigens is zijn Nederlands bijna foutloos. Fauchié is één van de 100 studenten die in september 1990 begonnen aan de propedeuse van de International School of Economics (ISER ), de zevende en jongste studierichting van de Hogeschool voor Economische Studies (HES ) in Rotterdam. Ruim veertig van hen zijn afkomstig uit Engeland en Frankrijk, maar ook Spanjaarden, Amerikanen en een Tsjechoslowaak begonnen in Rotterdam aan het eerste jaar van een vierjarig internationaal programma. De rest van de groep heeft de Nederlandse nationaliteit.

ISER-hoofd A.W. Siddré hoort het verhaal van haar student glimmend van trots aan. Fauchié is voor haar het tastbare bewijs dat de HES er in 1989 goed aan heeft gedaan om zich aan te sluiten bij het netwerk dat toen nog bestond uit hogescholen in Bordeaux, Hull, Madrid en Münster. De vijf hogescholen bieden gezamenlijk een internationaal programma aan, waarvan hun studenten twee jaar aan de school van herkomst volgen, en twee in het buitenland. Fauchié zal zijn tweede en vierde studiejaar in Bordeaux volgen. In 1992 keert hij voor het derde jaar terug naar Rotterdam.

Fauchié is voor Siddré het toonbeeld van de internationale student van de toekomst. ""Hij bereidt zich niet alleen in eigen land voor op een loopbaan in het buitenland, hij studeert ook geruime tijd ter plaatse. Je talen kunnen spreken is erg handig, de manager anno 1992 moet ook weten wat de gewoontes van het buitenlandse bedrijfsleven zijn'', aldus Siddré. Aan de ISER krijgen buitenlandse studenten in de tweede helft van het eerste jaar wekelijks twee uur onderwijs in Nederlandse taal (grammatica en practica) en een uur cultuur (met aandacht voor zaken als religie, politiek en media).

Slechts weinig hogescholen zijn internationaal zo actief als de HES, zo blijkt uit een overzicht van het Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het hoger onderwijs. Komend studiejaar krijgen negentig studenten van de HES een Erasmusbeurs, een bijdrage van de Europese Gemeenschap aan de kosten van een tijdelijke studie in het buitenland. De HES wordt slechts voorafgegaan door de Hogeschool van Amsterdam (129 studenten) en de Hanzehogeschool Groningen (102). De meerderheid van de ruim tachtig hogescholen stelt zich veel bescheidener op. Vaak gaat het om niet meer dan een handvol studenten. In totaal ontvangen komend studiejaar 1.300 van de 180.000 hogeschoolstudenten een bijdrage.

Een verklaring hiervoor kan zijn dat Erasmus onvoldoende aansluit bij de stagepraktijk van de hogescholen, zo wordt op ministerie van onderwijs vermoed.. Het veel beter toegankelijke Stimuleringsprogramma voor internationalisering van het hoger beroepsonderwijs, STIR, keerde vorig jaar aan 2.300 studenten van 66 hogescholen (uitgezonderd de agrarische sector) een beurs uit. STIR en Erasmus zijn de voornaamste subsidieverstrekkers.

Niets Europees aan

Er zijn ook hogescholen die menen dat hun studenten weinig baat hebben bij internationalisering van hun opleidingen. Pabo's bij voorbeeld. Een Nederlandse onderwijzer moet kinderen leren rekenen en schrijven - daar is niets Europees aan. Ook de Rooms-Katholieke Technische Hogeschool Rijswijk stelt zich terughoudend op. ""Onze studenten naar het buitenland? Wij zullen ze nog eerder importeren!'', roept voorzitter van het college van bestuur G.A. van Duijse uit. Zijn school heeft ""hier en daar wel wat plaatsen uitgezet''. In Italië, op de Antillen en zelfs in Moskou. Maar dat is meer voor de aardigheid, want de 1.550 studenten in Rijswijk hebben nauwelijks belangstelling voor een blik over de grenzen. Logisch, vindt Van Duijse. ""Wie in Rijswijk afstudeert is verzekerd van een baan. De vraag naar technische praktijk-ingenieurs is in Nederland niet bij te benen''. De Rijswijkse hogeschool overweegt wel een vijfjarige opleiding te beginnen waar "bijvoorbeeld Turken of Tsjechoslowaken' terecht kunnen, die graag in Nederland aan de slag willen.

Van Duijse betwijfelt of een internationale opleiding wel een meerwaarde heeft. ""Techniek moet je nuchter benaderen. Een lamp brandt, of hij brandt niet. Daarvoor hoef je je studenten niet naar het buitenland te sturen.''

Dat vorig jaar toch nog 366 technische studenten met een STIR-beurs Nederland verlieten, wijt Van Duijse aan de overspannen verwachtingen van een internationale opleiding. ""Aan al die aandacht voor internationalisering zit ook een modieuze kant. Kennelijk is de gedachte dat je alleen meetelt als je er aan meedoet.''

De bezinning waar Van Duijse indirect op aanstuurt, is in juni tot officieel standpunt verheven binnen de HBO-Raad, de vereniging van hogescholen. Het ontbreekt aan centraal beleid, zo stelt de Raad in een notitie over internationalisering vast. De hogescholen hebben inmiddels zoveel ervaringen opgedaan dat de tijd rijp is om de discussie over de koers te openen. ""We willen de hogescholen beslist niet voorschrijven hoe zij samenwerking met buitenlandse instellingen moeten aanpakken'', haast voorzitter H.A.J. Kemner van de HBO-Raad zich te verklaren. ""Dat is onze taak niet. Maar er moeten duidelijkere criteria komen voor de verdeling van de subsidies. Die zijn immers maar beperkt.'' Het STIR-budget groeide vorig jaar met een derde tot bijna vier miljoen gulden. De studenten vroegen echter voor een drie keer zo hoog bedrag subsidie aan, de staf anderhalf keer. Ook minister Ritzen (onderwijs) heeft aangedrongen op een scherpere profilering van het hoger beroepsonderwijs.

Business Studies

Internationalisering was aan de hogescholen totnogtoe vooral een proces van "ieder voor zich en God voor ons allen', meent H.J. van Sonsbeek, hoofd van de studierichting belastingen aan de HEAO Arnhem en coördinator van de European Business Studies (EBS). EBS is een gezamenlijk programma van zes Nederlandse economische hogescholen dat derdejaarsstudenten sinds 1989 kunnen volgen. Elke hogeschool levert jaarlijks honderd studenten, die behalve van "eigen' docenten ook van docenten van buitenaf onderwijs krijgen. Ook de HES uit Rotterdam neemt er aan deel. Buitenlanders kunnen er nog niet terecht, maar het plan om er een volwaardig internationale, Engelstalige opleiding van te maken ligt klaar.

Zulke structurele verbanden zijn, zowel nationaal als internationaal, echter nog schaars. De hogescholen zijn tot dusver vooral individueel op zoek gegaan naar mogelijkheden om uitwisselingsprogramma's met buitenlandse partners op te zetten. ""Je probeert toch in de eerste plaats je eigen zaakjes zo goed mogelijk voor elkaar te krijgen'', verklaart ISER-hoofd Siddré. Samenwerking bleef vooralsnog beperkt tot het uitwisselen van ervaringen, zoals in de maandelijkse bijeenkomst van het overlegplatform Internationale Betrekkingen van de HBO-raad.

""Het drukst bezochte platform van de HBO-raad'', heeft Kemner verheugd mogen constateren. ""Een van de belangrijkste tekortkomingen op dit moment'', meent Kemner, ""is dat ons hoger beroepsonderwijs in het buitenland niet of te weinig bekend is. We moeten veel herkenbaarder naar buiten treden.'' Het vormen van nationale netwerken kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren. Ook Van Sonsbeek acht coördinatie van programma's op den duur onontkoombaar, want ""het zou toch wel een blunder zijn als drie hogescholen tegelijk bij dezelfde buitenlandse instelling aankloppen''.

De kans daarop is klein, maar het risico bestaat zeker bij studierichtingen die zich nog een plaats op de internationale markt moeten verwerven. Reden voor de Nuffic om een databank op te zetten waarin alle programma's en uitwisselingen worden geregistreerd.

Siddré erkent dat de ambitieuze aanpak van de HES zeker niet alleen moet worden verklaard uit idealisme. ""Het is niet zo dat je elkaar een poot probeert uit te draaien. Maar internationalisering wordt voor economische en management-opleidingen wel een steeds belangrijker middel om studenten binnen te halen.''

Kemner relativeert: ""Als er al sprake is geweest van een rat race, dan is die inmiddels achter de rug. Hogescholen weten dat ze niet overal in kunnen uitblinken. En: lang niet elke hogeschoolstudent hoeft zo nodig naar het buitenland. Er zijn er genoeg die gewoon willen blijven waar ze zijn. In Nederland.''