Openslaande deuren

Oscar. Regie: John Landis. Met: Sylvester Stallone, Ornella Muti, Vincent Spano, Tim Curry, Peter Riegert. In 15 theaters.

Louis de Funès is al acht jaar dood en omdat zijn films nauwelijks meer vertoond worden, is er een hele generatie bioscoopbezoekers die het verschil niet zou weten tussen de Franse komiek en bij voorbeeld Sylvester Stallone. Toevallig speelt Stallone nu de hoofdrol in de tamelijk getrouwe Amerikaanse remake van Oscar, een in 1958 speciaal voor De Funès geschreven toneelklucht, die in 1967 door Edouard Molinaro verfilmd werd. Bertrand in on(t)roerend goed, zoals Oscar indertijd hier heette, was een van De Funès' beste films, een farce met verwisselde tassen, openslaande deuren en een drie keer op een ochtend van verloofde wisselende dochter des huizes. De Funès kon zich uitleven in een permanente driftbui, als de makelaar die opgelicht wordt door de verloofde van zijn onechte dochter, terwijl zijn wettige kroost zwanger is van zijn chauffeur, naar wie de film genoemd is, hoewel deze pas op het allerlaatst in beeld verschijnt.

Het lijkt geen eenvoudige opgave uit deze klassieke boulevardelementen een eigentijdse Hollywoodkomedie te brouwen rond de niet met bijzonder veel spraakwater gezegende Stallone. Regisseur John Landis, een fanatiek liefhebber van oude films, meende de sleutel gevonden te hebben door van de makelaar een Italiaanse gangster tijdens de drooglegging te maken, die wanhopig probeert respectabel te worden. De film moest het warme, ironische idioom volgen van Landis' favoriete schrijver Damon Runyon en drijven op stereotiepe bijrollen van gangsters uit films van de jaren dertig. Bovendien werd als een van de schrijvers Jim Mulholland aangetrokken (hij speelt drie seconden lang de titelrol), die tevens de auteur is van een standaardwerk over het komische duo Abbott & Costello.

Zoals te verwachten, resulteert de combinatie van A&C, De Funès, Stallone, Runyon en Landis in het aroma van een omgevallen vuilnisbak: je herkent de afzonderlijke elementen, maar het smaakt nergens meer naar. Stallone bewees al eerder als komisch acteur slecht te voldoen, de simpele gangster-clichés vertederen niet in een verzorgde superproduktie en de boulevardgrap van de bediende (Peter Riegert) die steeds de deur moet openen voor een andere onverwachte gast doet hier alleen nog maar de wenkbrauwen fronsen.

Een paar povere plusjes kunnen de balans niet doen doorslaan. Aan de aankleding van interieur en acteurs valt het budget af te zien, een enkele bijrol is inderdaad bijzonder markant (twee Italiaanse kleermakers van Martin Ferrero en Harry Shearer, een professor Higgins-achtige spraakleraar van Tim Curry). De gewoonte van Landis om beroemdheden in piepkleine personages te verstoppen, houdt de cinefiel wel wakker, maar maakt van een mislukte schuimtaart nog geen tractatie.