Neusspray zorgt voor dunner slijm bij taaislijmziekte

Cystische fibrose (taaislijmziekte) is de meest voorkomende erfelijke ziekte onder blanken. Een op de 2000 tot 2500 kinderen wordt ermee geboren. Het is een recessieve ziekte, wat betekent dat de patiënt zowel van vader als moeder een aangedaan gen moet hebben geërfd. Een op de ongeveer 400 tot 500 blanken is drager van één afwijkend cystische-fibrose-gen. Twee jaar geleden werd het gen gevonden. Het blijkt te coderen voor een eiwit dat chloorionen door celmembranen transporteert. De werking van dit zogenaamde ionkanaal wordt gereguleerd door cyclisch AMP (cAMP). Er wordt druk gespeculeerd over de mogelijkheid van screeningsprogramma's om het defecte gen op te sporen, met de bedoeling te voorkomen dat er nieuwe patiënten worden geboren, en over gentherapie voor patiënten. Maar beide laten nog lang op zich wachten.

De conventionele medicinale therapie maakt echter al dankbaar gebruik van de kennis die uit het genonderzoek is verkregen. En de eerste voorlopige resultaten zijn nu behaald.

Het defecte ionkanaal veroorzaakt bij de patiënten vooral problemen gen in long-, darm- en alvleeskliercellen. Daar wordt chloor niet uitgescheiden en de cel probeert de verstoorde zouthuishouding te herstellen door driemaal zoveel natriumionen uit het slijm in longen en darmen op te nemen als normaal. Met dat natrium wordt veel water opgenomen waardoor het slijm te eiwitrijk en dik wordt. Het is daardoor niet mobiel, kan niet makkelijk worden opgehoest, wordt niet ververst en is een prima voedingsbodem voor micro-organismen. De helft van de cystische fibrose patiënten overlijdt voor hun 25-ste aan de gevolgen van afgenomen longfunctie door infecties en ontstekingsreacties.

Vorig jaar werd onderzoek gepubliceerd waaruit bleek dat het longslijm van cystische-fibrosepatiënten dunner wordt na toediening met een spray direct op het slijmvlies van amiloride, een kaliumsparend plasmiddel dat gebruikt wordt tegen oedeem en hoge bloeddruk. Het middel remt de natriumheropname door de epitheelcellen van longen en darm waardoor ook geen water aan het slijm wordt onttrokken. Dezelfde onderzoekers hebben nu de kennis over chloridekanalen toegepast.

Naast het bij cystische fibrose niet werkende chlorideionkanaal dat gereguleerd wordt door cAMP, liggen er nog andere chloridekanalen in het membraan die door andere verbindingen worden aan- en uitgezet. Die ionkanalen hebben zogenaamde difosfaat (P2)-receptoren. Ook in longen en darm van de cystische fibrose patiënten werken ze, maar niet hard. Door met een neusspray naast amiloride ook purine- en pyrimidinetrifosfaat (ATP en UTP) toe te voegen, werden die ionkanalen extra gestimuleerd (New England Journal of Medicine, 22 augustus). ATP en UTP zijn trifosfaten, maar ze worden kennelijk snel genoeg in difosfaten omgezet om op de P2-receptor te kunnen aangrijpen.

De werking van het experimentele medicijn werd gecontroleerd door de elektrische spanning over het slijmvliescelmembraan in het neusepitheel te meten. Bij de 12 patiënten nam die veel sterker af dan bij de 9 gezonde proefpersonen die aan het experiment deelnamen. Dat klopt ook, want bij gezonde mensen is de elektrolietconcentratie in balans, daar zorgen de c-AMP gereguleerde ionkanalen voor. Bij patiënten zijn deze defect.