Nederlands populairste dansorkest herleeft na 65 jaar; De Ramblers op jubileumtournee

Ramblers-tournee: 14 september t-m 30 november. Opnamen van het Tielse gala worden aanstaande zondag uitgezonden in het AVRO-programma 'Album', Radio 2, 18.03-20.00u.

Zaterdagavond wordt in Tiel het 65-jarig bestaan van de Ramblers gevierd, het populairste dansorkest van Nederland. Half september begint een tournee door het land die tweeënhalve maand duurt. Maar zijn de Ramblers de Ramblers nog wel? Het was een stille dood, na zoveel jaren trouwe dienst. Een toespraakje van de chef VARA-muziekdienst, een pen in etui voor Theo Uden Masman, een laatste uitzending en daarmee waren de Ramblers, op 11 april 1964, opgeheven. Er was geen emplooi meer voor dansmuziek, de opkomst van de tienersterretjes had van een zestigjarige orkestleider in een wit smokingjasje een anachronisme gemaakt. “Het is zo'n walgelijk stelletje jongens die het in deze wereld voor het zeggen hebben,” klaagde hij. Maar er was niets aan te doen. Toen de VARA na 38 jaar het contract met de Ramblers opzegde, ontviel het orkest de laatste bestaansgrond. De tijd van de grote tournees langs de meest uitgelezen horeca-gelegenheden was allang voorbij.

“Een stille dood, ja,” zegt jazz-historicus Harry Coster. “Zo gaan die dingen. Op een hoogtepunt stoppen is nu eenmaal erg moeilijk. En je moet niet proberen, zoveel jaren later, net te doen of er niets is gebeurd en proberen de oude draad weer op te pakken. De Ramblers zijn opgeheven, hoe je het ook wendt of keert.”

Toch wordt zaterdagavond in een motel te Tiel het 65-jarig bestaan van de Ramblers gevierd. Bovendien begint half september een jubileumtournee die het orkest tot eind november bijna elke avond in actie brengt. Maar wèlk orkest?

De eerste Ramblers waren met z'n zevenen en maakten op 1 september 1926 hun debuut in La Gaté in Amsterdam, de in het Tuschinski-theater gevestigde club waar men rijk moest zijn om zich de verplichte consumpties te kunnen aanschaffen. Bijeengebracht door Theo Uden Masman, een voormalig sport- en muziekmedewerker van Het Vaderland en tevens een bekwaam pianist, en gerecruteerd uit ervaren krachten in het horeca-circuit. Ze speelden het ietwat geknepen en in sommiger oren schelle geluid van de jazz-kapel, dat in die dagen en vogue was. De orkestleider had de naam Ramblers bedacht om zoals hij later verklaarde, “ons verlangen naar zwerven en trekken” uit te drukken.

Doordat Uden Masman - meer dan de gemiddelde muzikant in die dagen - goede omgangsvormen kende, werd zijn orkest gecontracteerd in de "betere zaken' in binnen- en buitenland. Bij etablissementen als Hamdorf in Laren en het Kurhaus in Scheveningen liet men uitsluitend het beste van het beste binnen. “Van de Nederlandse orkesten die ik uit die tijd ken,” zegt Coster, “waren de Ramblers inderdaad de beste. Niet doordat het allemaal topsolisten waren, maar doordat in de arrangementen van ieders specifieke kundigheden gebruik werd gemaakt. Niemand hoefde boven zijn macht te grijpen, met de individuele beperkingen was vooraf al rekening gehouden. Alle leden van het orkest waren persoonlijkheden - en Uden Masman was van hen de grootste.”

Wie hem heeft gekend, vertelt dat de bandleider een lange man was met een enigszins gezet postuur. Als hij ergens binnenkwam, keek iedereen op. Een autoriteit met gevoel voor publiciteit, die niet schroomde om een passage in één Engelse recensie (the best band on the continent) te verheffen tot de uitslag van een Britse populariteitsverkiezing. Ook zijn zakelijk inzicht wordt geprezen. Coster: “Je moest toen heel wat in je mars hebben om zo'n zooitje muzikanten bij elkaar te houden. Zonder hèm was het al na een paar jaar uit elkaar gevallen.”

Het tienjarig bestaan, in 1936, ging blijkens een verslag in de NRC gepaard met “een stroom van bloemstukken en geschenken”. Maar het voortbestaan van de Ramblers was pas zeker, toen het orkest in datzelfde jaar een contract met de VARA verwierf, dat pas in 1964 zou worden opgezegd. Het regelmatige optreden voor de microfoon, waarin ook het begeleiden van populaire vocalisten was inbegrepen, leidde tot een ingrijpende repertoire-aanpassing. De vinnige jazz-toon maakte plaats voor de vollere, smeuïge klank van het dansorkest. Voor het eerst ging men ook Nederlandstalige liedjes - vaak van trompettist-arrangeur Jack Bulterman - vertolken.

In het orkest werd wel eens gemopperd als voor de zoveelste keer Het boemeltje van Purmerend, Pietertje Swing of Wie is Loesje ten gehore moest worden gebracht. Altijd was er dan één die de realiteit onder ogen zag en opmerkte: “Maar jongens, hier vréten we toch van?” Dat de jazz-puristen zich van de Ramblers afwendden, was onvermijdelijk. “Als wij critiek zouden willen leveren op de prestaties van de Ramblers op het gebied van de jazz-muziek, dan zou deze inderdaad ook niet mals zijn,” beaamde redacteur Paul Acket van het maandblad Tuney Tunes in 1949. “Maar we zouden die critiek niet kunnen leveren om de eenvoudige reden, dat de Ramblers geen jazz-muziek spelen - en het zelf ook niet pretenderen te doen! De Ramblers vormen een dans- èn showorkest.”

“Het was dansmuziek met show-elementen,” erkent ex-trompettist Sem Nijveen. “Voor zover we jazz speelden, was het de jazz die voor een breed publiek aanvaardbaar was. Door de shownummers hadden we onze grote aanhang, dat was wat de mensen aansprak. Als het gordijn openging, hadden we het pleit al gewonnen - zo populair waren we. Een soort reizend circus.”

De hechte band met de VARA leidde in het vooroorlogse, verzuilde Nederland tot de conclusie dat de Ramblers tot het socialistische kamp behoorden en hun publiek vooral in arbeiderskringen vonden. Des te zwaarder kwam het in dit milieu dan ook aan, dat Uden Masman zijn contract in 1941 liet overnemen door de genazificeerde Nederlandsche Omroep. Morrend liet hij zich zelfs overhalen tot het opluisteren van feestavonden voor pro-Duitse instellingen als Frontzorg en Vreugde en Arbeid. Zijn argument luidde, dat hij met die buigzaamheid de werkgelegenheid van zijn orkestleden veilig stelde en kon voorkomen dat ze in Duitsland te werk zouden worden gesteld.

Volgens de Ereraad voor de Kleinkunst, die daarover in 1945 moest oordelen, waren de Ramblers over de schreef gegaan. Hun populariteit werkte nu in hun nadeel, want het college meende “dat op een populair ensemble met een groote ervaring in de moderne arbeidsbeweging, een grootere verantwoording rust, dan op naamlooze artisten, die voor het publiek van geen of weinig beteekenis zijn.” Het orkest werd voor een half jaar het spelen voor de radio ontzegd, na die periode mocht Uden Masman nòg een half jaar niet als leider fungeren.

Op 5 mei 1946 was het leed geleden en kon de band met de VARA worden hersteld. Er waren weer radio-uitzendingen en er waren weer tournees. Tot de orkestleider zijn eerste hersenbloedingen kreeg en tevens werd geconfronteerd met een verminderde discipline onder zijn muzikanten. “Het gezag is weg,” mopperde hij. “Ze doen maar wat, zijn volkomen ongezeglijk en gaan hun eigen gangetje.” De orkesten waren minder specifiek; de meeste radio-orkesten werden samengesteld uit dezelfde musici. Meer dan eens kwam men 's morgens de studio binnen met een brandende vraag op de lippen: “Wat zijn we vandaag? De Ramblers of Klaas van Beeck?”

Intussen rolden de golven van de rock & roll ook over het Nederlandse landschap. De VARA droeg Uden Masman op een nieuwe tienerster als Rob de Nijs in zijn uitzendingen op te nemen en met tegenzin zette de nu zestigjarige zich aan het arrangeren van popsongs. “Het werd een beetje zielig,” zegt Harry Coster. Vooral tijdens tiener-tournees door het land, waarbij Britse beat-idolen moesten worden begeleid, oogde de als “ome Theo” aangesprokene hoe langer hoe meer als iemand die er niet bij hoorde. Het afscheid kwam niet geheel onverwacht. Theo Uden Masman bewees hoe sterk hij aan de Ramblers was gehecht; hij stierf binnen een jaar na de laatste radio-uitzending, op 64-jarige leeftijd. Daarmee was het orkest voorgoed verleden tijd, zo leek het.

“Maar er bleven nog jarenlang brieven binnenkomen met de vraag of er nieuwe platen van de Ramblers waren,” constateert Gerrit den Braber, destijds repertoire-chef bij de platenmaatschappij Phonogram. Hij nam in 1974 het initiatief voor de herleving. Jack Bulterman, inmiddels als producer en arrangeur bij Phonogram werkzaam, kreeg opdracht een nieuwe Ramblers-bezetting samen te stellen uit vroegere orkestleden, aangevuld met jongere studiomusici. In hetzelfde jaar besloot de TROS tot een serie wekelijkse zaterdagochtendprogramma's met de Ramblers in het hoofdstedelijke Américain. “Een geweldig succes,” zegt Den Braber. “De mensen stonden er 's ochtends om acht uur al voor de deur.”

Ter plekke werd daar de Ramblers-fanclub opgericht, met ruim 300 leden die zich qua leeftijd laten aanduiden als “jong belegen”. Ze krijgen reductie op entreekaarten voor concerten en een nieuwsbulletin, dat dezer dagen - vanwege het jubileum - alle zeilen moet bijzetten om de gebeurtenissen bij te houden. “En het aantal leden groeit nog steeds,” aldus voorzitter Nico Bakker.

De huidige Ramblers staan, sinds het overlijden van Bulterman, onder leiding van trombonist-zanger Marcel Thielemans, die op zijn 79ste nog wel een wijsje kan zingen, maar de trombone niet meer aan de lippen zet. Van het orkest, dat in 1926 begon, is nu niemand meer in leven. Thielemans, die er in 1933 bij kwam, heeft de meeste dienstjaren. De huidige bezetting omvat verder alleen nog enkelen die vanaf de jaren vijftig hebben meegespeeld; de rest is jonger.

Coster: “Ze hebben de naam Ramblers er opgeplakt, maar het heeft er weinig meer mee te maken.”

Ex-trompettist Sem Nijveen, die na de oorlog voor de viool koos en niet meer bij de Ramblers terugkeerde, valt hem bij. “Als k over de Ramblers praat,” zegt hij, “dan heb ik het over Theo Uden Masman. Hij was inherent aan het begrip Ramblers en dat kun je niet vervangen.”

Aan de andere zijde van de stammenstrijd bevindt zich de fanclub, waarvan voorzitter Bakker een vergelijking zoekt in de klassieke sector: “Als het Concertgebouworkest honderd jaar bestaat, dan windt toch niemand zich erover op dat er geen musici uit het oprichtingsjaar meer bij zijn?” Gerrit den Braber, thans als AVRO-medewerker gespecialiseerd in nostalgische programma's: “Ik houd het voor mogelijk dat de Ramblers over honderd jaar nòg bestaan, als ze dat repertoire maar blijven spelen.”