Minister d'Ancona grijpt terug naar de jaren twintig

Al eerder heeft minister d'Ancona gespeeld met de gedachte dat ook de omroepen een bijdrage zouden kunnen leveren bij het dichten van het gat in de omroepbegrotingen van de komende jaren. Zij doelde daarbij op de aanzienlijke vermogens van de omroepverenigingen, vergaard in hoofdzaak door de uitgave van een programmablad. Dat is een lucratieve zaak, omdat alleen omroepen een volledig weekprogramma mogen publiceren.

Een dergelijke nevenactiviteit is bij wet toegestaan op voorwaarde dat de inkomsten worden besteed aan de programma's. Sommige omroepen doen dat (zoals ze, met uitzondering van TROS en VPRO, ook op de jongste aansporing van de minister positief hebben gereageerd), maar dan wel mondjesmaat. Het excuus daarbij was altijd dat er toch ook een reserve moest worden opgebouwd om de organisaties, en de vele werknemers, eventueel door "donkere dagen' te kunnen loodsen. De opmerking van de minister dat die dagen - gezien de vele kreten om hulp die haar bereikten - dan nu wel aangebroken leken, was niet ten onrechte.

Maar de tegenwerping dat bij jaarlijkse tekorten op de omroepbegroting van zo'n honderd miljoen gulden die vermogens (zeg driehonderd miljoen) snel op zouden raken, sneed ook hout.

De minister gooit het nu over een andere boeg. Ze vraagt van elke omroep vijfentwintig gulden per jaar van elk geregistreerd lid. Dus van ieder die om de club te steunen een contributie betaalt van tien gulden of die een abonnement op het programmablad van die omroep heeft genomen. Want al in de jaren vijftig hebben de omroepen - twijfelend of ze nog veel "echte' leden konden werven nadat de luister- en kijkbijdragen waren ingevoerd - met succes geijverd voor het kwalificeren van de abonnees als leden.

De minister legt onder haar voorstel een mooie gedachte; maar wel uit de jaren twintig. Ze vindt het merkwaardig dat ons bestel, gebaseerd op ledengebonden verenigingen, financieel volledig rust op omroepbijdragen en STER-gelden. Een directe bijdrage van de leden aan de programma-activiteiten van de club van hun keuze, zou de omroepen nog steviger doen wortelen in de maatschappij.

Er is echter een probleem. In de wet staat dat een abonnee die niet als lid wenst te worden beschouwd dat kenbaar kan maken. Niemand weet dat. In de wet staat het heel verhuld - het woord abonnee wordt niet eens genoemd - en de omroepen hebben er, begrijpelijk, nooit ruchtbaarheid aan gegeven. En de abonnees, die is het tot nu toe een zorg geweest.

Maar straks zou zo'n "negatieve wilsverklaring' - een briefkaartje met "ik wil niet' - vijfentwintig gulden per jaar gaan schelen! Een uittocht van leden ligt voor de hand. Kijk eens naar een onderzoek uit 1976, vermeld in het WRR-rapport "Samenhangend mediabeleid'. Van alle abonnees op de omroepbladen verklaarde vijfenveertig procent zich als abonnee te beschouwen, veertig procent als lid-abonnee en slechts veertien procent als lid van de betrokken omroep. Als we voorzichtig stellen dat in de tussenliggende jaren de organisatiebereidheid, de wens om tot een club te behoren, in de maatschappij niet lijkt te zijn toegenomen, dan zullen die honderdvijfentwintig miljoen van de omroepleden waar de minister jaarlijks op rekent, schromelijk overdreven blijken.

Vooralsnog is er voor de omroepen dan geen nood: waar geen leden zijn, verliest d'Ancona haar recht. Maar dan ligt eerst waarlijk "de bijl aan de wortels van het bestel'. De stelling dat het bestel weliswaar "door inertie, conservatisme, onwil en onmacht, gebrek aan ambitie en verkeerd begrepen eigenbelang'' (VARA-voorzitter Van Dam) tekortschiet, maar dat het anderszijds dan toch maar stevig wordt geschraagd door miljoenen aan hun eigen vereniging verknochte leden, valt aan gruzelementen. De structuur waartoe wij in Nederland de publieke omroep hebben laten verworden, blijkt dan in de kern een onhandelbaar samenstel van slechts op eigen voortbestaan gerichte particuliere ondernemingen. Met recht een 'omroepbladenbestel' (prof. Stappers).

Wie in paniek zou pogen het tij alsnog te keren door de negatieve wilsverklaring dan maar uit de wet te schrappen, vindt minister Cals op zijn weg. Die zei in 1953 - zolang tobben we al rond - : “Het moet onaanvaardbaar geacht worden, dat iemand, die zich voor doelmatig gebruik van zijn ontvanginrichting moet abonneren op een programmablad, als gevolg van deze daad, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart, tevens geacht wordt in te stemmen met de geestelijke en maatschappelijke beginselen van de instelling, die het blad uitgeeft.”