Jubelende science fiction

Scientific American. September 1991. Special Issue: Communication, computers and networks. Prijs in de kiosk: ƒ 12,75

Zo'n dertig jaar geleden zag een computer eruit zoals cartoonisten hem nu nog steeds afbeelden: een zaal met manshoge kasten waarin lampjes flikkeren. In sommige kasten draaiden grote tapes in een geheimzinnig ritme heen en weer en in het midden van de zaal zat een man achter een elektrische schrijfmachine. Als de computer iets moest uitrekenen werd hem dat als een job aangeboden en hij kwam er pas aan toe als de andere jobs af waren. Batch processing heette die manier van werken. Een revolutie in het computergebruik kwam halverwege de jaren zeventig met de system 10 computers van DEC. Op een grote computer konden nu verschillende terminals worden aangesloten en doordat de computer bliksemsnel van de ene naar de andere terminal kon overschakelen, kregen de gebruikers de indruk dat zij de computer voor zich alleen hadden. Het grote voordeel van deze time sharing techniek was dat de gebruikers snel te weten kwamen als ze een fout commando hadden gegeven, maar dat voordeel trok zoveel belangstelling dat je vaak toch op flinke wachttijden moest rekenen.

De volgende revolutie was de personal computer van de jaren tachtig: eindelijk een computer die de gebruiker bevrijdde van zijn medegebruikers en waar hij mee kon doen wat hij wilde. Er zijn nu al 50 miljoen PC's verkocht.

Inmiddels zijn we al weer een stap verder: er is een wereldwijde beweging op gang gekomen die al die stand alones weer met elkaar wil verbinden. De computer in een netwerk met andere gebruikers heeft de voordelen van de personal computer, maar heft de nadelen ervan op: beperkte rekencapaciteit, beperkte toegang tot andere gebruikers en bestanden.

In de special die Scientific American deze maand aan de communicatie tussen computers wijdt komen de duizelingwekkende mogelijkheden van deze nieuwigheden uitgebreid aan bod. Onderwijs, wetenschap, zakenleven en huishouden zullen er ingrijpend door gaan veranderen, houdt een tiental vooraanstaande computergeleerden de lezer voor. Voorwaarde voor die revolutie was de ontwikkeling van een netwerktechniek die als packet switching bekend staat en de opvolger was van circuit switching. In de vroegere techniek werd een verbinding gemaakt tussen twee computers zoals die in het telefoonverkeer gebruikelijk is: door het netwerk van draden waar alle computers op zijn aangesloten wordt een verbinding gemaakt tussen computer A en computer B. Deze techniek kan nuttig zijn als twee computers langdurig met elkaar moeten communiceren, maar in het algemeen is er een groot nadeel aan verbonden: de consultatie van meer computers tegelijk en snelle, wisselende contacten met andere computers zou het opzetten van steeds weer nieuwe verbindingen vereisen en dat is vergeleken met het snelle datatransport dat mogelijk is als de verbinding er eenmaal is een tijdrovende affaire.

Packet switching heeft deze nadelen niet. De computerboodschappen worden in stukjes gehakt en voorzien van een adressering en een afzender als een pakketje het net in gestuurd. In het net zijn op strategische knooppunten schakel-computers opgesteld, die van elk pakket de adressering bekijken en het naar een andere schakelcomputer zenden die zich dichter bij de bestemming bevindt. Als de kortste verbinding bezet is, wordt de verzending enige ogenblikken opgehouden of wordt een andere weg geprobeerd. Het kan voorkomen dat een eerder verzonden pakket later aankomt dan het pakket dat daarna werd verzonden - doordat het een omweg moest nemen, of omdat het pakketje onderweg "beschadigd' werd en de ontvangende computer via het netwerk opdracht gaf het nog een keer te verzenden - maar voor de ontvangende computer is het een koud kunstje de pakketjes weer in de juiste volgorde te zetten. Dit alles gaat zo snel dat de gebruiker er niets van merkt.

Het artikel dat over de netwerktechnieken gaat, is van de hand van computergeleerde Vinton Cerf en het is de meest degelijke en meest technische bijdrage aan dit themanummer. De overige artikelen hebben de neiging te ontsporen in de jubelende science fiction waar de informaticabranche het patent op heeft. In de carrière van elke computergeleerde komt blijkbaar het moment dat de bits en bytes hem te min worden en dat hij zijn gedachten over de toekomst van de zich informerende mensheid voor een breder publiek gaat ontvouwen. Jammer dat Scientific American die neiging bij de medewerkers aan dit nummer niet wat onderdrukt heeft.

Dat neemt niet weg dat sommige van de toekomstdromen wel heel attractief lijken. Een tot de verbeelding sprekende nieuwe mogelijkheid is de film op bestelling. Binnen niet al te lange tijd, belooft Nicholas Negroponte, hoofd van het Media Lab van MIT, zullen we op ons televisiescherm een keus kunnen maken uit de 50.000 films die tot nu toe in de westerse cultuur zijn geproduceerd. We kunnen zomaar een titel opgeven, maar ook, als we die titel even zijn vergeten, selecteren naar genre, regisseur of acteur. We krijgen dan een lijst voor ons neus waarin we verder kunnen zoeken. Hebben we onze keus bepaald, dan is een druk op de knop voldoende om de film in een paar seconden naar ons toe te zenden. Een uur op video gezette film kan met behulp van compressietechnieken tot vijf gigabit digitale informatie worden herleid (vijf miljard enen en nullen) en een glasfiberkabel met een capaciteit van een gigabit per seconde is met de gemiddelde speelfilm dus in minder dan tien seconden klaar.

Als het niet binnen tien jaar zover is zeg ik mijn abonnement op Scientific American op.