Gorbatsjov gaf latere junta royaal de kans

Edoeard Sjevardnadze is een verbitterd man. Hij wil niets meer te maken hebben met president Michail Gorbatsjov. Althans, dat heeft hij voor de coup gezegd en zegt hij nog steeds. Ook nu Gorbatsjov zelf hem heeft gevraagd terug te komen als minister van buitenlandse zaken, een aanbod dat hij gisteren heeft afgeslagen. In het Duitse weekblad Die Zeit heeft hij deze week wederom een zware beschuldiging richting Gorbatsjov geventileerd. Het is de president geweest die de putschisten het plan, de "blauwdruk', heeft geleverd voor hun vorige week mislukte staatsgreep, aldus Sjevardnadze. Dat valt in de Sovjet-Unie, tien dagen na de vergeefse machtsovername, nog steeds in goede aarde. Het economische weekblad Kommersant heeft eergisteren bijvoorbeeld nieuw voedsel gegeven aan de twijfel over Gorbatsjovs rol. In een artikel heeft de redactie alle beweringen van de Sovjet-president over zijn houding jegens het nood-comité van zijn vice-president Gennadi Janajev en z'n gevangenschap op de Krim vorige week puntsgewijs tegen het licht gehouden. Want had Gorbatsjov op zijn persconferentie van vorige week donderdag niet zelf gezegd: “Ik heb u niet alles verteld en zal u nooit alles vertellen”. Zolang hij dat gestand doet en de daders van de coup niet besluiten om de beerput open te trekken - het proces tegen de "hoogverraders' wordt hoe dan ook interessant - zal de waarheid over de putsch nooit echt boven water komen.

Maar op grond van de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie het afgelopen jaar en de gebeurtenissen van vorige week is het wel mogelijk een hypothese op te bouwen. Want ook al is het ten dele op gebrek aan kennis gebouwd, dit scenario is toch niet zo paranoïde. Het is ook een beetje gebaseerd op de politiek-bestuurlijke realiteit waarin de president vanaf najaar vorig jaar heeft moeten leven. De sleutel voor het begrip daarvan ligt in de zomer en herfst van 1990. In Rusland was Boris Jeltsin net gekozen als parlementsvoorzitter, toen nog de belangrijkste politieke functie in het land. Onder zijn patronage stelden prof. Stanislav Sjatalin en de jonge hoogleraar Grigorij Javlinski (thans vice-premier in het nieuwe kabinet van Ivan Silajev) die late zomer hun befaamde "vijfhonderddagen-plan' op dat de Sovjet-economie in nog geen twee jaar zou hebben moeten transformeren. Gorbatsjov steunde dit programma aanvankelijk in de Opperste Sovjet van de Unie. De laatste dagen van zijn premier Nikolaj Ryzjkov leken geteld. Totdat hij nog geen drie dagen later ineens honderdtachtig graden draaide, Sjatalin en Javlinski liet vallen en openlijk op de recht-en-orde-toer ging.

Wat was er in die week in september gebeurd? We weten het uiteraard niet precies. Maar één ding werd wel duidelijk. Gorbatsjov kreeg bezoek van de captains of industry uit het "militair-industrieel complex' en het leger. Eén van hen was het latere junta-lid Oleg Baklanov, lid van het centraal comité van zijn eigen CPSU en als vice-voorzitter van de defensieraad een spin in het web van de militaire industrie die maar liefst zestig procent van de economie onder haar beheer had en heeft en daarom elk hervormingsplan kon maken of breken. Baklanov en de anderen gaven Gorbatsjov te verstaan dat ze hem niet meer zouden steunen als hij deze radicale koers, die Sjatalin en Javlinksi hadden uitgestippeld, zou blijven varen. Gorbatsjov koos eieren voor zijn geld, al was het maar omdat hij (net als Javlinski trouwens) wist dat het "vijfhonderddagen-plan' wel mooi leek maar de realiteit niet dekte omdat de opstellers tot het laatst geen enkele serieuze en feitelijke informatie hadden gekregen over de betekenis van het "militair-industrieel complex' in de Sovjet-economie.

Bovendien begon in oktober vorig jaar de communistische partij, onder leiding van de Russische partijchef Ivan Polozkov, aan haar tegen-offensief. Op een plenum van het centraal comité van de Russische communisten werd naar Roemeens model bijvoorbeeld besloten tot de oprichting van de "comité's ter bescherming van het socialisme' die in december en januari als "comité's van nationale redding' in de openbaarheid zouden opduiken.

Gorbatsjov beantwoordde deze voldongen feiten op twee manieren. Hij koos voor de vlucht naar voren door het parlement te dwingen hem met speciale volmachten te belasten. En hij besloot tot aanpassing aan deze geduchte, nieuwe, tegenstander. In november kondigde hij nog wel even een grondige herstructurering van de krijgsmacht aan maar daar kwam vervolgens niets van terecht. Wat wel resultaat had, was zijn nieuwe personeelsbeleid. De mannen die daarvan profiteerden zijn sinds vorige week gedetineerd, respectievelijk dood en begraven: vice-president Gennadi Janajev en minister van binnenlandse zaken Boris Pugo.

Het ligt voor de hand te veronderstellen dat in datzelfde najaar de eerste plannen zijn gemaakt voor het uitroepen van de noodtoestand. Een president die per decreet mag regeren, is immers geen knip voor de neus waard als hij zich niet op het ergste voorbereid. Op dit noodplan doelt Sjevardnadze vermoedelijk in zijn interview met Die Zeit. En toen naderde Kerstmis 1990, ingeluid door het spectaculaire aftreden van de minister van buitenlandse zaken die deze stap verdedigde met een verwijzing naar de volgens hem “naderende dictatuur”. Dat was dapper van Sjevardnadze. Maar ook een beetje makkelijk. Aftreden en waarschuwen voor onheil is moreel uiteraard zeer verantwoord. Maar het was wel bühne-politiek.

Gorbatsjov koos voor de tegenovergestelde weg: de accomodatie, zoals de voorzitter van de voetbalclub die de grootste kritikaster uit de vereniging in het bestuur pleegt te halen in de hoop hem zo te compromitteren en tot zwijgen te brengen. Zelfs openlijke critici, zoals onderminister Varrenikov van defensie en diens collega Boris Gromov van de binnenlandse strijdkrachten die in juli een oproep tot militair ingrijpen mee-ondertekenden, liet hij zitten.

Gorbatsjov was kennelijk bang voor de reactie. Het draaide op een ramp uit. De militaire interventie in Vilnius was het eerste gewelddadige signaal. Weliswaar mislukte die greep naar de macht in Litouwen. Maar, naar achteraf bleek was dat wel de generale repetitie. De mannen die achter die provocatie hadden gezeten, konden in alle rust de schroeven blijven aandraaien.

Tegelijkertijd keerden Gorbatsjovs oude vertrouwelingen hem één voor één de rug toe. Diegenen die bleven, sneden hem willens en wetens af van de buitenwereld. Gorbatsjov op zijn beurt liet het gebeuren, zoals zijn oude makker Aleksandr Jakovlev eergisteren zei. Hij sloot zijn oren en kwam zo in een ivoren toren te zitten, een plek waar Sovjet-politici normaliter toch al vertoeven. Gorbatsjov verloor zo elk contact met de buitenwereld, zoals bleek toen ook hij zich in januari in een emotionele oprisping liet ontvallen dat de perscensuur in ere moest worden hersteld en zich vervolgens eind maart liet opjagen door de hysterie van Jeltsins democraten die de orde in Moskou zouden willen verstoren. Onder zijn verantwoordelijkheid marcheerden toen vijftigduizend politie-agenten rond het Kremlin om een volstrekt vreedzame demonstratie van honderdduizend burgers in toom te houden.

Maar die donderdag 28 maart was wel de laatste keer dat Gorbatsjov zich manifesteerde als keizer zonder kleren. Daarna wendde hij de steven weer richting Jeltsin. De partij zette hij een paar keer genadeloos in de hoek, zij het dat deze handelwijze in de ogen van die communisten die kort daarvoor het licht hadden uitgedaan, natuurlijk onder de maat bleef. Die wilden een volledige breuk met de ideologie waarin zij en Gorbatsjov zijn groot geworden. Het Unieverdrag dat 15 augustus in de Sovjet-pers werd gepubliceerd, was hiervan niettemin het resultaat.

Gelet op de wijze waarop vier dagen later de coup werd uitgevoerd, is de veronderstelling gewettigd dat de putschisten alleen de ondertekening van dit verdrag hebben willen verijdelen. Niet zozeer de (goddank) knullige manier waarop ze de noodtoestand probeerden te handhaven, wijst in de richting als wel hun omzichtige behandeling van het staatshoofd. Zonder zijn fiat raakten ze het spoor bijster.

De staatsgreep van vorige week hield het midden tussen een ultieme politieke daad om Gorbatsjov op de knieën te krijgen en zo de bestaande orde tot principiële concessies te dwingen en de Griekse kolonelscoup van 1967. In Griekenland lag er vierentwintig jaar geleden ook één plan, opgesteld door de geheime dienst KYP. De generale staf wilde dat plan pas uit de kast halen als de verkiezingen van mei 1967 verkeerd (dat wil zeggen ten gunste van vader en zoon Papandreou) zouden uitpakken. De junta van de kolonels Papadopoulos en Patakos was haar echter een maand voor. De weifelende houding van mensen als KGB-chef Vladimir Krjoetsjkov, minister van defensie Dmitri Jazov en zijn militaire top alsmede premier Valentin Pavlov (maandag aanvankelijk onvindbaar) wijst op het eerste. De centrale rol die Baklanov en diverse partijfunctionarissen van het tweede echelon hebben gespeeld, is een argument voor de kolonels-these. Het waren niettemin hoe dan ook stuk voor stuk mensen door wie Gorbatsjov zich, al dan niet bevangen door een "politiek van het kleinere kwaad', heeft laten omringen.

Natuurlijk is Gorbatsjov geen heilige bij wie de rechtschapen burger het best te biecht kan gaan. Hij was en is vooral een bestuurder, een machtspoliticus die uit is op behoud van zijn positie en dus op geleidelijkheid. Maar dat hij in dit dilemma in dat halve jaar van zijn verrechtsing de verkeerde keuzen heeft gemaakt, is een politiek verwijt. Want als het om een principiële discussie gaat over goed en fout zijn er nog heel wat meer mensen voor de kadi te slepen. Dan kan bijvoorbeeld driekwart van het democratische kamp in Rusland ook worden gedagvaard en met hen een substantieel deel van de Nederlandse intellectueel-politieke elite. De Sacharovs en Havels zijn nu eenmaal schaars.