Een Amerikaan in Ruurlo; Arthur Conley: Ik zit op mijn eigen schip

De Amerikaanse soulzanger Arthur Conley kwam in 1978 naar Nederland. Optreden doet hij inmiddels niet meer, hij ontwerpt nu tapijten. “Ik had het gevoel dat ik hier moest zijn. Hier was de vrijheid die ik nodig had”. In de zomerserie komen dit jaar buitenlandse kunstenaars die in Nederland wonen aan het woord. Dit is de laatste aflevering.

“Ik ben de hele wereld over geweest, van Helsinki tot Zuid-Afrika, van Berlijn tot Los Angeles. Midden in dat kruis ligt Nederland. Toen het in 1978 tijd werd dat ik vaste grond onder de voeten kreeg, was het dus duidelijk waar ik me moest vestigen.” Zo motiveert de Amerikaanse soulzanger zijn vestiging in Nederland, twee jaar nadat hij zijn laatste plaat voor een grote platenmaatschappij had uitgebracht. “In 1976 had ik een contract met CBS voor één plaat. Het werd I've Got You, Babe, een oud nummer van Sonny & Cher, niet mijn eigen keus. Het werd geen hit en de CBS-bazen zeiden: "Als je nog zo'n plaat maakt, is het met je afgelopen.' Ze wisten niet dat ik al lang had besloten om uit de muziekbusiness te stappen.”

Conley gebruikt graag het beeld van een schip om zijn levensloop te verduidelijken: “Ik zit nu op mijn eigen schip en ik heb het zinkende schip van de platenindustrie achter me gelaten.”

De eerste keer dat Arthur Conley in Nederland kwam, was in de jaren zestig toen hij met artiesten van Stax-Volt, het beroemde soullabel in Memphis, op tournee was in Europa. Hij trad op met Sam & Dave, Eddie Floyd, Carla en Rufus Thomas, Booker T. & the MG's en natuurlijk met Otis Redding. Voor zijn debuut lp Sweet Soul Music had hij samen met Otis Redding een aantal songs geschreven. Het titelnummer van die lp werd "een soort herkenningsmelodie voor de jaren zestig Memphis soul', aldus de Nederlandse pop-encyclopedie. “I think Arthur Conley is one of the most fantastic young singers in the entertainment business”, schreef Redding op de hoes Sweet Soul Music, een mooie lp met afwisselend up-tempo nummers en langzame ballads.

Arthur Conley kan meeslepend vertellen over zijn leven voor en na Otis Redding. Af en toe staat hij op om bij voorbeeld voor te doen hoe zenuwachtig hij was toen hij Sam Cooke (1935-1964) ontmoette, zijn grote idool uit het begin van zijn carrière. Soms zingt hij een paar regels uit een liedje waarover hij het heeft: “Don't know much about geography”.

Op een kaart van de Verenigde Staten wijst Conley aan waar hij is geboren: Hinesville, een klein stadje in Georgia. Zijn leven heeft aanvankelijk een voor een zwarte soulzanger klassiek verloop. Als kleine schooljongen werd hij altijd naar voren geduwd als er gezongen moest worden en hij werd gefascineerd door de emotionele taferelen in de kerk (“Ik dacht altijd dat de predikanten kwaad waren”). Nog op de high school richtte hij een groep op, The Corvettes, die al snel werd omgedoopt tot Arthur Conley & the Corvettes, omdat hij degene was voor wie de mensen kwamen. Ze traden op in nachtclubs en maakten hun eerste platen voor een klein label in Atlanta.

Niet lang nadat Sam Cooke in 1964 was doodgeschoten, gaf zijn tante hem 20 dollar om naar Chicago te gaan. Atlanta was te klein geworden voor Arthur Conley, vond ze, hij moest de opvolger van Sam Cooke worden. Maar het bedrag was net genoeg om Baltimore te halen, waar zijn vader inmiddels woonde. Die hield hem tegen: “Je bent niet Sam Cooke. Je moet jezelf zijn.”

Via een vriendin van zijn vader kwam hij in de muziekleven van Baltimore terecht. Hij nam het prachtige I'm a Lonely Stranger op, een eigen nummer dat de aandacht trok van Otis Redding. “Op een dag zei mijn manager tegen me: Otis Redding wil een plaat met je opnemen”, vertelt hij, “Ik had wel van Otis Redding gehoord, maar ik wist niet precies wat hij zong. Mijn manager zette me op het vliegtuig naar Memphis. Ik werd afgehaald door Jim Stewart, de directeur van Stax-Volt, die me naar de studio bracht. Daar zat het huisorkest, Booker T. & the MG's. Ik had niet veel in te brengen en zat een beetje in een hoekje. Ze veranderden van alles aan mijn nummer en pas op het laatst riepen ze me en mocht ik even de zangpartij doen. Het werd een heel andere opname dan mijn eerste uitvoering van I'm a lonely stranger.”

Het nummer werd in verschillende Amerikaanse steden een hit en op dezelfde onaangename wijze nam Conley nog een tweede nummer op. Pas toen hij onder de vleugels van Otis Redding verhuisde naar de studio in Muscle Shoals, Alabama, kreeg hij echt plezier in het platen maken.

Na het succes van Sweet Soul Music begon Conley samen met Otis Redding op te treden. “Otis introduceerde me bij allerlei mensen uit de muziekwereld, maar de zaken gingen toch over mijn hoofd heen. Ik was nog jong, wat wist ik? Bovendien was muziek mijn business en niet al die zakelijke contacten”, zegt hij.

Nadat Otis Redding en zijn band The Bar Keys in 1967 bij een ongeluk met hun gammele privé-vliegtuigje waren omgekomen, nam Tom Dowd de beschermende taak van Redding over. Conley had nog een grote hit met Funky Street, maar na zijn vierde plaat vertrok Dowd en stond hij er alleen voor. “Het was niet mijn fout dat ik geen hits meer had. Mijn eigen nummers mocht ik niet opnemen en ze kwamen steeds met van die he-songs. Ik deed mijn best, maar ze lagen me niet”, vertelt Arthur Conley over de periode na het vertrek van Tom Dowd.

Na zijn laatste single bij CBS leefde hij eerst in Engeland en België. In 1978 kwam hij in Amsterdam terecht. “Ik had het gevoel dat ik hier moest zijn. Hier was de vrijheid die ik nodig had.”

Onder de naam Lee Roberts and the Sweaters formeerde Arthur Conley een band. De eerste drie concerten die de band gaf, vonden plaats in Ganzenhoef in de Bijlmermeer. Van het derde concert werden amateuristische opnamen gemaakt die in 1988 op de plaat verschenen. De geluidskwaliteit laat veel te wensen over, maar er komt toch iets over van het enthousiasme van het voornamelijk Surinaamse publiek voor de gloedvol gezongen klassieke soulsongs van Sam Cooke, Wilson Pickett, Sam & Dave en Otis Redding. Optredens in de Melkweg, Paradiso en op het Boekenbal volgden. “We traden zelfs op in de gevangenis in Duivendrecht”, vertelt Conley. “Ik heb nog nooit zo hard gewerkt. We moesten steeds weer voor een andere afdeling zingen: 45 minuten optreden, even pauze en daar stond de volgende afdeling alweer. Weer een nieuw publiek dat gewonnen moest worden. Na afloop heb ik drie dagen geslapen.”

Zoals de meeste bands vielen Lee Roberts & the Sweaters na enige tijd uit elkaar. Optreden doet Conley niet meer, hij begeleidt alleen nog jonge muzikanten.

Inmiddels was Arthur Conley zich gaan bezighouden met schilderen. “Ik kocht verf bij de HEMA en bezocht de galeries en cafés. Ik houd van de sfeer in Amsterdam, de hele wereld zit er in de café's te praten.”

In 1983 kwam Conley in contact met kunstweverij Roderlo in Ruurlo. Hij begon tapijten te ontwerpen voor de firma en woont sinds 1985 in een groot huis bij de weverij in Ruurlo. In de hoek van een kamer heeft hij zijn toetsinstrumenten en opname-apparatuur staan. “Mijn werk als ontwerper staat me toe dat ik achter de piano spring als de muziek mij roept. In Nederland leerde ik wat discipline is. Ooit zei ik tegen de platenbazen: "Er komt een dag dat ik jullie niet meer nodig heb en dat ik muziek kan maken zonder muzikanten'. Die dag is nu gekomen. Je kunt met eenvoudige elektronische middelen je eigen platen maken en via een eigen label uitbrengen. Ik ben nu bezig met een plaat met elektronische muziek. De eerste twee nummers zijn al af. Mijn schip is nu aangemeerd en mijn vracht ligt in de haven.”