De klager in het medisch tuchtrecht is slechter af dan de arts; De dokter is beslist niet vogelvrij

In het medisch tuchtproces vormen artsen een vogelvrije partij. Met die opvatting braken de advocaten F.J. van Velsen en F.C.M. Paanakker de staf over het medisch tuchtrecht in hun artikel in deze krant van van 14 augustus. Waarom de rechtsgang in het medisch tuchtrecht in strijd zou zijn met fundamentele rechtsbeginselen maken zij in hun artikel niet erg duidelijk.

In het algemeen behoeft er op dit punt niet veel zorg te bestaan, want de Nederlandse tuchtrechter houdt wel degelijk in het oog of de gang van zaken strookt met de regels over het "due process' zoals onder andere opgenomen in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zo kent artikel 6 de eis dat een procedure binnen een redelijke termijn moet worden afgewikkeld. In één - uitzonderlijk - geval, waarin het medisch tuchtcollege over de behandeling van een klacht ruim vijf jaar had gedaan, besliste de Hoge Raad dat daarmee een redelijke termijn was overschreden en dat aan de betrokken arts geen tuchtmaatregel mocht worden opgelegd.

Het voornaamste punt van kritiek van Van Velsen en Paanakker lijkt te zijn dat het criterium "ondermijning van het vertrouwen in de stand der geneeskundigen' zo onbepaald en onduidelijk is. Dit criterium stamt weliswaar uit 1928, maar is daarom nog niet verouderd. Het ging de wetgever van 1928 erom een goede beroepsuitoefening te waarborgen. Daarop moest het publiek kunnen vertrouwen. In het ontwerp van de wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet-BIG) wordt de norm anders geformuleerd, maar het doel is hetzelfde.

Het is juist dat het bij dit criterium gaat om een open norm. Dergelijke open normen zijn in het recht heel gewoon. Ook in het tuchtrecht voor bijvoorbeeld advocaten, notarissen en accountants gelden algemeen omschreven toetsingsnormen. Dat is anders in het strafrecht, maar daarmee kan men het tuchtrecht niet op een lijn stellen. Het is zeker niet juist dat het door de algemene formulering van de toetsingsnorm volstrekt onduidelijk zou zijn wanneer een arts tuchtmaatregelen kan verwachten. In de rechtspraak zijn de algemene maatstaven geconcretiseerd. Men vindt in de rechtspraak tal van gedragsregels, bijvoorbeeld over de eisen die aan de diagnostiek moeten worden gesteld, over de waarneming bij huisartsen, over de behandeling van verslaafden, enzovoort. Voor de toetsing van de therapie geldt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad het criterium dat de behandeling moet overeenkomen met "gangbaar medisch inzicht'. Wat gangbaar medisch inzicht is, weet een arts die zijn vak bijhoudt.

Ook de procesgang is niet zo gebrekkig als Van Velsen en Paanakker willen doen geloven. Het klaagschrift moet aan bepaalde eisen voldoen; in elk geval zal de klager daarin duidelijk moeten maken wat hij de arts verwijt. Als een klaagschrift onvoldoende gegevens bevat, moeten deze worden aangevuld. Wanneer de klacht duidelijk ongegrond is, kan deze zonder verdere behandeling worden afgewezen. Gaat het wel om een serieuze klacht, dan komt er een mondelinge behandeling. Vóór die tijd kan de arts schriftelijk reageren. Ter zitting van het tuchtcollege heeft de arts alle gelegenheid vragen te beantwoorden en zijn standpunt uiteen te zetten. Hij kan zich voorzien van de bijstand van een advocaat. Veel artsen zijn voor de kosten daarvan verzekerd. De arts kan ter zitting getuigen en deskundigen meenemen (evenals overigens de klager). Aan het einde van de behandeling krijgt de arts steeds het laatste woord. Dat artsen het begrijpelijkerwijs niet aangenaam vinden een tuchtprocedure te ondergaan, is iets anders. Ook voor de meeste klagers is het geen onverdeeld genoegen.

In tegenstelling tot de wijd verbreide opvatting dat de geneeskundige leden van het tuchtcollege hun collega-aangeklaagde arts wel de hand boven het hoofd zullen houden, verkondigen Van Velsen en Paanakker de opvatting dat deze leden plus royaliste que le roi zijn. Het is zeker niet juist dat de vakbroeders "als regel' te streng oordelen en dat in hoger beroep in vrijwel alle gevallen "beduidend milder' wordt geoordeeld. Nu worden veel tuchtrechtelijke uitspraken niet gepubliceerd, zodat niet duidelijk is waarop de auteurs hun mening stoelen.

Meer dan eens legt het Hof in hoger beroep een zwaardere maatregel op. Recent werd in NRC Handelsblad het geval genoemd van een arts, wie werd verweten dat hij kankerpatiënten volstrekt ondeugdelijk had onderzocht en hun weinig geschikte middelen had voorgeschreven, waaronder kruidenthee en bietensap. In eerste instantie legde het tuchtcollege een geldboete op van tienduizend gulden; in hoger beroep werd de arts voor zes maanden geschorst. Zo zijn er meer voorbeelden.

De auteurs geven trouwens een onjuist beeld van de positie van de geneeskundig inspecteur. Het is niet juist dat de inspecteur altijd door de tuchtrechter wordt gehoord. Als de inspecteur de klacht niet heeft ingediend, wordt hij ook niet gehoord. Wèl wordt hem steeds de beslissing toegezonden en steeds kan hij hoger beroep instellen. Dat laatste noemen de auteurs een "volstrekt excessieve' bevoegdheid. Daaraan is echter niets excessiefs. Het kan voorkomen dat een tuchtcollege een uitspraak doet die duidelijk onredelijk of onjuist is. Zowel de tuchtrechtspraak als de beroepsuitoefening worden ermee gediend als de hogere rechter - kennis nemend van het standpunt van de inspecteur, die tenslotte het algemeen belang vertegenwoordigt - zijn oordeel geeft.

Dit alles betekent niet dat er op het huidige medisch tuchtrecht en de toepassing daarvan niets valt aan te merken. Zo schiet het tuchtrecht tekort als het gaat om zeer ernstige gebreken in de praktijkuitoefening. Een tuchtmaatregel wordt eerst ten uitvoer gelegd als de uitspraak onherroepelijk is. Dat kan lang duren, als de arts alle rechtsmiddelen uitput die de wet hem toekent. Een mogelijkheid om tussentijds enige sanctie op te leggen of een voorlopige maatregel te treffen, ontbreekt. Bekend is het geval van de (inmiddels overleden) hoogbejaarde zenuwarts, die ondanks tuchtrechtelijke uitspraken jaar in, jaar uit door ging met het ongebreideld verstrekken van methadon aan verslaafde patiënten, zonder enig behoorlijk onderzoek en zonder enige begeleiding. Daartoe was hij door zijn leeftijd en gezondheidstoestand ook niet meer in staat. Een dergelijke arts kan hangende appel- en cassatieprocedures zijn gang gaan. Met het medisch tuchtrecht valt daartegen tussentijds niets te ondernemen. Ook de inspecteur staat dan machteloos. In zulke extreme gevallen kan alleen nog het kort geding bij de president van de rechtbank uitkomst bieden. Ook de nieuwe wet-BIG biedt voor dergelijke gevallen geen oplossing.

De positie van de klager is in beginsel behoorlijk geregeld, maar in de praktijk verkeert hij in een nadeliger positie dan de arts. Hij heeft een grote achterstand in medische kennis en informatie. Wil een klager zich verzekeren van medische expertise, dan komen de kosten ten volle voor zijn rekening; hetzelfde geldt voor juridische bijstand, tenzij hij in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Het is dan ook niet verbazingwekkend als tuchtrechters in hun aanpak proberen de ongelijkheid tussen arts en (alleen optredende) klager enigszins te compenseren. Dat wil niet zeggen dat de klager eerder gelijk krijgt of behoort te krijgen.