Antibiotica in kippevoer veroorzaakt resistente bacteriën; Gevaren uit het hoenderhok

Slachtkippen zijn zeldzame dieren. De meeste dieren worden zelden ouder dan 6 weken. Een kip is dan nog maar een kuiken en men spreekt in de pluimveehouderij dan ook van slachtkuikens.

Rassen die voor de slacht bestemd zijn, worden geselecteerd op zoveel mogelijk vlees per kilo kippevoer (kuikenvoer dus eigenlijk). In Nederland werd in 1990 een kleine 450 miljoen kilo slachtkuikenvlees geproduceerd, waarvan ruim 50% werd geëxporteerd. In deze miljardenindustrie neemt Nederland een vooraanstaande plaats in. Economisch gezien is dat mooi.

Minder mooi, althans volgens de arts-microbioloog dr. G.J. Ruijs, werkzaam in het ziekenhuis Leyenburg in Den Haag, is dat er in de pluimveehouderij op erg luchtige wijze met antibiotica wordt omgesprongen. En dat heeft kwalijke gevolgen voor de mens. Intensief gebruik van een antibioticum leidt tot ongevoeligheid organismen voor dat middel; de bacteriën worden er resistent voor.

Ruijs: ""Antibiotica worden bij de mens gebruikt om infecties met bacteriën te bestrijden. Ze zijn onmisbaar, vooral bij ernstige, levensbedreigende infecties: in urinewegen, longen, hersenvliezen en maagdarmstelsel.''

In ziekenhuizen heeft de toenemende resistentie geleid tot het invoeren van een antibiotica-beleid: patiënten worden aan de hand van een "formularium' gericht behandeld met antibiotica waarvoor de bacterie die hun lastig valt gevoelig is. "Blind' behandelen (als de verwekker van de infectie nog onbekend is) gebeurt zo min mogelijk. Ook is men voorzichtig met het introduceren van nieuwe antibiotica. "Oude' middelen worden zo lang mogelijk gebruikt omdat bij ieder nieuw middel op den duur weer resistentie optreedt en men deze nieuwe wapens liefst zo lang mogelijk achter de hand houdt.

In de pluimveehouderij is dat anders. Ruijs: ""Bij slachtdieren worden antibiotica ook profylactisch gebruikt, d.w.z. om infecties te voorkómen. Als een pluimveehouder zijn dieren gezond houdt, raakt hij minder geïnfecteerde exemplaren kwijt en is z'n opbrengst groter. Er is dus een commerciële reden om slachtkuikens antibiotica te geven. Dat gebeurt dan ook op grote schaal. Daar wordt door de farmaceutische industrie goed aan verdiend.''

Een nadeel van deze praktijk is bacteriën op even zo grote schaal resistent worden. Als mensen vlees met dergelijke bacteriën aanraken en eten - en op al het vlees dat bij de slager ligt, komen bacteriën voor - komen ze in de menselijke darm terecht en is de mens eveneens drager geworden van een resistente bacterie. Meestal is dat niet erg, maar het kan gebeuren dat iemand ziek wordt van de betreffende boosdoener. Als vervolgens blijkt dat die resistent is voor een aantal antibiotica, kan het moeilijk zijn om de infectie de kop in te drukken.

In 1988 stuitten Ruijs en zijn collega dr. H.Ph. Endtz, destijds werkzaam in het Academisch Ziekenhuis in Leiden, op een dergelijk resistentie-probleem, toen zij onderzoek deden naar een techniek om de bacteriesoort Campylobacter te isoleren. Veel van deze Campylobacters bleken resistent voor enrofloxacine, een antibiotica uit de groep der quinolonen.

Endtz: ""Wij ontdekten dat Campylobacters de laatste jaren in toenemende mate resistent waren voor enrofloxacine. Dat was merkwaardig, want het middel werd in de humane geneeskunde nog vrijwel niet toegepast. De vraag rees hoe mensen dan besmet geraakt waren met deze resistente bacteriën. Eerder was gebleken dat een infectie met Campylobacters alleen door consumptie van besmet vlees kan worden veroorzaakt. Verder vond men dat Campylobacters vooral op kippen gedijen. We zijn toen samen met het Academisch Ziekenhuis in Leiden, en het RIVM in Bilthoven een onderzoek gestart en in het verloop daarvan bleek dat in 1989 14% van de onderzochte mensenpopulatie resistente Campylobacters in de ontlasting had. En dat percentage is alleen maar gestegen, het laatste cijfer over 1990 bedraagt 25%!''

Ruijs en Endtz vonden toen dat quinolonen op grote schaal in de slachtkuikenhouderij werden gebruikt om te voorkomen dat de kuikens geïnfecteerd zouden raken met Campylobacters, of om de dieren met een infectie ervan te genezen.

Ruijs: ""Dat gaat steeds meer problemen opleveren. Als we nu patiënten hebben met een ernstige Campylobacter-infectie kunnen we in ongeveer 25% van de gevallen een effectieve behandeling met dit middel wel vergeten. Jaarlijks heeft 2% van de Nederlandse bevolking een Campylobacter-entertitis (darminfectie), dus potentieel spreken we over een grote groep mensen, waarbij vooral kleine kinderen en bejaarden kwetsbaar zijn. Maar verder zit er ook een principiële kwestie aan vast: door ondoordacht gebruik van antibiotica in de bio-industrie, wordt artsen in de menselijke geneeskunde een effectief wapen tegen infecties uit handen geslagen. Een niet te tolereren situatie.''

Al sinds de jaren zestig staat het gebruik van antibiotica in de veehouderij ter discussie. En dan niet eens zozeer dát ze gebruikt worden, maar meer de schaal waarop. Maar men streeft naar verbetering, al was het maar om de export van resistente bacteriën te voorkomen.

In maart 1990 werd in het RIVM in Bilthoven een "workshop' gehouden met als titel: "Veterinair antibioticagebruik en volksgezondheid'. Uit de slotconclusies werd duidelijk dat een beleid waarbij bepaalde middelen werden verboden door een meerderheid van de aanwezigen niet werd ondersteund. Maar men was ""zich wel van een probleem bewust'' en omdat men ook allemaal "goedwillend' was, gingen de molens draaien.

Er werd in mei een tweede bijeenkomst belegd voor betrokken partijen (de diverse produktschappen, keuringsdiensten, hoofdinspecties bedrijfsschappen, bio-industrieën, farmaceutische industrieën, verenigingen, dierenartsen en arts-microbiologen). Daaruit kwam naar voren dat men in de veterinaire geneeskunde - dus ook in de pluimveehouderij - over zal gaan tot het gebruik van een formularium, een handleiding waarin staat welk medicament men in welke gevallen dient voor te schrijven. Er werd een commissie samengesteld die een en ander zou uitwerken en bevorderen.

Een van de deelnemers was drs. H. Verburg, hoofdinspecteur van de Veterinaire Inspectie van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid. Dit orgaan zou toezien op de uniformiteit in het antibioticagebruik. Verburg: ""Er bestaat al langer kritiek op het gebruik van antibiotica in de veefokkerij. Bij het probleem van resistentie gaat men dan wel eens voorbij aan het feit dat de meeste resistentie ontstaat door gebruik van antibiotica in het ziekenhuis. Maar iedereen realiseert zich dat er in de pluimveehouderij een probleem bestaat. Na de laatste bijeenkomst, waarbij men geconcludeerd heeft dat het gebruik van een formularium nuttig zou zijn, zien we de zaak met vertrouwen tegemoet.''

Komt er dan ook een controle op naleving van het veterinair antibioticabeleid?

Verburg: ""Gezien de kosten die gepaard gaan met het in het leven roepen van een dergelijk controle-apparaat en de daarmee samenhangende administratie, lijkt dat op afzienbare termijn niet waarschijnlijk.''

Voor een arts-microbioloog klinkt dat niet veelbelovend. Staat het commerciële belang nu volledig haaks op het humaan-medische?

Ruijs: ""Niet helemaal, er zijn wel oplossingen te verzinnen, onder meer door een goede controle op de gebruikte antibiotica. Maar de druk vanuit de bio- en farmaceutische industrie om veel te produceren en te verkopen is groot. Er zijn zoveel belangen dat een harmonieus veterinair en humaan antibioticabeleid nog heel ver weg lijkt.''