ALLEMAAL BEESTJES

Op kwekerij Klerx in Malden, onder de rook van Nijmegen, staan de Bougainvilles meer dan manshoog in reusachtige aarden potten. Er pronken Oleanders in alle kleuren van de regenboog. Hier een Hibiscus, daar een Abutilon, een weelde van exotische planten zover het oog reikt. Kuipplanten, subtropische soorten die 's winters naar binnen moeten, zijn in korte tijd een rage geworden en Jacques Klerx (41) levert ze aan tuincentra in de wijde omtrek. Onverwacht neemt de eigenaar-directeur een duik in het gewas. ""Ai, dat is een brandnetelwants, die kunnen we hier niet gebruiken!'' Hij vermorzelt het beestje tussen zijn nagels. ""Dat noem je nou geïntegreerde bestrijding.''

Geïntegreerde bestrijding, twee jaar geleden op dit bedrijf ingevoerd, omvat een samenspel van methoden. In principe worden schadelijke insekten bestreden door hun natuurlijke vijanden, die speciaal voor dat doel kunnen worden gekweekt en losgelaten, maar ook in groten getale vanzelf de kas komen binnenwaaien. Zieke planten worden buiten in de regen gezet om op te frissen en af te harden. Vatbare soorten worden bij voorkeur niet pal naast elkaar gezet. 's Winters gaat de thermostaat omlaag zodat luizen en andere vieze beestjes het loodje leggen. Tegen de lastige Californische thrips zijn speciale vangplanten (Alyogyne huegelii, verwant aan de Hibiscus) in gebruik, waarvan de aanlokkelijke blauwe bloemen blijkbaar een magische aantrekkingskracht op thrips uitoefenen. Elke week worden de bloemen en kelkjes geplukt en - met honderden thripsen per bloem - in een zeepoplossing gegooid. Kleverige plastic platen hangen in de lucht om steekproefsgewijs te kunnen vaststellen wat er zoal rondvliegt en de kweker zelf is voortdurend onderweg om zijn planten te bemonsteren. Goed waarnemen kost handenvol tijd.

Loopt het ondanks alles toch nog uit de hand, dan wordt corrigerend gespoten met een selektief middel zoals Pirimor, dat de "gunstige' beestjes in de kassen in leven laat. Hierin onderscheidt de geïntegreerde bestrijding zich van de biologische bestrijding (waarin chemische middelen helemaal taboe zijn) en van de biologisch-dynamische bestrijding (waarbij ook natuurkrachten, de stand van de maan etcetera in het spel zijn).

Drie jaar geleden werd op dit bedrijf (2000 meter²) nog ruim 4 kilo landbouwgif verspoten, vorig jaar nog maar 65 gram. Geschat wordt dat de nieuwe milieuvriendelijke vorm van bestrijding vijf tot zesduizend gulden per jaar kost, vooral voor de aanschaf van natuurlijke vijanden. De vroeger gebruikte chemische middelen kostten 1500 gulden. Dan zijn de arbeidsuren nog niet eens meegerekend, het is echter duidelijk dat geïntegreerde bestrijding - vooral vanwege het intensieve waarnemen - ook veel meer tijd kost. ""Maar als je bij chemische bestrijding ook de negatieve milieueffecten zou verrekenen komt het plaatje er heel anders uit te zien'', zegt Klerx.

Met vlagen

Op dit moment monstert hij zijn planten tevreden. Ze zien er tamelijk schoon uit. ""Het gaat altijd met vlagen'', merkt hij op. ""Als je een epidemie ziet uitbreken neem je je maatregelen, je zet natuurlijke vijanden uit, maar dan duurt het nog een week of vier voordat die de zaak weer onder controle hebben.

Het "uitzetten van beestjes'' als biologische bestrijders is in de groententeelt inmiddels gemeengoed. In de komkommer- en tomatenteelt worden sluipwespen massaal ingezet tegen witte vlieg en roofmijten tegen spint. Bij de firma Koppert, die de biologische bestrijders opkweekt en in de handel brengt, werken al 120 mensen.

Nultolerantie

In de sierteelt ligt het veel moeilijker. Op de veiling geldt "nultolerantie' als eis: geen ongedierte op het produkt. De groenteteler hoeft daarvoor alleen maar te zorgen dat hij een gave vrucht op de veiling inlevert - aantasting op het blad is van minder belang. In de sierteelt echter moet een geheel gave plant of tak worden afgeleverd. Er moet dan ook een behoorlijke overdosis aan natuurlijke vijanden worden uitgezet om ook het allerlaatste plaagbeest nog uit te roeien en dat is een kostbare zaak.

Klerx omzeilde het probleem van de nultolerantie door over te schakelen op kuipplanten die hij buiten de veilingen om rechtstreeks aan de tuincentra levert. Ze staan daar buiten in de frisse lucht, een luisje meer of minder is geen groot bezwaar. 90 procent van het sortiment kan zonder problemen worden verkocht.

Door zijn grote sortiment van wel vijftig verschillende soorten wordt zijn ondernemersrisico enigszins gespreid: elke plant "smaakt' natuurlijk weer anders voor de ongenode gasten en ook de mate van beharing speelt een belangrijke rol. Bovendien ziet de ene plant, eenmaal aangetast, er meteen veel meer afgetakeld uit dan de ander. Door de vrij lange teeltduur, tenminste drie maanden tot twee jaar, kan zich tussen plaag en parasiet een zeker natuurlijk evenwicht in de kas ontwikkelen. En als zijn koopwaar er echt aangevreten uit gaat zien, snoeit Klerx de planten terug en verkoopt ze volgend jaar. Sommige indrukwekkende stammen zien eruit alsof ze hier al jaren staan en dat blijkt ook zo te zijn.

""Wij permitteren ons de luxe ongeveer een derde van die grote planten nooit te verkopen, die zetten we bijvoorbeeld op tentoonstellingen neer'', zegt Klerx. ""Als hier buitenlanders komen op zoek naar iets heel speciaals is dat wel eens frustrerend voor ze. Dit is niet te koop en dat ook al niet... Als er dan eindelijk zo'n grote plant wèl te koop blijkt wordt er niet meer naar de prijs gevraagd.''

Van die handel - en niet louter van de produktie - moet hij het hebben. Toen hij drie jaar geleden op kuipplanten overging was dat nog lucratief. ""Nu belt er bijna elke week wel een radijskweker of een rozenkweker die er ook kuipplanten bij wil gaan doen. Als iedereen op dat idee komt raakt zo'n markt natuurlijk zo verzadigd.''

Industriële tuinbouw

Hij haalt fel uit naar de industriële tuinbouw zoals die in het westen wordt bedreven. ""Wat is daar nou in die kassen nog te zien? Wékenlang doe je een en de zelfde handeling, een stekje oppotten, waarna je daar wékenlang een ringetje om moet doen. En dan klagen die tuinders steen en been dat ze alleen nog maar Polen en Turken kunnen krijgen, maar wie wil daar nou nog werken? In de industrie krijg je voor stom werk nog aardig betaald maar in de tuinbouw horen de CAO-lonen tot de allerlaagste.''

Zelf verbaasde hij vriend en vijand door na een kortstondige carrière als psycholoog die weinig voldoening en veel frustratie opleverde, zijn intrek te nemen in een stacaravan en zich geheel te wijden aan zijn oude liefde: fuchsia's. ""Ik kon toen een stukje kas pachten bij een ouder echtpaar waar nog echt op de ouderwetse manier tuinbouw werd bedreven. Geraniums, cyclamen, van alles en nog wat, soms maar 50 of 100 planten van een soort. ""Ik ga ze te drinken geven'', zei die man 's ochtends, zo noemde hij dat.''

Later begon Klerx een eigen bedrijf in Malden, met allerlei bijzondere soorten stamfuchsia's en cyclamen. Maar helaas werden vooral de cyclamen ieder jaar zieker, er moest steeds vaker gespoten worden en dat ging tegenstaan op den duur. Vooral ook omdat hij, inmiddels getrouwd, niet alleen de hele dag in de kassen werkt maar er ook woont, in een afgescheiden gedeelte. ""De buren waren bang voor al die chemische bestrijding en de gemeente wilde niet zomaar een hinderwetvergunning geven voor nieuwe kassen plus een groter huis'', vertelt Klerx, ""daarom zijn we op zoek gegaan naar alternatieven.''

Aanschaf van vijanden

Informatie was wel beschikbaar maar erg versnipperd. Het meeste heeft hij zelf uit moeten vogelen. De Provincie Gelderland verleent subsidie voor de aanschaf van natuurlijke vijanden. Vorig jaar startte een driejarig projekt om uit te zoeken of geïntegreerde bestrijding op dit bedrijf economisch haalbaar is. Theo Cuijpers, biologiestudent aan de Landbouwuniversiteit, verrichtte vorig jaar een eerste inventarisatie en komt, inmiddels afgestudeerd en werkzaam voor VROM, graag nog eens op het bedrijf. ""Je blijft je verbazen over de rijkdom aan insekten'', zegt Cuijpers. ""Je ziet hier allerlei lieveheersbeestjes, gaasvliegen zweefvliegen... Een grote verscheidenheid aan parasieten en predatoren komt vanzelf de kassen binnen. We hebben hier wel een stuk of zeven verschillende roofwantsen - herkenbaar aan die driehoekige schildjes in hun nek - die van thrips leven. Ook vele soorten sluipwespjes, die hun eieren leggen in bladluizen, vinden hun weg naar de onbespoten kassen. Zij worden op hun beurt weer geparasiteerd door hun eigen natuurlijke vijanden (zogenaamde hyperparasieten) maar we hebben de indruk dat daar zelfs weer hyper- hyperparasieten op afkomen. Het evenwicht in de kas verandert voortdurend.''

Roofwantsen zijn helaas nog nauwelijks commercieel op de markt. Het valt namelijk niet mee om ze te kweken, de larven schijnen elkaar al in een pril stadium op te vreten. Een bezoekende roofwantsenexpert van de Plantenziektenkundige Dienst, schrijver van een Europees standaardwerk, determineerde op dit bedrijf maar liefst zeven verschillende soorten, waaronder vijf soorten Orius, maar de mededeling dat deze diertjes van schadelijke thrips leven was geheel nieuw voor hem. ""Daar heb je nou die kloof tussen wetenschap en praktijk'', gniffelt Klerx.

Koko de Papegaai

Als opvolger voor Cuijpers is helaas geen nieuwe Wageningse stagiaire verschenen en de begeleidend hoogleraar heeft nog geen tijd gehad om het bedrijf persoonlijk te bezoeken. Ook stagiaires van de middelbare tuinbouwschool zijn moeilijk meer te krijgen. ""Hooguit nog wel eens van die meisjes die zijn blijven zitten of zo.'' Wèl verscheen er een stagiaire van het plaatselijke sufferdje, in de komkommertijd, voor een reportage waarin vooral Koko de Papegaai prominent fungeerde. Het is dan ook inderdaad een schattig beest, een meer dan vijftig jaar oude grijze roodstaart die het vliegen verleerd is, maar nog blijmoedig door de kassen hipt en ""Hoehoe'' roept precies zoals Klerx grootmoeder dat vroeger in Brussel bovenaan de trap deed.

""Men vindt dit geen modelbedrijf'', zegt Klerx. ""Dat moet minstens 10.000 meter zijn, met roltafels en een monocultuur. Terwijl ik denk dat dit soort bedrijfjes ook kan overleven als mensen maar inventief zijn en er plezier in hebben! Vroeger werkte ik twintig uur per week voor vijftig gulden per uur, nu werken we elk soms wel vijftig of zestig uur voor een tientje per uur. Veel verdienen is ook leuk, hoor, maar nu ben ik eigen baas en ik voel me hier kiplekker bij.''