Vragen waarop niemand antwoord weet

Hoe lang zal het duren voor de rook in het Oosten is opgetrokken? Wat zullen we dan vermoedelijk zien? Hoe bereiden we ons nu al op dat panorama van puinhopen voor? Wat zal het Westen er dan aan kunnen doen?

Men is het er wijd en zijd over eens: het centrale gezag van de Sovjet-Unie is ingestort. Het was voor de coup al in versnelde afbraak, maar terwijl dat proces aan de gang was, gaf het respijt. In een nog min of meer geregelde periode van overgang was er een kleine kans dat de Unie zou worden gereconstrueerd tot een geregelde federatie van republieken. Daarin zou het bestuursapparaat geleidelijk gezuiverd zijn, ongeveer zoals dat in de voormalige DDR gebeurt. In een overzichtelijke federatie had misschien een aanvaardbaar percentage van de hulp uit het Westen de bedoelde instanties bereikt en dan had men misschien tegen het begin van de volgende eeuw de eerste resultaten kunnen begroeten.

Dit toch al magere perspectief kunnen we afschrijven. De voorlopige constanten in de Sovjet-Unie zijn de volgende: afscheidingsbewegingen van vijftien of zestien republieken, een bestuursapparaat dat door zijn partijverleden zijn gezag heeft verloren, een leiding die geen benul heeft van buitenlandse politiek maar hier en daar misschien wel een kelder met kernwapens, een infrastructuur die tot op de draad is versleten, een gedesorganiseerde industrie en landbouw, met een distributieapparaat dat zo lek is als een mandje, en geen enkel plan dat voldoende overtuigingskracht heeft om er veranderingen in aan te brengen. Alle plannen die dat wel hadden, zijn afgestemd of achterhaald.

Het grootste vraagstuk - 't is misschien niet aardig om het nog eens te noemen nadat de Russen hun contrarevolutionairen zo voorbeeldig hebben verslagen - is de Sovjet-mens zelf. Uit de mond van een hoge ambtenaar heb ik eens opgetekend dat “het socialisme erin is geslaagd, een nieuwe mensensoort te kweken die bereid is minder goed te leven om minder hard te hoeven werken”. De totale verzorgingsstaat heeft een persoonlijkheid gekweekt die er onnavolgbaar in slaagt zich te handhaven en zelfs carrière te maken door zo scherp mogelijk de kantjes eraf te lopen. In het half-kapitalistische Westen bestaan daartegen nog innerlijke en uitwendige afweermechanismen. Die zijn in het Oosten vaak tot het rudimentaire afgebroken. Bij elkaar biedt dit geen goede grondslag voor een voorspoedige wederopbouw.

Chaos in de Sovjet-Unie, of zelfs "aan de rand van de chaos' zoals nu, betekent dat het Westen geen "Ostpolitik' meer heeft. Daar valt niets aan te doen, want voor een constructieve politiek moet men een partner van enige duurzaamheid hebben. Uitvoering van een groot project tot eonomische hulp (dat er nog niet was maar waarover in het Westen in ieder geval al een paar jaar werd gepraat) zou dus moeten worden opgeschort. Grigori Javlinski, de Sovjet-econoom die begin dit jaar in de Verenigde Staten veel bijval kreeg voor het ontwerp van een hulpprogramma, zegt dat het Westen moet wachten tot het duidelijk is hoe de nieuwe Unie eruit zal zien. Als een Rus die adviseur is van Gorbatsjov dit zegt, zijn de deskundigen in het Westen graag bereid, hem bij te vallen.

Aan de andere kant kan het Westen zich evenmin veroorloven dat de Unie als een groot Joegoslavië in massale schietpartijen ten onder gaat. De EG is al niet in staat gebleken vrede te stichten in het kleine, het echte Joegoslavië. Veel is intussen gespeculeerd over de kansen dat de Sovjet-Unie het "Joegoslavische model' zou volgen. Nu, het is bijna zo ver. Het was er eigenlijk al, in Nagorno Karabach. Het belooft nu veel meer. De heer Jeltsin, in termen van macht gesproken het zwaarste politieke gewicht, heeft al laten weten dat er grenscorrecties moeten worden uitgevoerd. Overal staan meerderheden klaar om de ongewenste minderheden te deporteren. Het zou, van hier bezien, beter zijn geweest als Jeltsin andere prioriteiten had gesteld, maar in de Moskouse Laokoön-groep heeft het Westen op het ogenblik nog minder invloed dan de laatste vijf jaar het geval is geweest.

De enige sector van het panorama die op het ogenblik enige hoop geeft, bestaat uit de Baltische republieken. Zij hebben de langste traditie van een moderne zelfstandigheid, hun economie is het meest ontvankelijk voor hulp uit het Westen - overzichtelijk en relatief modern - en hun levenspeil is in vergelijking tot dat van de rest van de Unie redelijk. Al een paar jaar geleden had de Roemeense politicus en publicist Silviu Brucan voor het Baltische gebied een oplossing: het zou tot zelfstandige vrijhandelszone van de Unie moeten worden. Toen was dat een verstandig denkbeeld; nu is het ruimschoots achterhaald. De soevereiniteit moet daar zo snel mogelijk officieel worden hersteld en dat betekent: internationale erkenning. Daarna moet de economische hulp bij de Balten beginnen, zij zouden het bruggehoofd van herstel kunnen vormen, het voorbeeld geven. Via de Balten zou een aanvang kunnen worden gemaakt met de export van een beginnende efficiency en know-how.

Toen de desintegratie van de oude Sovjet-Unie begon, heette het in Washington dat het de voornaamste taak van de westelijke politiek zou zijn: "Managing the decline'. Begeleiding van de neergang: dat was een uitstekend programma, uitstekend samengevat, en ook achterhaald. Niet alleen de Sovjet-Unie is in de volgende fase aangeland waarin "neergang' een eufemisme wordt. Ook het Westen heeft daarmee een nieuwe fase bereikt waarmee het geen raad weet.