Steek je duim eens omhoog

Ik droomde dat ik een grote envelop vond die uitpuilde van het geld. Het was druk op straat. De mensen hadden haast. Stiekem raapte ik hem op. Hij was te dik voor in mijn binnenzak.

Wat was ik begerig te zien hoeveel geld ik wel had gevonden. Geen moment kwam het in me op om de haastige voorbijgangers te vragen of een van hen misschien een uitpuilende kantoorenvelop met een geweldige hoeveelheid geld miste. Ik moest zorgen op een stille plek te komen om mijn schat (die mij van alle zorgen zou bevrijden) ongestoord te kunnen bekijken. Ik merkte dat ik werd achtervolgd. Een blonde vrouw op hoge benen, over wie ik wel eens dubbelzinnig had nagedacht, liep me lachend achterna. Grote mond en witte tanden. Dat geld zou toch niet van haar zijn? Een smalle steeg leidde naar een binnenplaatsje. Ik ging op een stoep zitten om op mijn gemak mijn geld te tellen. Mijn geld?

(Ik wist nu waar ik die blonde spetter van kende. Ze werkte in een groentewinkel waar ze zich moest bukken om voor mij twee kilo malta's uit de aardappelbak te scheppen. Dan lachte ze me altijd toe en riep: “Ha, die meneer van de malta's”.)

“Ha, die meneer van de malta's”, hoorde ik haar stem. “U verloor iets.” Ze gaf me de bruine envelop. Een leeg vod. Het geld was er uit. Zelfs in een droom zijn dromen bedrog.

“Heeft u wel eens van een heleboel geld gedroomd en toen u wakker werd bleek het dat uw droom waar was en u van de ene dag op de andere een rijk man? Dat is mij overkomen”, zei een man in een Duitse trein op weg naar Nederland tegen me. We zaten in de restauratiewagen.

“Neem een biertje van me, 't is het laatste dat ik weggeef. Ik ben namelijk blut. Alles is op. En ik ben nog failliet op de koop toe. Ik werk in de bouw in Oberhausen. Ik woon vlak over de grens. Elke week vul ik mijn lotto-briefje in. Wat denkt u wat er gebeurt? Precies. Vijfhonderdduizend mark wint deze meneer. U bent niet rijk. Dat zie ik aan uw gezicht. Maar kunt u zich mij voorstellen met vijfhonderdduizend keiharde Duitse marken? Het begon natuurlijk met mijn makkers uit de bouw. Elke avond in het café rondjes, rondjes en nog eens rondjes. Ik weet niet wat gierigheid is. Ze riepen: "Joop steek je duim omhoog!' Ik stak mijn duim omhoog en de hele zaak ging vol. Alles wat in en uit liep kreeg drank. En niet alleen drank. Karbonaadjes. Bockwurst, frikadellen. Elke avond was ik zes- tot zevenhonderd mark kwijt. "Joop steek je duim omhoog.'

En lenen. Die moest dit. Die moest dat. Ik zou alles terugkrijgen. Ik had toch genoeg? 't Was toch gevonden geld? Er was er zelfs eentje bij die meende recht op mijn geld te hebben, omdat hij al zo'n vijfentwintig jaar meespeelde in de lotto.

Ik moest verhuizen. Mijn vrouw wilde een vrijstaand huis met een tuin. Weet u wat zoiets kost? Helemaal opnieuw ingericht? Alles, maar dan ook alles nieuw? Tot de wc-borstel toe.

Mijn dochter moest een auto. Mijn zoon moest een auto. Mijn schoondochter moest een video met alles er op en er aan, plus een kapsalon. Pa dit. Pa dat. Joop stond overal vooraan als het om betalen ging. Bedelbrieven van verenigingen voor hulpeloze mensen. Van alle kanten kwamen ze op me af. Hoe wisten die mensen dat van die lotto?

Beleggen. Ik moest het hier in stoppen en ik moest het daar in stoppen. Ik werd er gek van. Mijn baas zei dat ik niet langer op de bouw kon blijven met zoveel geld. De sfeer werd erdoor verpest. Te veel jaloerse mensen. Toen ik geen rondjes meer gaf lag ik er uit. Terwijl ze met z'n allen toch ten minste voor zo'n twintig-dertigduizend naar binnen hadden gegoten.

Daar zit ik nu. Ik moet mijn huis uit. Alles moet weg. Mijn zoon wil zijn eigen vader niet meer zien. Dat komt vanwege die kapperszaak van mijn schoondochter, die ik niet helemaal heb betaald. Mijn dochter heeft ruzie met mijn vrouw. Waarover weet ik niet, maar dat zal ook wel met geld hebben te maken. Nu ik rood sta bij de bank en alles onder mijn gat wordt verkocht, mag ik weer aan de slag. Nooit kom ik uit de schulden. Mijn vrouw zegt dat ik een lul ben die zich door iedereen laat gebruiken. Ze zou eigenlijk van me af moeten, zegt ze. En de jongens op de bouw? Gister heb ik er een bijna van de steiger afgeslagen die zei: "Hé Joop, steek je duim eens omhoog!'