Oude gereedschappen hebben een eigen verhaal

Elke maand als het weer vlooienmarkt is in het Friese Makkinga zien de dorpsbewoners de karakteristieke verschijning van dorpsgenoot Albert Mulder langs de kraampjes gaan, op zoek naar oude gereedschappen. "Ald ark' zeggen ze in Friesland en Mulder heeft er al een schuur vol van.

Eigenlijk is hij wel een beetje verliefd op zijn collectie, bekent hij, vooral vanwege de verhalen die bij al die gereedschappen horen, over wie ze gebruikte en waarvoor. De marktkoopmannen kunnen hem dat meestal niet vertellen, zodat Mulder, zelf al gepensioneerd, te rade moet gaan bij de alleroudsten uit de buurt.

“Pas als je weet waar het voor is gebruikt, gaat zo'n voorwerp voor je leven”, verzekert hij. “Laatst kocht ik een onnozel plankje met een wijzertje erop. Niemand wist waar het voor was, totdat een oude man me vertelde dat het een taludmeter was. Veengravers gebruikten het als er bijvoorbeeld een wijk gemaakt moest worden. Het plankje richtten ze dan naar de kim en met de wijzer werd de hoogte van het talud gemeten. Dat meten was erg moeilijk, maar één op de vijftig landwerkers kon met de taludmeter omgaan.” Mulder is er zelf zichtbaar van onder de indruk: “Zo'n onnozel plankje.”

Het begon allemaal ergens in de jaren vijftig. “Een buurman was wat oude rommel aan het verbranden en opeens zag ik daar een houten schop bij liggen. Dat bleek een veenschop te zijn, met een holte erin die vacuüm trok zodat de veenspecie eraan bleef plakken. Het veensteken gebeurde onder water en werd dus op het gevoel gedaan. Dat kon niet iedereen, maar die veengravers misten nooit. Dat vond ik zo'n mooi verhaal dat ik die schop mee naar huis heb genomen. Daar hadden we net een paar boeren op bezoek die zeiden dat ze ook nog wel wat van zulke oude gereedschappen hadden liggen en zo is het begonnen.”

Mulder begon de verhalen over functie en gebruik van het oude instrumentarium op te schrijven voor een plaatselijke krant en vorig jaar verscheen bij de Fryske Akademie van zijn hand het boek "Ald ark', een lijvig, in het Fries gesteld boekwerk van 256 pagina's waarvan inmiddels vierduizend exemplaren zijn verkocht. Alle erin beschreven gereedschappen staan er in afgebeeld, getekend door Jelle Klaver. Het boek laat zich lezen als een cultuurgeschiedenis van het Friese landleven. Maar ook het belang voor de Friese taal - vanwege de vele vaktermen erin - was voor de Fryske Akademie een reden het boek uit te geven.

Gevraagd naar zijn eigen werkzaamheden in het verleden, begint Mulder voor te lezen uit het voorwoord bij zijn eigen boek: “Ik heb diploma's gehaald voor de beroepen van smid-bankwerker, machinist, electrisch en autogeen lasser, centrifugist en boekhouder en zonder diploma was ik ook kaasmaker, wei-poeiermaker, administrateur veeziektebestrijding, stukjesschrijver, enquêteur, stoker en stobbekapper.” Stobbekapper? “Een stobbe is een wortelstronk. In de oorlog moest ik zulke stronken in stukken hakken voor een fabriek die er haar ketels mee stookte”, verklaart Mulder.

In zijn werkzame verleden heeft de verzamelaar dus zelf ook vele gereedschappen gehanteerd. Maar het meest houdt hij toch van de instrumenten die hemzelf aanvankelijk voor raadselen zetten. In de schuur, temidden van zijn collectie, houdt hij zijn bezoeker steeds weer andere roestige stukken ijzer voor, terwijl hij met een twinkeling in de ogen vraagt: “Weet je wat dit is?” Een ijzeren krul als een varkensstaartje blijkt een "puthaak', die, bevestigd aan een stok, diende om emmers water uit een put te tillen. De krulvorm zorgde ervoor dat de emmer er niet af kon glijden. “Maar de puthaak werd ook gebruikt om een huwelijk te sluiten. Man en vrouw gingen dan schrijlings over de stok van de puthaak staan en gaven elkaar de hand. Een oudere dorpsbewoner bezegelde het huwelijk, want daar ging men in die dagen niet voor naar de burgerlijke stand.” Over het waarom van het ritueel tast hij nog in het duister.

“Weet je wat dit is?” Mulder houdt een soort omslagboor omhoog, waarvan de vierkante opening aan de onderkant duidelijk niet is bedoeld om een boortje in te steken. Op geheimzinnige toon volgt de verklaring: “Dit is een schroevendraaier die de timmerman gebruikte om de deksel op een doodskist te bevestigen. Die mocht nooit gespijkerd worden, het kloppen zou de dode wakker kunnen maken.”

“En dit?” De getoonde ketting roept weinig associaties op. “Ik had ook geen idee, totdat iemand me liet zien dat aan het ene uiteinde een soort primitief slot zit. Kijk, ik heb zelf het sleuteltje gemaakt. Iemand anders herkende aan de andere kant een enkelband en toen begreep ik het: dit is een slavenketting!”

Messen, een tuigje voor een hondekar, een snijapparaat voor de rietdekker, een grote grofgetande zaag waarvan Mulder de functie nog niet kent en bijzondere hoefijzers, soms bekleed met leer voor gevoelige hoeven, passeren de revue. Ooit zal het er van komen dat Mulder de collectie elders moet zien onder te brengen en daarom baart het hem enige zorgen dat zijn gemeente geen geld beschikbaar heeft om een leegstaande schuur in het dorp als museum in te richten met zijn gereedschappen.

“In heel Stellingwerf is niet één museum. Met deze verzameling zou dat kunnen veranderen.”