Een overvol pantheon aan menselijke wezens

Tentoonstelling: Het gezicht van de verzameling. Alle portretten van het museum van de zestiende eeuw tot heden. T-m 15 sept. in het Gemeentemuseum Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. Di-za 10-17u, zo 11-17u.

Hedendaagse Nederlandse kunstenaars lachen weinig. Tot die vaststelling kom je als je de portrettentoonstelling "Het gezicht van de verzameling' in het Arnhems Gemeentemuseum bekijkt. Het maken van een zelfportret is een serieuze zaak, dat blijkt. Streng en onderzoekend kijken de kunstenaars je in de ogen, melancholiek worden de wenkbrauwen gefronsd, afwezig wordt er in de verte gestaard. Geen glimlach trekt over een gezicht, geen vleugje ironie valt te bespeuren.

Vanwaar deze loodzware signatuur bij onze landgenoten? Ziet de kunstenaar zichzelf werkelijk zo serieus? Of wil hij dat beeld graag uitdragen uit angst dat zijn kunst niet voor vol wordt aangezien? Illustere voorgangers uit het verleden, Rembrandt en Jan Steen bij voorbeeld, deinsden er niet voor terug om een lans voor de zelfspot te breken. Met een zekere relativering beeldden zij zichzelf af: gekostumeerd "à l'antique', als drinkeboer of bijbels figuur.

Van de twintigste-eeuwse kunstenaars die aanwezig zijn in Arnhem, is Dick Ket een van de weinigen die zichzelf in verschillende gedaantes schildert: op zijn triptiek De eter, de werker, de medicijndrinkeruit 1939 zie je hem afwisselend serieus - met de penseel als dirigeerstokje in de hand -, lachend boven een bierfles en een vies gezicht trekkende bij een medicijnfles. Ook Jan Gerritsen stelt op een mooi zelfportret uit 1975-1976 zijn eigen identiteit ter discussie. Slechts heel vaag zijn de contouren van Gerritsens eigen portret te zien. Maar over de grijsblauwe verf heeft de schilder met een harde penseelstreek in rood, groen en geel meerdere profielen geschilderd.

Daarbij vergeleken zijn de portretten van Hendrik Chabot, Jan Mankes, Carel Willink en Charlotte Mutsaers (met overleden hondje) statisch. De schilders lijken gevangenen van hun eigen somberheid. Felle kleuren en expressionistische lijnvoering doen daar niets aan af.

Op de expositie in het Arnhems Gemeentemuseum zijn niet alleen zelfportretten te zien, al zijn dat samen met de portretten van goede vrienden en echtgenoten wel de interessantste. De tentoonstelling omvat alle portretten van het museum vanaf de zestiende eeuw tot nu. Daar vallen "anonieme figuren' onder (Pyke Kochs afbeeldingen van vrouwen op straat), geëngageerde portretten (Marlene Dumas' getekend commentaar op het racisme in haar vaderland), portretten van de familiekring, afbeeldingen van Gelderse hoogwaardigheidsbekleders uit de zestiende tot en met de negentiende eeuw, performances, video's en fotoseries waar personen in figureren. Een overvol pantheon aan menselijke wezens hangt hier bijeen, afgebeeld in zeer uiteenlopende contexten, op verschillende wijzen - abstract, realistisch, geschilderd of gebeeldhouwd - en met de meest uiteenlopende bedoelingen - van objectieve weergave tot zuiver persoonlijke interpretatie.

De tentoonstelling gaat mank aan het euvel waar bijna alle zomeropstellingen aan lijden: een gebrek aan afbakening en selectie. Verwarring onder de bezoekers en een minder dan gemiddelde presentatie zijn het gevolg. Maar dat schijnt geen beletsel te zijn om het museum zomers vol te krijgen.

Foto: Charlotte Mutsaerts, La belle et la bete (1983)