Consument in EG voorlopig sluitpost van eenwording

De consument zou profiteren van de Europese eenwording. Maar daarvan komt nog weinig terecht.

Het Europese consumentenbeleid loopt gevaar nu de Europese Commissie, onder voorzitterschap van Nederland, het budget voor consumentenzaken heeft verlaagd van 25 miljoen naar tien miljoen gulden.

Verschillende lidstaten, Nederland voorop, liggen bovendien dwars bij de totstandkoming van de concept-richtlijnen voor produktveiligheid en oneerlijke contractbepalingen. Daarnaast dreigt Nederland de paragraaf voor consumentenaangelegenheden te schrappen uit een ontwerp voor de herziening van het Verdrag van Rome, waarin zou worden gestreefd naar een voor de consument "hoog beschermingsniveau'.

“Rampzalig”, zo noemt Jim Murray, directeur van de Europese Consumentenvereniging BEUC (Bureau Europeen des Unions de Consommateurs), het besluit van de Europese Commissie om in het kader van EG-bezuinigingen het toch al schamele budget voor consumentenzaken (bijna één promille van de totale EG-begroting) met vijftien miljoen gulden te verlagen.

Consumentenorganisaties hoeven voorlopig niet meer op financiële steun van de Europese Gemeenschap te rekenen. Plannen voor de versterking van het consumentenbeleid in Zuideuropese landen en Ierland zullen worden opgeschort. De Consumenten Advies Raad, die adviezen geeft over zaken die voor de consument van belang zijn, zal waarschijnlijk moeten worden opgeheven, studies naar de Interne Markt worden beëindigd en informatiecentra in Lille en Luxemburg zullen waarschijnlijk gesloten moeten worden.

“De lidstaten hebben de consument beloofd dat hij zou profiteren van de interne markt”, briest Murray. “Nu weigeren ze hun beloftes in te lossen. Consumenten hebben niets aan Europese eenwording zonder adequaat consumentenbeleid.'

De voltooiing van de interne markt heeft belangrijke gevolgen voor de consument. De markt wordt groter en minder getekend door nationale regelgeving. Produkten en diensten zullen straks vrij door Europa kunnen circuleren. Door toenemende concurrentie zullen lagere prijzen worden berekend, volgens schattingen van de Italiaanse oud EEG-adviseur Paolo Cecchini zelfs tot zes procent.

Doch de lange weg naar liberalisatie ligt nog vol voetangels en klemmen. Twaalf lidstaten - elk met hun eigen regels en wetten, tradities, waarden en normen - moeten hun regelgeving op elkaar afstemmen. De consumentenwetgeving is nog lang niet gereed. Nog altijd is er geen algemene wettelijke regeling voor de bescherming tegen onveilige produkten of oneerlijke contractbepalingen.

Van een technische harmonisatie is evenmin sprake: een Nederlandse stekker past nog altijd niet in een Italiaans stopcontact. Wat de consument zal merken van de eenwording in zijn portemonnaie is onduidelijk. Men zal ervoor moeten waken dat de tarieven van produkten en diensten niet naar een maximaal niveau worden getild. “Het is van het grootste belang dat consumenten hun krachten bundelen”, zegt de Nederlandse BEUC-voorzitter K. Anderson. “De ruim 340 miljoen Europeanen moeten zoveel mogelijk kunnen profiteren van lagere prijzen en van een ruim assortiment goede en bovenal veilige produkten.'

Pag.18: Consumenten; 'EG-landen beducht voor Brusselse hydra'

Reeds in het begin van de jaren zeventig is een begin gemaakt met het Europese consumentenbeleid. De Europese Commissie richtte toen het Directoraat-Generaal voor milieuzaken en consumentenbelangen en de Consumenten Advies Raad op.

Sinds 1983 zijn er zittingen van de Europese Ministerraad, die geheel gewijd zijn aan consumentenzaken. Daarnaast houdt ook een aantal organisaties zich met consumentenzaken bezig, zoals de COFACE, het Europese verband van gezinsorganisaties, het Europese Verbond van Vakverenigingen (EVV) en de Europese Organisatie van Coöperatieve Verenigingen (EUROCOOP).

Een van de belangrijkste belangenorganisaties op consumentengebied is evenwel de Consumentenvereniging BEUC, waarin achttien onafhankelijke consumentenorganisaties (waaronder de Nederlandse Consumentenbond) samenwerken. De belangrijkste activiteiten zijn gericht op het beïnvloeden van Europarlementariërs en wetgevende instanties.

Ook hebben de Europese consumentenorganisaties gezamenlijk het bureau International Testing opgericht, dat onderzoek verricht naar verschillende produkten en vormen van dienstverlening. In dergelijke onderzoeken worden bij voorbeeld alle wasmachines meegenomen die in Europa op de markt te koop worden aangeboden, zodat de consument kan kiezen uit een breder aanbod van geteste produkten.

In ons eigen land zal worden gestreefd naar een nauwere samenwerking tussen de twee belangrijkste consumentenorganisaties, Konsumenten Kontakt en de Consumentenbond. Sinds 1982 werken deze instellingen al samen in de Consumenten Commissie voor Europa (kortweg CCE). Activiteiten die nu nog onder CCE-vlag plaatshebben, zullen in de toekomst echter worden ondergebracht in een "breder' samenwerkingsverband van de Consumentenbond en Konsumenten Kontakt.

Beide organisaties zijn vooral slecht te spreken over de onverschillige houding van Nederland ten aanzien van consumentenzaken. “Alle lidstaten zijn het erover eens dat de afschaffing van nationale regelgeving niet mag resulteren in lagere normen”, zegt BEUC-voorzitter Anderson, die tevens een staffunctie bij de Consumentenbond vervult.

“Maar op sommige departementen overheerst nog steeds het spookbeeld van de Brusselse hydra, die met elk van haar koppen een nationale staat zou kunnen verslinden. Sommige landen, waaronder Nederland, willen met betrekking tot een aantal normen hun eigen regelgeving liever handhaven en zien weinig in een Europese harmonisatie. Landen die een mindere regelgeving hebben, dreigen hierdoor achterop te raken. Wij vinden dat er in Europa op zijn minst een voor alle lidstaten geldende minimumharmonisatie moet komen. Nationaal aanvaarde kwaliteits- of veiligheidsnormen kunnen wat ons betreft echter heel goed gehandhaafd blijven.”

De discussie over de wenselijkheid van een minimumharmonisatie speelt een belangrijke rol bij de behandeling van de concept-richtlijnen voor oneerlijke contractbepalingen en produktveiligheid, die dit najaar moeten worden "afgehamerd'. Door tegengestelde belangen dreigt er van de rechtsbescherming van de consument maar weinig terecht te komen, zo vrezen de consumentenorganisaties.

Een heet hangijzer bij produktveiligheid is bij voorbeeld de vraag of bij gesignaleerde gebreken het gewraakte produkt in één keer in de hele gemeenschap uit de handel genomen zou moeten worden (product-recall), iets waarop ondernemers erg tegen zijn. Ook dreigt de richtlijn ondergeschikt te worden aan sectorale voorschriften, dat wil zeggen dat er alleen veiligheidsmaatregelen komen voor bepaalde soorten artikelen. Vooral Duitsland en Nederland zijn daar voorstanders van.

“Veel te ingewikkeld”, reageert BEUC-voorzitter Anderson. “Dan krijg je allerlei discussies over welke produkten tot zo'n sector gerekend moeten worden.” De Europese Commissie wil verder ook een soort "brievenbus' voor de uitwisseling van informatie, waardoor de verspreiding van gevaarlijke produkten tijdig zou kunnen worden voorkomen. Daarbij mag het volgens de huidige concept-richtlijn echter niet gaan over "incidenten met plaatselijke gevolgen'.

Anderson: “Een belachelijk voorstel: een incident waaruit de onveiligheid van een produkt blijkt, doet zich altijd voor op plaatselijk niveau, en bovendien kan niemand garanderen dat zo'n produkt niet in andere lidstaten op de markt wordt gebracht.”

Er blijkt ook geen unanimiteit te bestaan over de harmonisatie van het verbintenissenrecht. In eenvoudig Nederlands: de afspraken over de "kleine lettertjes' in koopcontracten. Een leverancier mag niet iedere aansprakelijkheid van zijn kant uitsluiten, zoals een verkoper in beginsel niet een beding eenzijdig mag veranderen. Totale harmonisatie van dit recht is echter uitgesloten; er zijn te grote verschillen in de rechtscultuur.

Ondernemers vinden zelfs de hele richtlijn overbodig. Doordat het verbintenissenrecht in de EG op onderdelen verschilt, zou een richtlijn in elke lidstaat weer een andere uitwerking hebben en omdat er in de meeste lidstaten al een redelijke wettelijke bescherming is, zouden maatregelen op Europees niveau niet erg effectief zijn.

Lidstaten die nog geen adequate wetgeving hebben zouden die alsnog tot stand kunnen brengen. Daarnaast verwachten de ondernemers dat de eenwording van Europa niet onmiddellijk zal leiden tot een significante stijging van het aantal grensoverschrijdende aankopen. Maar consumentenorganisaties vinden dat de consument bij eventuele aankopen in andere lidstaten niet geconfronteerd mogen worden met algemene voorwaarden die hij niet begrijpt of waarop geen invloed is uit te oefenen.

De noodzaak van een minimumharmonisatie geldt volgens de consumentenorganisaties voor een groot aantal produkten en diensten. Medicijnen bij voorbeeld zijn in ons land erg duur, maar door de strenge toelatingseisen kan in elk geval worden gegarandeerd dat ze relatief veilig zijn.

In andere landen zijn geneesmiddelen goedkoper, maar de kwaliteit is vaak ook minder. Pijnstillers met het schadelijke bestanddeel fenacetine zijn in ons land niet te koop, in Frankrijk wel. De consumentenorganisaties willen dan ook een algemeen controlestelsel, zodat niet automatisch de laagste norm gaat gelden. Ook al zou Nederland de verkoop van bepaalde geneesmiddelen verbieden, dan n=g zouden ze in andere lidstaten gekocht kunnen worden.

Tegen 1992 moeten weliswaar alle verouderde geneesmiddelen van de markt zijn gehaald, maar onduidelijk is hoe deze operatie moet plaatshebben en welke middelen dan moeten verdwijnen. Ook zijn de consumentenorganisaties tegen het EG-voorstel voor de verlenging van de octrooiduur van farmaceutica; men ziet dat als een nieuwe blokkade voor gewenste prijsverlagingen. Fabrikanten zouden dan immers gedurende langere tijd het alleenverkooprecht van een produkt krijgen.

De consumentenorganisaties vinden dat ook het beleid ten aanzien levensmiddelen stevig aangescherpt zou moeten worden. In ons land is de receptuur van enkele honderden levensmiddelen in de Waterwet vastgelegd, maar op Europees niveau is dat nog maar bij enkele tientallen middelen het geval. De Europese Commissie vindt een aparte regeling voor "Euro-recepten' echter overbodig. Maatregelen zouden alleen noodzakelijk zijn als de volksgezondheid in het geding komt. Aangezien er geen kwaliteitseisen gesteld zullen worden aan voeding, is optimale informatie vereist.

De etikettering - inclusief voedingswaarde-declaratie en de kwantitatieve vermelding van ingrediënten - moet volgens de consumentenverenigingen duidelijk en begrijpelijk zijn. Accurate produktinformatie is ook noodzakelijk om consumenten in staat te stellen om prijzen en kwantiteiten op een eenvoudige manier te vergelijken.

Een doorn in het oog vinden de consumentenorganisaties in dit verband de EG-Landbouwpolitiek, die zij in strijd achten met ieder beginsel van markteconomie. Hier is het prijsmechanisme buiten werking gesteld. De prijzen van de belangrijkste landbouwprodukten komen immers grotendeels via politieke besluitvorming tot stand.

Daarnaast is ook nog eens voor een systeem van variabele invoerheffingen gekozen, terwijl de export via exportsubsidies wordt ondersteund. De consumentenorganisaties pleiten dan ook voor de beëindiging van exportsubsidies en een beperkt voortbestaan van communautaire preferentie (wel afgebakend en in goede samenwerking met de GATT-partners opgesteld), waarbij eventueel inkomenssteun zou moeten worden verleend aan landbouwers ter garantie van een redelijke levensstandaard.

BEUC-voorzitter Anderson: “We zullen de agrarische produktie meer concurrerend moeten maken. Consumenten dienen reële prijzen te betalen voor hun voedingsprodukten.” Ook de dienstensector heeft de aandacht van de consumentenorganisaties, vooral de toeristenindustrie. Het gevaar voor concurrentiebeperkingen is hier nog steeds levensgroot aanwezig, zo vindt men.

De Europese Commissie dient dan ook stringent toezicht te houden op schaalvergrotingen in de luchtvaart, een tendens die zou kunnen leiden tot de vorming van "mega-carriers'. Ook dringen de consumentenorganisaties aan op betere veiligheidsnormen voor de brandveiligheid in hotels en de daadwerkelijke controle daarvan. Er zou zelfs een Europese standaardisatie van hotelclassificatie moeten komen.

Anderson: “In het algemeen wordt het belang van een minimumharmonisatie danig onderschat; men realiseert zich niet dat vooral de mediterrane landen achterop dreigen te raken. Zelf proberen we deze landen met raad en daad bij te staan zodat daar in elk geval onafhankelijke consumentenorganisaties van de grond kunnen komen en bestaande organisaties kunnen worden versterkt. We moeten voorkomen dat warenonderzoek door semi-overheidsinstanties wordt verricht.”

De BEUC-voorzitter is zich ervan bewust dat de enorme tijdsdruk nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van de richtlijnen. Lukt het om tot 1993 regels op te stellen die voldoende garanties geven voor de veiligheid en de kwaliteit van produkten en diensten? Er kan immers een "verwaterde wetgeving' ontstaan als de lidstaten het onderling niet eens worden. Anderson: “We zien de eenwording als een groeiproces. Er hoeven absoluut geen regelingen voor de eeuwigheid te komen. Het beleid dient bij voorkeur stap voor stap te worden bijgesteld.”