Buitenlanders die meer van Nederland weten dan de Nederlanders

Tijdens het elfde Colloquium Neerlandicum dat zondag begon en tot zaterdag duurt, krijgen Neerlandici uit de hele wereld de gelegenheid om elkaar en hun in Nederland werkzame collega's te ontmoeten. Zij blijken vaak meer te weten van dit land en zijn cultuur dan menig Nederlander.

Het komt niet vaak voor dat onder een zaal vol buitenlanders de gemeenschappelijke taal Nederlands is. Dat was gisteren het geval in het Rijksmuseum, waar op de derde dag van het Colloquium Neerlandicumzo'n honderdvijftig Neerlandici van buitenlandse universiteiten te gast waren.

In een kale zaal houden kunsthistorici en Neerlandici zes lezingen over de relatie tussen tekst en beeld. De onderwerpen lopen uiteen: de Meester van de Spes Nostra, de onbetrouwbaarheid van Karel van Mander, de duisterheid van de experimentele dichters, het effect van Sint Sebastiaan op Anton Wachter. De Polen, Tsjechen, Finnen, Amerikanen, Indonesiërs en Zuidafrikanen lachen meewarig als zij horen hoe weinig boeken over beeldende kunst Vestdijk in zijn bibliotheek had; zij knikken geïnteresseerd bij het voorlezen van een gedichtje van Jan Vos "Op een zeeker naakt beeld in de winter geschilderd': “Dit beeld is naakt gemaalt in zulk een koude landt:- Die 't maalde toont zich hier noch naakter van verstandt”. De luisteraars weten meer van Nederlands en de Nederlandse cultuur dan menigeen die hier geboren en getogen is.

Daar zijn wij Nederlanders blij mee. Wij willen ons dan ook van onze beste kant laten zien. Zo kondigde minister Ritzen van onderwijs en wetenschappen bij de opening van het colloquium aan, dat er extra geld ter beschikking was gesteld voor de Oosteuropese deelnemers. “Hij durfde nauwelijks te zeggen hoeveel het was,” zegt een Poolse taalkundige. “voor heel Oost-Europa gaat het om ƒ 35.000.”

Met de overige onderdelen van de gastvrijheid was het gisteren al niet veel beter gesteld. “Wij zijn bijzonder blij dat we te gast mogen zijn in deze prachtige ruimte,” zei de voorzitter van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek. Maar een Nederlandse deelnemer fluisterde dat hij als "gast' wel vijf gulden had moeten betalen om het Rijksmuseum in te komen. En de "prachtige ruimte' bestond uit de ijskoude witgepleisterde filmzaal van het museum met als enige versiering een wandklok waarin af en toe een cijfer versprong. “Een soort eierwekker bij de sprekers,” zei een hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde opgewekt. Na de eerste toespraak volgde een korte pauze, een koffiepauze zou je zeggen als er koffie was geweest.

Tijdens de lunch werd echt alles op alles gezet om te laten zien hoe wij hier in Nederland van ontvangen weten. Een Belgische deelneemster die om nog een broodje vroeg kreeg van de serveerster te horen: “U hebt toch al twee broodjes gehad?” Ja, dat had bijna iedereen: een broodje ham, een broodje kaas, een glaasje Spa, een kopje koffie. Dat heette lunch en kostte twintig gulden. De organisatie organiseerde van de schrik snel nog een heleboel extra broodjes zodat de snibbige serveerster nu gedwongen was om te leuren met de broodjes die ze eerst niet had willen verstrekken.

Maar ach, de lezingen waren heel goed en dat moet gezegd, ook heel Nederlands: Nederlandse schilders, Nederlandse dichters. De directeur van het Rijksmuseum, H. W. van Os, opende de dag met een aantrekkelijke iconografische beschouwing over de Utrechtse Meester van de Spes Nostra waarbij hij liet zien hoe tekst, in dit geval de Maria-hymne "Salve regina', waarin de regel "vita, dulcedo et spes nostra' voorkomt, kan helpen bij de interpretatie van een schilderij.

Prof. dr. I. Veldman liet zien hoe, uit bijbelse verhalen door schilders steeds een bepaald moment wordt gekozen dat dan zo vaak wordt afgebeeld, dat het los raakt van het oorspronkelijk verhaal. Bathseba bijvoorbeeld, die wordt gezien door koning David terwijl zij een bad neemt: bij Rembrandt is van dat verhaal niet meer over dan een naakte vrouw met haar voeten in het water die een brief in haar hand heeft. De brief duidt erop dat het hier om Bathseba gaat, al komt in de bijbel geen brief voor. Schilders vervingen de boodschapper die David stuurde graag door een brief, dat is makkelijker. Aan het eind van de dag kon iedereen alles met eigen ogen gaan zien. “Zo'n kans krijgen wij niet vaak,” zei professor Snapper uit Berkeley en draafde het Rijksmuseum in.